Beroepen

Beroepen

Op enkele foto's kun je klikken voor een vergroting.

Dagloner met de zicht.


In 2006 werd ongeveer 14% van het verdiende loon aan voedsel besteed.

Plaggenhut met bedstee.

Openluchtmuseum Arnhem 2008

Loonmaaier en bindster op het land.

Op deze pagina's zijn enkele foto's aanwezig die we verkregen via het internet of de ter plaatse vermelde websites. Ga je daarmee niet accoord stuur dan even een mailtje en de foto wordt per omgaande verwijderd.

Karreman met vracht.

Hes

(ets / houtsnede)

Lijst van weerbare mannen

Wilm Quack (rechts- 6e van onderen)

Varsseveld: oud archief 1397 II, 12-12-1784

Klepper

Museum Smedekinck

Zelhem

Weefgetouw

Museum Erve Kots Lievelde

Foto: Fieggentrio

Hannekemaaiers

Kiep'nkerl of marskramer

Postbode met hittekar.

Post per nachttrein

Weverij. Foto Wikipedia

Vroedvrouw
Foto Wikipedia

Kottenseweg, het werkterrein van Bernardus Kwak,  ter hoogte van uitspanning de Lindeboom.

Bij het stamboomonderzoek kom je regelmatig verschillende beroepen tegen die tegenwoordig niet meer bestaan. Een mooi voorbeeld is de wever. Een beroep dat veelvuldig werd uitgeoefend door boeren en boerinnen. Een vak dat met name in Twente en in Winterswijk uitgroeide tot een ware industrie.

 

Op deze pagina brengen we een aantal beroepen voor het voetlicht.

Dagloner

In onze familiegeschiedenis komt het begrip dagloner regelmatig voor. Bij onze Wilm [1226] staat namelijk ook vermeld dat hij zijn levensonderhoud verdient door zich als dagloner te verhuren. Volgens de ‘van Dale’ is een dagloner een landarbeider die voor dagloon werkt. Een toch wel wat al te beperkte omschrijving van het fenomeen. Een dagloner kon rekenen op een jaarinkomen van ongeveer F 165-0-0. Een vakman beurde iets meer, een knecht wat minder. Dat was wel afhankelijk of de dagloner was ingehuurd ‘met de kost’ of ‘op eigen kost’. In dat laatste geval moest hij zelf voor het eten en een slaapplaats zorgen. Omdat de kosten voor levensonderhoud zo hoog waren pakte het werk ‘met de kost’ beter uit.

 

Wanneer ze geluk hadden en werk hadden werkten ze vaak meer dan twaalf uur per dag. Niet zelden van ‘s morgens vijf tot ‘s avonds zeven uur. In de winter werd er vaak op een houtje gebeten want dan was er nauwelijks werk. Dagloners verdienden dan een beetje bij door het maken van matten en manden of door te weven. Rondom het keuterboerderijtje of de hut waar ze woonden hadden de bewoners een klein stukje grond waar ze groenten en dergelijke verbouwden voor eigen gebruik. In de tijd dat Andreas leefde ging meer dan 70% van het verdiende loon op aan voedsel.

 

“Veel is er niet bekend over de dagloner,” constateert onderzoeker Bert Scova Righini in zijn boek ‘de dagloner in de Achterhoek’. Hij verzamelde gegevens over een groot aantal jaren. In een geschiedenis over het platteland zegt B.H. Slicher van Bath, eveneens een bekend onderzoeker:

“Het is verbazingwekkend te constateren, hoe weinig men van het leven en de leefomstandigheden van ‘de gewone man’ op het platteland weet(…)”

 

Dagloners leefden absoluut aan de onderkant van de samenleving. Het waren rechtenloze burgers. Zo was het regel dat de dagloner de pet afnam als hij een ‘grote’ boer tegenkwam. Hij haalde het ook niet in zijn hoofd om de dochter van de boer het hof te maken. Bij de gewone gesprekken mocht hij meepraten maar bij serieuze zaken werd de dagloner geacht zijn mond te houden. De kleine boer moest zijn plaats weten.

 

De Geldersche Maatschappij van Landbouw GML berichtte over hen:

 

“De arbeiders of dagloners hebben van hun verbouwde niets te verkoopen, maar komen daarentegen veel te kort. Ze zijn als de eigenlijke uitvoerders van het zwaare werk van den landbouw te beschouwen(…)”.

 

Een groot deel van de dagloners, waaronder Wilm Kwak, woonden op de woeste (heide)gronden rondom het dorp. Vaak in een plaggenhut.

 

Volgens verschillende onderzoekers kon men zich daar namelijk een stuk woeste grond toe-eigenen door in één nacht een perceel af te grenzen door middel van een ondiepe gegraven sleuf en er een kleine hut op te zetten waarin gestookt kon worden. (bron: Grote van Dale). Deze werkmethode heette: ‘kielspitten’ of ‘aangraven’. Die woeste grond, heide of veengebied behoorde meestal toe aan de ‘gemene Marktgronden’ oftewel aan de gemeenschappelijk marke. Veelal kreeg de aangraver en huttenbouwer toestemming om te blijven wonen. Als de sloot klaar was werd de grond verder ontgonnen en zo aan het grondbezit toegevoegd. Wel moest er dan pacht betaald worden. Deze huttenbouwers werden vaak ook gedoogd door de grootgrondbezitters vanwege de dan aanwezige beschikbaarheid van goedkope arbeidskrachten. Daarnaast hadden ze wellicht een functie bij het ontginnen van de woeste grond. Met andere woorden hun werk was mooi meegenomen. Op die manier is in de loop van de eeuwen steeds meer woeste grond ontgonnen.

 

Een dagloner bezat vroeger gemiddeld minder dan twee morgen.

Al met al kenden de dagloners slechte leefomstandigheden. Die werden vaak veroorzaakt doordat ze bijna geen dierlijke eiwitten aten. Of het zou vlees moeten zijn van wild dat in de omgeving regelmatig werd gestroopt. Voor vlees was eigenlijk geen geld. Deze situatie kwam aan het licht bij de keuringen voor de National Militie waar veel plattelandsjongeren onder de maat bleken.

 

Veel dagloners vertrokken daarom in de drukke seizoenen (oogsten en hooien) naar elders om geld te verdienen. Zo meldde de afdeling Oude IJssel van de GML in 1854 over de situatie in Varsseveld:

 

“Om gebrek en armoede onder dezen stand (dagloners) zoveel mogelijk te voorkomen, bestaat alhier eene vereeniging tot werkverschaffing. Met behulp dezer instelling gaan jaarlijks 80 tot 100 arbeiders dezer gemeente naar NoordHolland, en wel bepaaldelijk naar de Beemster en omstreken, om aldaar in den hooi- en graanoogst tegen een hooger daggeld werkzaam te zijn, terwijl de behandeling, die zij aldaar ondervinden, door hen zeer wordt geroemd.”

 

Als de mannen weg waren bleven de vrouwen alleen achter met de kinderen. Ze waren niet te benijden. Ze werkten, in de zomer, op het eigen bedoeninkje vaak 15 uur en in de winter niet zelden 10 uur aan een stuk. Zij zorgden voor de kinderen, de huishouding, het vee en alle voorkomende werkzaamheden. Tussendoor was het ook nog zaak om het eten te bereiden. Daglonersvrouwen gingen dus niet veel mee uit werken. Alleen tijdens de oogst, dan moest iedereen mee. Ook de kinderen droegen hun steentje bij. In de zomers gingen ze niet naar school. Iedereen werkte dan veelal bij de grote boer waar ze het eigen land van pachtten of op wiens grond ze gedoogd werden. Vooral tijdens de oogst was iedere hand welkom. De boeren met hun ‘grote’ knechten, de vrouwen en meisjes, loonmaaiers en dagloners. Iedereen hielp mee.

 

Loonmaaiers & bindsters

De maaiers gebruikten een pikhaak en een zicht (soort korte zeis). Rond Winterswijk heette de zicht een ‘zeiden’ . De halmen werden met de pikhaak bij elkaar gehaald en vervolgens met een snelle slag van de vlijmscherpe zeiden afgemaaid. Als de maaier zes halen met de zeiden had gemaaid dan haalde hij ze bij elkaar en werd het pak dat zo ontstond in de rij gelegd. Daar werden ze door de ‘bindsters’, twee vrouwen per maaier, in een bos bijeen gebonden tot een garve of schoof. Wanneer een maaier een halm liet staan die door een bindster werd gevonden dan moest hij trakteren. Maar dat gold ook voor de bindster die vergeten had een garve op te binden. Zo’n garve werd aan de onder-en bovenzijde met stro vastgeknoopt. Aan het eind van de dag werden de schoven in een ‘geste of gast’ (wigwammodel van acht stuks) tegen elkaar opgezet.

 

Op die manier kon het graan drogen. De laatste garve die werd gemaaid was extra dik en werd het ‘oldewief’ genoemd. Deze werd versierd met takken en dan kon men op de boerderij ‘stoplaan hollen’. Oftewel koffie en een borrel drinken. In het boek ‘Oud-Achterhoeksch boerenleven’ zegt schrijver H.W. Heuvel:

 

Als de rogge ‘van de been’ (gemaaid) is krijgt het volk ‘den stoppelhane’ dat is een ‘dröpken’ uit het glas, daar word je zo anders van. Ook dit zal wel een overblijfsel wezen van oeroude religieuze gebruiken, het slachten van den oogst haan tot een dankoffer(…)”

 

Wanneer de schoven droog waren gingen ze, hoog opgetast op de wagen, naar de boerderij. De schoven lagen op de kar met de kop naar binnen zodat er geen zaad verloren ging. De rogge werd bewaard op de zolder of op een roggemijt. Een raadgeving die veel boeren kregen was om egels te vangen. Deze konden dan ‘s winters de muizen vangen die het zaad aten. Niet echt effectief omdat egels een winterslaap houden.

Karreman

Had je als dagloner net iets meer grond en bezat je een paard, wat vroeger een behoorlijke luxe was, dan stond je te boek als karreman. Een karreman is een ouderwetse Gelderse benaming voor een kleine boer die slechts één paard heeft. Wanneer hij met zijn eigen werk klaar is verhuurt hij zich met paard en wagen aan derden om op die manier wat bij te verdienen. Over het algemeen had een karreman iets meer dan 2 morgen  (in Gelderland ca. 0.86 hectare) grond. Zodat hij, met een paard, in wezen over overcapaciteit beschikte. De naam karreman was geen algemeen geldend begrip in de Achterhoek. In Lichtenvoorde bijvoorbeeld kende men dit begrip absoluut niet.

Hessen

 

Hessen waren van oorsprong transporteurs, die via de eeuwenoude wegen naar hun bestemming trokken. Ze vervoerden onder andere blauwgrijs aardewerk (Keulse potten), vaatwerk en kruiken voor olie, soms geglazuurd en soms poreus. De poreuze kruiken werden door de boeren mee naar het land genomen. Door het zweten van deze kruiken bleef de inhoud namelijk koeler. Ook werd apothekersglas vervoerd. Hessen waren ruwe kerels die voor geen kleintje vervaard waren. Dat kon ook niet anders, want de gevaren, door ontberingen, oorlog en struikrovers, tijdens het transport waren groot. Ze vervoerden hun koopwaar voor verschillende opdrachtgevers. Daarvoor gebruikten ze grote open wagens of huifkarren. Deze waren bespannen met twee tot wel zes paarden. De paarden waren vaak van het zware ras Holsteiner. Het tuig van deze paarden was versierd met koper en met bellen zodat je ze al van verre aan kon horen komen. Een gesloten vest met daar overheen een lange blauwe kiel waren de kenmerken van een Hes evenals de grote leren waterlaarzen met dubbele zolen die met spijkers waren beslagen. Ook de grote flaphoed met een brede rand was zo’n kenmerk. Om de nek droegen ze vaak een dikke gekleurde das. Het waren imposante mannen die er duidelijk heel anders uitzagen als toen gebruikelijk was. Ze maakten in ieder geval behoorlijk wat indruk. Alleen al vanwege het feit dat het buitenlanders waren. Bekend is dat de Hessen gek waren op zuurkool, worst en ‘snaps' (jenever) en dat ze er een nogal ruw taalgebruik op na hielden.

Hessen kwamen van oorsprong uit het Duitse graafschap Hessen, vandaar hun naam. Deze naam werd later een ‘verzamelnaam’ voor alle vervoerders die Duits spraken. Hun manier van optreden zorgde voor veel gebruikte uitdrukkingen zoals: ‘vleuken (vloeken) als een Hes’, ‘zoepen’ (zuipen) als Hessen en‘ Het lijkt wel een Hes ’als kwalificatie van onbehoorlijk gedrag. Eennaam die we ook tegenwoordig nog kennen is ‘hesje’ een vrouwelijk kledingstuk dat waarschijnlijk genoemd is naar het vest van deze voormalige transporteurs.

Nachtwaker en klepperman


De beschikbaarheid van weerbare mannen in een dorp zorgde voor extra rust. Dat was wel nodig. Vooral bij misoogsten wemelde het van het gespuis dat op zoek was naar werk en eten. Bedelaars, vagebonden en gauwdieven. Die kwamen vaak uit Pruisen en zorgden voor veel onrust. Vooral tijdens de donkere wintermaanden voelde men zich onveilig. Om de veiligheid te bevorderen was de bevolking verplicht manschappen te leveren om de wacht te houden. Wilm Kwak [1226] was één van die weerbare mannen. Ze liepen wacht in het dorp en het buitengebied.


In het dorp zelf liep ook de klepperman rond. Een nachtwacht die zijn naam te danken had aan de klepper waarmee hij zijn komst steeds aankondigde. Met dat apparaat kon hij onraad of brand ‘klepperen’ om de inwoners te waarschuwen.


In Varsseveld waar Wilm Kwak leefde werd in 1778 Gradus Pekkelman aangesteld door de gemeente. Hij ontvangt zes gulden voor het bewaken van de kerk. Verder heeft hij toestemming om eens per jaar een ‘omgang’ (rondje) door het dorp te maken om een beloning op te halen. Uiteraard is hij daarbij sterk afhankelijk van de goedgeefsheid van de bevolking. De klepperman kondigde ook vaak boodschappen af op vaste plaatsen in het dorp. Op die manier werd iedereen op de hoogte gebracht.


Wever


Antonij Kwak [96] was naast boer ook wever. Dat weten we uit verschillende officiële aktes. Gezien de beperkte hoeveelheid land die Antonij huurde zal hij wel in opdracht hebben geweven voor de grotere boeren uit de omgeving of de lakenhandelaren die toen regelmatig langs kwamen om het vervaardigde laken te kopen.


Die lakenhandelaren leverden vaak de grondstoffen aan waar een wever dan het laken van weefde. De doeken die geweven werden waren mooi stevig en hadden allemaal een eigen patroon. Bij meer vermogende boeren werd er soms geweven volgens een eigen uniek patroon.

Weven als beroep stond niet echt hoog aangeschreven. Het was vaak iets wat je er bij deed naast het boerenwerk.


Van oudsher waren er twee soorten wevers. Op de boerderij was er vaak een ongetrouwde broer van de boer die zich met weven bezig hield. In een dorp waren het meestal de huiswevers. Het weven gebeurde veelal in een aparte ruimte naast de deel tegenover de koeien, de zogenaamde weefkamer. De arbeidsomstandigheden waren ronduit slecht door de slechte verlichting, het stof en de geestdodende werkzaamheden. Het garen werd door de vrouwen gesponnen en het geklepper van het grote houten weefgetouw klonk van de vroege morgen tot de late avond.


De beloning was niet echt geweldig en was sinds het midden van de 18e eeuw nauwelijks gestegen. Het dagloon bedroeg ongeveer 8 stuivers. Dat wil niet zeggen dat er veel, in geld, werd afgerekend. Meestal was het een vorm van betaling met gesloten beurs. Antonij leverde laken en kreeg daar goederen voor terug waarmee hij in zijn levensonderhoud kon voorzien. Het weven als bijverdienste was, in ieder geval, noodzakelijk om vooral in de winter het hoofd boven water te houden. Dagenlang zat de wever in het getouw en duizenden keren ging zijn lichaam heen en weer om de spoelen heen en weer te ‘smieten’ (smijten of gooien). De pet op en de klompen aan. Na verloop van jaren ging het lichaam van de wever helemaal krom staan door de steeds maar wiegende beweging.


Het weven was, zoals gezegd, een eentonig werkje. Of de wevers er tevreden mee waren is nauwelijks te achterhalen. Wel zijn verschillende volksrijmpjes overgeleverd die ieder hun eigen verhaal vertellen en aangeven dat het toen zeker geen weelde was.


Er zat een wever op zijn getouw

Grauw van de honger en blauw van de kou

Hij weefde al dit, hij weefde al dat,

Hij weefde het hemmetje van zijn gat.


Lantaarnopsteker

 

Het vak van lantaarnopsteker bestaat niet meer sinds 1957. Toen ging in Haalem de laatste vakman met pensioen. De lantaarnopsteker stak vroeger in de avonduren de gas- of olielampen aan die de straat moesten verlichten. Hij deed dat met een lange stok of klom bij de lamp met een lange ladder. In veel plaatsen was de man tevens een soort nachtwaker die overal rondliep. Overdag had de man in kwestie meestal een  ander beroep want de beloning was er niet naar om alleen van het aansteken van lampen te leven. 

Hannekemaaiers

 

De buitenlandse beroepsbeoefenaars die veelal uit Duitsland afkomstig waren hadden, voor ons, vreemde namen. De verzamelnaam die men toen gebruikte was: ‘Mof’. Het is al sinds de Middeleeuwen een scheldnaam die we ook tegenwoordig nog wel eens gebruiken om onze oosterburen aan te duiden. Hun naam werd bepaald aan de hand van de werkzaamheden.

 

♦ Hannekemaaier: grasmaaier.

   ♦ Mieren: De Friese naam  voor hannekemaaier. 

   ♦ Poepen, Pikmaaiers en Spekvreters: namen voor hannekemaaiers.

♦ Fyndoeks- of lapkepoep: de Friese naam voor reizende manufacturier.

♦ Pikmaaier: Naam voor de grasmaaiers die maaiden met ‘de pik’ de kortezeis.

♦ Munsterman: koopman afkomstig uit het Münsterlanden in Westfalen.

♦ Kiepkerel: Reizende handelaar die een kiepe (mand) op de rug droeg met                 handelswaar.

♦ Pottenventer: reiziger in potten en pannen. Waaronder Keulse aardewerk potten.

♦ Teuten: rondreizende handelaren in stoffen. Ze hadden een eigen taaltje dat ‘teuts     of kremerlatijn‘ werd genoemd.

♦ Zuurkoolsnijders: rondreizende koolsnijders die de kool meteen in maakten. Ze         reisden rond met hun eigen koolschaaf.

♦ Blaaspoepen: Reizende straatmuzikanten met blaasinstrumenten.

 

De ‘hannekemaaiers’ waren op een speciale manier gekleed, afgestemd op het werk dat ze gewoonlijk verrichtten. Ze waren op doortocht naar het westen van Nederland droegen linnen kielen, een plunje zak en een zeis. Ieder voorjaar trokken ze door de Achterhoek. In de eigen arme landstreken was weinig te verdienen en op de vaak overbevolkte keuterboerderijtjes was nauwelijks voldoende voedsel. Dus trokken ze er op uit. De naam is een verbastering van het Duitse woord ‘Hankemeijer’ wat grasmaaier betekent. Later werd deze naam voor allerlei werklieden gebruikt. De werklui kwamen namelijk ook als turfsteker, kleigraver voor de steenfabrieken, schepeling voor de walvisvaarten als zeelieden voor de koopvaardijvloot.

Kiep'nkerls

 

De ‘kiep’nkerls’ of marskramers die bij de boeren langskwamen hadden er al een hele winter hard werken opzitten wanneer ze aan hun handelstochten begonnen. Een winter waarin ze hun linnen geweven hadden, hun mutsen gebreid en hun potten en pannen vervaardigd.

 

De kiep’nkerl droeg een pet met klep en rookte een grote kromme pijp. De pijp had een lange houten steel die mee zwaaide tijdens het lopen en een porseleinen kop. De grootte van de kop varieerde van een notendop tot een theekopje. Het was dus niet verstandig de koopman een pijpje te laten stoppen van je eigen voorraad. Verder droeg de kiep’nkerl een stevige ‘gaostok’ (wandelstok). Hij droeg verder stevige vierkante schoenen of laarzen met ijzerbeslag.

 

Deze reizende kooplieden dankten hun naam aan de ‘kiepe’. Een kiepe was een grote, van wilgentakken, gevlochten korf die met een paar riemen op de rug gedragen werd. De mand was soms zelfs uitgevoerd met deurtjes en laatjes. De marskramers sjouwden nogal wat met zich mee en het was voor de boeren dan ook interessant om te kijken wat er weer werd aangeboden. Ze kwamen langs met garen, band, knopen, en andere nuttige vrouwenzaken. Maar ook met’ Catoene mutsen en sijde vesten, Duitsche mansgespen, snoftebak- en tondeldoosen’, voor de mannen. Ook verkochten ze schrijf- en keukengerei. Kortom alles wat in het dagelijkse leven van pas kwam.

 

Het is duidelijk dat deze handelaren in eerste instantie naar de betere boerderijen gingen. De eerste de beste keuterboer had toch geen geld. Vooral afgelegen boerderijen zagen de markramers graag komen. Van hen hoorden de bewoners de laatste nieuwtjes en andere wetenswaardigheden. De verhalen vonden gretig aftrek bij de evenmin ontwikkelde boeren, knechten en meiden. Zeker als ze op de lange winteravonden bij elkaar zaten te spinnen of te niksen. De verhalen van de reizigers waren in de tijd dat er nog geen radio was een van de schaarse ontspanningsmogelijkheden. Daarnaast fungeerden ze vaak ook nog als huwelijksmakelaar. Het gebeurde regelmatig dat vanaf de kansel werd aangekondigd dat bepaalde handelaren weer in de streek waren.

Postbode

 

Wanneer we praten over de huidige postbode dan komen we al snel terecht bij de de postbode's van de familie Ten Thij. Daar vinden we in de stamboom meerdere brievenbezorgers, uitbaters van postagentschappen, postconducteurs en loketbeambten. 

 

In 1799 kregen we in Nederland de nationale post. Welliswaar voornamelijk in het westen want de verbindingen in het hele land waren niet zo best. In eerste instantie werd de post voornamelijk lopend, met paarden en met postiljon rondgebracht. De lopende bode liep maar liefst 8 uur per dag en bracht de post naar plaatselijke bestellers. Later kreeg de postbode hulp van het postrijtuig dat veel meer post kon vervoeren. Ook gebruikte men de zogenaamde ‘hittekarren’ kleine postkarretjes die door honden werden getrokken.

 

Rond 1844 kwam de eerste posttrein in het vizier. De trein vervoerde de post met passagierstreinen in een speciaal voor de post ingerichte wagon. Dat gebeurde vanaf 1905 meestal nachts. De post werd in de wagon gesorteerd en van een stempel voorzien. Omstreeks 1913 kwam voor het eerst de auto in zicht. Meestal voor de wat kortere afstanden. De grote afstanden gingen per trein. Het eerste postagentschap werd in 1926 ingericht. Een postagentschap is een particuliere winkel waar via een loket verschillende postdiensten werden aangeboden. In de Eerste en Tweede wereldoorlog liep het allemaal niet echt soepel met de bezorging. Mannen werden namelijk gemobiliseerd. Veel van hun posttaken werden toen door vrouwen overgenomen. Ook de postiljon en de lopende postbode kwamen weer terug.

 

Na de Tweede wereldoorlog werd de post steeds belangrijker als communicatiemiddel want de telefoon en de telegrafie werkten nog niet best en ook het vervoer per weg en rail moest weer opnieuw opgezet worden. Dat gold vooral ook voor het posttreinnetwerk waar Gerhardus ten Thij lang heeft gewerkt.

 

Bron en foto's : Koninklijke Post NL BV.

Touwbaas

 

In de ouderwetse weverijen zoals we deze vroeger in Twente en de Achterhoek kenden werkten honderden wevers. Ze hielden zich bezig met de machines en zorgden voor het goed functioneren. Hun opzichter of baas was de 'touwbaas'. Deze had meer dan 100 weefgetouwen onder zijn beheer.

Vroedvrouw

Het beroep wordt reeds benoemd in de bijbel.  Door de eeuwen heen is het vaak de vroedvrouw geweest die de zwangere heeft bijgestaan. Tegen het einde van de zeventiende eeuw kwam er in verschillende steden een opleiding tot vroedvrouw.

De verloskunde was tot in de achttiende eeuw bijna geheel in handen van vroedvrouwen. Het waren vrouwen die zich zelf het vak hadden eigen gemaakt. Opleidingen bestonden er toen niet. Ze waren pas verplicht een arts te ontbieden wanner de bevalling fout driegde te gaan. Maar ook die waren niet echt specialiist bij bevallingen. De sterfte onder kraamvrouwen en boorelingen wat danook heel hoog.


In de achttiende eeuw werden in sommige Steden "stadsvroedmeesters" aangesteld, die een afzonderlijke proeve van bekwaamheid in de verloskunde hadden afgelegd. In 1861 wordt de eerste Rijkskweekschool voor Vroedvrouwen te Amsterdam geopend. Enkele jaren later volgt Rotterdam met haar Kweekschool. De stadsopleidingen in Groningen en Maastricht behouden nog lange tijd hun bestaansrechten. In 1865 kwam de eerste wet die het ambt van de vroedvrouw omschreef. 

Kantonnier


Over het beroep kantonnier is in de archieven niet veel te vinden. Alleen in het archief van het ministerie van Verkeer en Waterstaat kwam nog wat informatie boven water. De officiële naam voor een wegwerker is ‘kantonnier’. De Grote van Dale zegt:


“Een kantonnier is een vaste arbeider belast met het dagelijkse onderhoud van een deel van een groteweg.”


Het beroep is ten tijde van Bernardus al ruim een eeuw oud. Het ontstond ten tijde van Napoleon. Deze liet, om zijn legers goed te kunnen verplaatsen, grote doorgaande wegen aanleggen. Om die te onderhouden werd het beroep kantonnier in het leven geroepen. In die tijd moest de wegwerker dag en nacht voor het hem toebedeelde wegvak zorgen. Meestal huisde hij in een dienstwoning en was min of meer aan zijn wegvak geketend en  liep vele kilometers langs zijn weg om de zaak op orde te houden.


In het archief van Rijkswaterstaat is nog een algemene instructie voor de kantonniers aanwezig. Ze werkten van 07.30 uur tot 17.30 uur en op de zaterdagen tot 13.00 uur. Op zon- en feestdagen wordt niet gewerkt tenzij er calamiteiten waren. Het werk bestond onder andere uit:

Bij gladheid of dreigende en ontstane schade verricht de kantonnier ook buiten de reguliere werktijden zijn werkzaamheden ter beteugeling van de schade. Hij bestrooit het wegdek en ruimt sneeuw.
♦ Kantonniers zijn verplicht alles op te ruimen dat belemmering of gevaar voor het verkeer kan opleveren.
♦ Ze moeten de zachte wegen tonrond (bol) houden voor een betere afwatering en de rijsporen slechten en aanvullen. Bermen onderhouden en gelijkmatig bemesten en molshopen beslechten. Ze vervangen verbrijzelde klinkers en keien door hele.
♦  Kantonniers hebben een signalerende functie en mogen politietoezicht uitoefenen en verkeersregelend optreden bij weg werkzaamheden.

In de loop der jaren nam het werk aan de weg almaar toe. Vooral door het steeds drukker wordende verkeer met fietsen en later de auto’s. Alhoewel Bernardus, onze wegwerker in de familie, dat gezien zijn leeftijd niet meer mee zal maken.

Femielie

 

Webmaster Gerhard Kwak

 

Website van de Achterhoekse & Twentse families Kwak, Elschot, ten Thij en Goossen.

 

Neem contact op met:

 

Adres: Wielseweg 3-57, 3896 LA Zeewolde

Email: g.kwak@kpnmail.nl

 

© 2018 - 2020 Gerhard Kwak, Zeewolde.  All Rights Reserved