Weven

Weefgetouw bij Erve Kots in Lievelde bij Groenlo.

Gedroogd vlas

Olliemölle bij Erve Kots in Lievelde (links)

Vlasoven bij het Hamalandmuseum in Vreden (D)

Repelbankje

Openluchtmuseum Arnhem

Maten en gewichten

In die tijd gebruikte men onder andere de ‘el’ als maateenheid. Ten tijde van Antonij Kwak [96] was het metriekestelsel nog geen gemeengoed. Over al waren de maten toen nog anders. In het Gelderse sprak men van:


Grote of breedoekse el        69 cm

Gelderse roede                      3,8 meter 

1 roede = 14voet                     27,1 cm

1 voet = 10duim                       2,71 cm


1 uur gaans                             ±5km

Last/lading                             ± 3010 liter

                                                  (voornamelijk graan)

Mud  graan (4schepel)          ca 115-137 liter

Centenaar                               100 pond

Pond                                        430-494 gram 

Bos                                          104 stuks

Meer info over weven

 

Een weefgetouw werd gemaakt van zware eiken balken. Het was een soort geraamte met twee houten rollen (bomen). Op de ene rol werden de scheringdraden bevestigd. Dat was een heel secuur werk want de draden moesten precies evenwijdig lopen om een mooi strak weefsel te krijgen. Dat opbrengen van de draden heette ‘opbomen’. De scheringdraden konden met een soort pedaal gedeeltelijk omhoog en omlaag gebracht worden. Daardoor ontstond er ruimte om de smietspoel door de opening te smieten. Deze spoel bracht de zogenaamde scheringdraad aan. Door het heen en weer smieten (smijten) vloog de spoel tegen de houten zijkanten van het weefgetouw en veroorzaakte zo het karakteristieke ‘geklik-klak’. De inslagdraden werden met de ‘lade’ vastgeslagen zodat het weefsel goed stevig werd. Het weefsel kwam terecht op de tweede rol.

 

Vlas

‘Linum Usitatissimum’

 

Van het Latijnse ‘Linum’ is het woord linnen afgeleid. Het woord Usitatissimum betekent zeer nuttig. Het gewasis zachtgroenen heeft tijdens de bloei heel kleine blauwe bloempjes. De bloempjes zijn er maar kort maar geven wel prachtige hemelsblauwe akkers. Vlas werd al eeuwen lang in de wijde omgeving van de Achterhoek en Twente verbouwd. Na ongeveer 1850 ging het echter snel bergafwaarts met het product vanwege de opkomst van katoen. Vlas was beschikbaar in verschillende kwaliteiten, afhankelijk van de grondsoort. Zo was alom bekend dat het vlas uit de omgeving van Geesteren het beste was vanwege de kalkhoudende grond.

 

Het zaad werd in het kader van het volksgeloof het liefst gezaaid op een donderdag en bij voorkeur op de Witte Donderdag voor de Pasen. De zaaizak moest zo hoog mogelijk gehouden worden. Dan werd het gewas ook hoger dacht men. Ook werd er bij voorkeur gezaaid bij hoge uren (tegen de middag). Men liep met hoge stappen en men bevorderde de groei door het gewas te laten schrikken. Met een harde schreeuw of door het je blote achterste te laten zien op St. Jansavond (24 juni). Als het zaad op kwam werd er meteen gewied om het gewas zo schoon mogelijk te houden. ‘Roet’ (onkruid) gaf een minder eindproduct. Begin augustus was het vlas rijp. Het werd niet gemaaid maar met wortel en al uitgetrokken. Daarna werd het vlas gedroogd.

 

Repelen

Na het drogen volgde de eerste bewerking, het ‘hekelen’ of ‘reppelen’. Het vlas werd over een soort kam, een plank met ijzeren pennen, gehaald waardoor de knotten of zaaddozen van het vlas gescheiden werden. Deze zaaddozen werden weer gedorst waardoor uiteindelijk het lijnzaad overbleef. Deze zaadjes werden in een ‘olliemölle’ (oliemolen) uitgeperst tot lijnolie voor de lampen en voor de productie van olieverf. Van de restanten vaste stof werden ‘lijnkoeken’ geperst die gebruikt werden voor veevoer. Ook hield een boer vaak wat lijnzaad achter de hand. Dat werd geweekt en gekookt en gevoerd aande kalveren wanneerdieproblemenhadden met deingewanden ofslecht groeiden.

 

Roten en drogen

 Na de eerste behandeling werd het vlas in een waterkolk of in de plaatselijke beek gelegd om te ‘roten’ (rotten). Daardoor lieten de houten delen van de stengel los. Vervolgens droogde men het vlas opnieuw in een vlasoven of op de ‘vlasspree’, een hoger gelegen droog stuk grond. Vaak was het een heideveld.

 

Braken en hekelen

Met behulp van een braak werden de stengels vervolgens gekneusd. Op die manier werden de houtresten los gemaakt en verwijderd. Dat gebeurde met de ‘hekel’. Dat was een bok met fijne en grove borstels waarop de houtresten en grove bastvezels achterbleven. Op de fijne hekel bleef het ‘spiet’ achter. Dat was het wat grovere materiaal waar het grove linnen van werd geweven. De mooie lange vezels werden voor het fijnel innen gebruikt.

 

Spinnen

De lange vlasvezels werden op het spinnewiel tot garen gesponnen. Het gesponnen garen werd op een garenhaspel gewikkeld. Het was niet gemakkelijk om een mooie draad te spinnen. De vrouwen in die tijd werden dan ook op beoordeeld op hun vaardigheid en ijver bij het spinnen. Als het meisje een goede spinster was dan had ze duidelijk meer kans op een vrijer. Een volle haspel bevatte ongeveer 2070 meter garen. De beste spinsters leverden 2 volle haspels per dag (4140 meter garen) en verdienden daarmee circa4stuivers.

 

Bleken

De lengte van de geweven doeken bedroeg soms wel 25 meter. De breedte was nooit meer dan een el (69 cm). Wanneer het linnen klaar was moest het nog verder gebleekt worden. Het linnen onderging verschillende behandelingen met heet water en houtas waardoor het linnen steeds bleker werd. Daarna werd het linnen op ‘de bleek’, een grote grasvlakte, uitgespreid en vastgepend om weg waaien te voorkomen. Met een klomp aan een stok, de ‘geteklomp’, werd vervolgens helder en schoon water uit de nabijgelegen beek geschept waarmee het linnen steeds natgehouden werd. Op die manier bleekte het linnen verder in de zon. Na ettelijke behandelingen en enkele weken was het linnen voldoende gebleekt om gebruikt of verkocht te worden.

 

Uiteindelijk belandde het linnen op de boerderij in een linnenkast of 'kamenet'. Vaak een grote en prachtig bewerkte kast met openslaande deuren en schuifladen. De trots van de boerin. Prachtige rollen linnen die een zekere mate van welstand aangaven. De linnen doeken en lakens werden strak opgerold en de wit linnen hemden en doodshemden, die men met het trouwen al meekreeg, netjes opgevouwen. Bij het overlijden werd van de lakens een linnen doodskleed, het zogenaamde hen- of hemkleed' genaaid.

De bleek

Openluchtmuseum Arnhem

Geteklomp

Kamenet (linnenkast) op Erve Kots in Lievelde

Femielie

 

Webmaster Gerhard Kwak

 

Website van de Achterhoekse & Twentse families Kwak, Elschot, ten Thij en Goossen.

 

Neem contact op met:

 

Adres: Wielseweg 3-57, 3896 LA Zeewolde

Email: g.kwak@kpnmail.nl

 

© 2018 - 2020 Gerhard Kwak, Zeewolde.  All Rights Reserved