Geschiedenis

Klik op een foto voor de vergroting

Wolharige neushoorn

Keizer Karel de Grote

Kasteel Huis Berg in 's Heerenberg

Erve Kots in Lievelde, waar de boeren historie tot leven komt. 

Turf steken.

Foto: www.waarnaartoe.nl

Bommen Berend

Bussemakershuis Borne.

Foto: Wikipedia

Scholteboerderij Hesselink in Ratum bij Winterswijk.

Napoleon.

Portret geschilderd door Jaques Louis David.

Foto: Wikipedia

Kozak in Nederland 1813. Foto: elzeluikens.wordpress

Foto:

www.binnenbuitenpost.nl/

Meijerink Textiel Winterswijk anno 1960

Eenheidsworst

Abdijsiroop

Foto: Het geheugen van Tilburg

Gerda Elschot [7], de echtgenote van slager Gerrit Kwak [6] was, voor haar trouwen, ook afhankelijk van de textiel. Ze werkte op het kantoor van het bekende textielgeslacht Driessen in Aalten. (foto ca.1943)

Poort Batavier in Winterswijk

Foto: Historisch Winterswijk / stadswandelingen

Lange Meijerink bij het gouden huwelijk van zadelmaker Weenink op het Weurden in Winterswijk. 

Mais heeft het coulissenlanschap ingrijpend veranderd.

Geschiedenis

In het kader van deze site wordt de Achterhoekse en Twentse geschiedenis niet tot in den treure behandeld. Er is literatuur te over wanneer je daar wat meer over wilt weten. Wij houden ons bezig met een kleine opsomming van zaken die van grote invloed waren op de gebieden waar onze voorouders vandaan komen.  

 

Prehistorie

In de steentijd, voor onze jaartelling, verbleven mammoet- en rendierjagers in het oosten van ons land. Ze leefden op de hogere en droge gronden tussen de veengebieden in Ze leefden voornamelijk van de jacht, de visvangst en wat vee. De jagers gebruikten werktuigen van vuursteen die later werden teruggevonden. Het bewijs van hun aanwezigheid werd geleverd toen in een bouwput in het centrum van Winterswijk onder een veenlaag een paar stukjes aardewerk uit die tijd werden gevonden.

 

Water haalden ze uit de talloze beken. De bossen werden voor een deel gekapt om huizen te bouwen. Ook werd een stuk bos afgebrand om een klein akkertje aan te kunnen leggen. Daarop werden spelt (een graansoort), erwten en bonen verbouwd. Een dergelijke open plek in het bos noemden ze ‘loo’. Deze naam zien we nog steeds terug in namen als onder andere ‘Borculo, Ruurlo, Groenlo, Markelo en Hengelo’. Dergelijke nederzettingen werden door kleine groepen bewoond. Meestal twintig tot dertig mensen.

 

De Saksen komen

Verder was het land woest en leeg en volgens de Romeinse geschiedschrijver Plinius was het in onze streken vochtig en guur. In de Achterhoek en Twente zijn geen Romeinen geweest. Die kwamen niet verder dan de Rijn. Na de val van het Romeinse rijk raakten de volkeren op drift en kwamen Friezen, Franken en Saksen naar ons land.

In de loop van de jaren werd de invloed van de stam van de Saksen steeds groter. Saksen waren een statenbond van onafhankelijke groepen die in de vroeger middeleeuwen, na de invloed van de Romeinen op de Noord-Duitse laagvlakten leefden. Ze kwamen in Oost-Nederland terecht en hun taal stond aan de wieg van het huidige dialect dat bij ons nog wordt gesproken. Maar niet alleen in onze streken want de Saksen staken ook de Noordzee over naar Zuid Engeland. Dat blijkt heel mooi uit verschillende benamingen in de tegenwoordig gebruikte talen.

 

 

 

 

 

 

 

Kerstening van Oost-Nederland

Keizer Karel de Grote (ca 742-814) koloniseerde de Achterhoek en Twente en deed veel voor de ontwikkeling van de landbouw. Ook stichtten de Franken militaire vestigingen. Als bijvoorbeeld Oldenzaal. Onder zijn leiding werden de eerste inwoners gekerstend door de Friese missionaris Liudger. Deze zendeling en prediker werd in 809 de eerste bisschop van Münster. Vooral de doop van de Saksische leider Widukind betekende een ommekeer. Liudger stichtte kerken en kloosters in onder andere Groenlo, Wichmond, Winterswijk en Zelhem. Deze kerken werden het middelpunt van de samenleving. Karel de Grote gaf ambachtslieden als smeden, gereedschapsmakers, wevers en dergelijke de opdracht zich bij de kerken te vestigen, zodat die plaatsen langzaam maar zeker, belangrijker werden. Zo is het ‘kerspel’ (kerkdorp) ontstaan. Vanuit deze kleine woonkernen ontstonden de kerkpaden waardoor het gebied nog verder ontsloten werd. Veel van deze kerkepaden werden door de moderne aanpak van de landbouw, in het verleden, verdwenen. De laatste jaren zijn ze echter, veel op plaatselijke initiatieven, weer hersteld. Google maar eens op ‘kerkepaden’ en je vindt tal van mogelijkheden om ze te bezoeken.

 

De Middeleeuwen: van 500 - 1500

Mede door Karel de Grote ontstond in de loop van de 8e eeuw de hof organisatie. De wereldlijke en kerkelijke leiders hadden veel bezittingen. Het belangrijkste onderdeel waren de verschillende hoven. Om deze in stand te houden woonde daar een vertegenwoordiger van de eigenaar. Deze heette hofmeier of Scholte. Zij moesten in de onderworpen gebieden zorgen voor rust en inden de belastingen in natura. Het land om de hof heen werd uitgegeven aan horigen die daar het boerenbedrijf uitoefenden. De horigen waren verplicht om de producten van hun land in natura te leveren aan het hof. Daarnaast moesten ze ook allerlei hand- en spandiensten verlenen.

Oorspronkelijk was Twente een gouw, bestuurseenheid in rijksverband. Deze bestuurseenheden speelden een rol van de vierde tot de elfde eeuw in onze geschiedenis. Deze gouw was groter dan het huidige Twente. Een graaf die als hoogste ambtenaar een gouw bestuurde woonde voor zover bekend in Goor.

 

In de Achterhoek is het scholtendom op verschillende plaatsen tot grote wasdom gekomen. In de directe omgeving van Winterswijk, rondom Zutphen en Lochem en over de grens in Duitsland (Schulte). Rondom Winterswijk is in de loop van de jaren het Scholtenpad ontstaan. Een streekpad van ongeveer 105 km. Dat je kennis laat maken met de prachtige scholteboerderijen en hun omgeving.

 

In deze tijd leefden de meeste inwoners vooral van de akkerbouw. Ze woonden in kleine gehuchten, de zogenaamde buurschappen. Meerdere buurschappen bij elkaar vormden een kerspel. Men kende toen vier sociale lagen: De edelen, de vrijgeborenen, de vrijgelatenen en de horigen. De horigen woonden en werkten op kleine keuterboerderijtjes en waren vaak eigendom van de adel of van grote kloosters die vaak veel land bezaten. De bisschop van Utrecht was in die regio de grootste eigenaar van de horige boerderijen. In dezelfde tijd ontstond er ook een soort lokale adel. Frankische ridders die zich verdienstelijk hadden gemaakt voor hun koningen kregen als beloning boerderijen en landbouwgronden. Daarop bouwden ze vaak een versterkt huis de ‘havezate’.

 

Een havezate is een versterkte hoeve, hofstede of burcht met veel land. Veelal in handen van ridders. Deze havezaten ontstonden met name in het Graafschap Zutphen, Overijssel en Drenthe. Ook de kloosters en kerken bezaten veel grond. Die hadden ze gekregen van de adel. Veelal om zich op die manier van een plaatsje in het hiernamaals te voorzien. Naast de beide voornoemde bevolkingsgroepen kende het gebied ook vrije boeren die eigen grond in bezit hadden.

De toenmalige boerderijen waren zelfvoorzienend. Dat wil zeggen dat ze hun eigen boontjes moesten doppen. Door het geografische isolement van de streek was er van uitwisseling van grondstoffen als bijvoorbeeld mest geen sprake. Dus daar zorgden de boeren zelf voor. Zo ontstonden de gemengde bedrijven. Combinaties van veeteelt en akkerbouw. De boerderijen beschikten over weilanden die meestal vlak langs de beken en rond de essen lagen. Deze grond werd gebruikt om te hooien. Verder was er akkerland aanwezig, meestal gelegen op de wat hoger gelegen dekzandruggen. Op de essen werden afwisselend rogge, aardappels en voederbieten verbouwd.

 

Verder was ‘woeste grond’ (heidevelden) onontbeerlijk. Die was nodig voor het steken van plaggen en het weiden van de schapen. Een boer had, om goed te kunnen functioneren minstens acht keer zo veel woeste grond nodig als cultuurgrond. De heideplaggen die gestoken werden vermengde de boer met strooisel uit het bos en de mest uit de potstallen van de boerderij. Het mengsel, een soort natuurlijke mest, werd gebruikt om de akkers te bemesten. Door deze vorm van plaggenbemesting zijn deze essen in onze streken zeker één meter hoger geworden. Het glooiende coulisselandschap is daar voor een deel aan te danken.

 

Een deel van de inwoners leefde in kerkdorpen en kleine stadjes. In die tijd kregen verschillende plaatsen stadsrechten. Oldenzaal (1233 & 1249) was de belangrijkste stad in Overijssel. Verder kregen Diepenheim, Almelo (1349), Rijssen (1243), Enschede (1325), Delden (1233), Goor (1263) en Ootmarsum (1325) de rechten. In de Achterhoek werden onder andere Groenlo (1277), Doesburg (1237), Doetinchem (1236), ’s Heerenberg (1379), Zutphen (1190) en Bredevoort (voor 1388) tot steden uitgeroepen. Enkele steden hadden stadsmuren, die tegenwoordig helaas allemaal verdwenen zijn. Meestal waren ze echter niet zo rijk. Ze werden beschermend door grachten, palissades en aarden wallen. Over het algemeen lagen de kleine stadjes aan belangrijke handelsroutes.

 

 

13e eeuw marke-organisatie

In de dertiende eeuw werd de druk van de groeiende bevolking steeds groter en ontstond er een strijd om de aanwezige woeste gronden. De vrije boeren sloten zich daarom aaneen om hun rechten veilig te kunnen stellen en zo ontstond de ‘marke-organisatie’.  Marke betekent ‘grens of scheiding’. Dat waren uitstekend georganiseerde belangen-gemeenschappen van boeren. De rechten die ze claimden waren: het steken van turf voor brandstof, het plaggen steken voor de potstallen, bijen houden, runderen weiden en het laten grazen van schapen. Het hele oosten was verdeeld in deze economische gemeenschappen. Deze organisatie regelde in eerste instantie het beheer van de woeste gronden als: heide, veen en ‘broekgrond’ (drassige grond) en later, in de 19e eeuw, het verdelen van deze grond. Gemeenschappelijke ontginningen als ‘essen’ waren het resultaat, evenals individuele ontginningen die toen ‘kampen’ werden genoemd. Kampen zijn kleine met bomen of akkermaalshout (afscheidingsheg) omgeven stukken grond.

 

Eenmaal per jaar kwamen de boeren van een marke bij elkaar op de ‘holting’: een vergadering waaraan alle ‘eigengeërfde’ boeren deelnamen. Eigengeërfde boeren waren boeren waarvan bekend was dat ze al generaties lang op een bepaald erf woonden. Aan het hoofd stond de Marke-of holtrichter. Een soort rechterlijke functie die meestal erfelijk aan de belangrijkste Scholte verbonden was. Ook was er een ‘markeschriever’ (secretaris) aanwezig die de notulen moest bijhouden. Verder was er een functionaris ‘de scheuter’ (soort politieagent) die orde en rust moest handhaven. Deze man kon bij overtredingen zelfs bekeuringen uitdelen, die trouwens, en dat is wel aardig, voldaan moesten worden in ‘tonnen’ of ‘kannen’ bier. Overigens ten bate van de richter en de scheuter.

 

De verschillende functionarissen werden betaald door de boeren met garven (korenschoven), zaad, de helft van de ontvangen boetes en vrijwonen.De eigengeërfde boeren hadden stemrecht maar de overige bewoners van de marke, de ‘keuters’, ‘koters’ of ‘brinkzitters’ (keuterboertjes) mochten wel aanwezig zijn maar hadden geen ‘whare’ (stem). Ze hadden alleen maar plichten. Deze organisatievorm speelde niet overal een even grote rol. In een grootdeel van de Graafschap was de meeste grond namelijk in handen van grootgrondbezitters. Rondom Winterswijk speelden de marke-organisaties een bescheiden rol. Halverwege de 19e eeuw werden de bevoegdheden van de marken overgenomen door de verschillende gemeenten.

 

De late middeleeuwen

Is een periode in de geschiedenis van Europa die duurt van ca. 1270 tot 1500. Ze kenmerkt zich door een toenemende verstedelijking in Europa, zware economische crises, een heropleving van de geldhandel, en het afbrokkelen van het feodaal systeem, en daarmee ook van de macht van de adel. In 1528 was Twente een deel van het Oversticht. Volgens de geschriften kwam Twente toen onder de invloed te staan van de Utrechtse bisschoppen. In eerste instantie was de graaf, een ambtenaar van de bisschop, de baas. Later benoemde de bisschop een drost (landdrost of drossaard), een bestuursambtenaar die het gebied bestuurde. Met als uiteindelijk resultaat het begin van de heerlijkheid Overijssel. Salland. Twente en de heerlijkheid Vollenhove bleven afzonderlijke administratieve en bestuurlijke eenheden, maar werkten daarin wel samen

 

16e–17e eeuw: 80-jarigeoorlog

De zestiende en zeventiende eeuw werden gedomineerd door de 80-jarige oorlog (1568-1648). Het was toen met de veiligheid niet al te best gesteld. Overal in de Achterhoek en Twente trok gespuis rond dat in de naam van Spanje of Oranje de ene na de andere wandaad beging. De Achterhoek kende geen centraal gezag en dus waren er voortdurend oorlogen tussen de adellijke heren. Met name de Münsterse bisschop Christoph Bernhard van Galen alias ‘Bommen Berend’ liet zich stevig gelden tijdens de tachtigjarige oorlog. Hele dorpen werden platgebrand en bossen gingen in vlammen op. Er werd geplunderd en moord en verkrachting was schering en inslag. Er heerste grote armoede.

Ook Twente bleef niet van oorlog verschoond, want tijdens de 80-jarige oorlog moesten het gebied er behoorlijk aan geloven. Prins Maurits nam de macht over en verving de Rooms-Katholiek pastoors door predikanten Ook de Spaanse veldheer Spinoza liet van zich horen. Die veroverde in 1605 Oldenzaal. Na het twaalfjarig bestand in 1609 bleef Oldenzaal Spaans. Totdat Ernst Casimir van Nassau-Dietz de Spanjaarden in 1626 terug naar huis stuurde. Het gevolg van deze meer dan 30-jarige overheersing was vermoedelijk wel dat grote delen van Twente katholiek bleven. Met als prettig gevolg dat daar heden ten dage nog steeds carnaval wordt gevierd.

 

In eerste instantie was het na de 80-jarige oorlog in onze omgeving relatief rustig. De welvaart steeg. Raadspensionaris Johan de Witt (1625-1672) probeerde rond 1654 Twente in te lijven bij Holland, maar stopte daarmee toen een burgeroorlog dreigde. Tijdens de tweede Engels-Nederlandse oorlog (1665-1667) kwam het gebied weer onder vuur te liggen. Huize Almelo kwam in de problemen en Losser werd in brand gestoken. In de derde Engels-Nederlandse oorlog (1672) bezette de man Twente opnieuw en kwam zelfs het Rooms-Katholieke geloof weer wat in beeld.

 

Aan het einde van deze periode bleef oorlog weg. De bevolking groeide gestaag evenals de fabrikeurs. Dat waren rondreizende kooplieden die de thuiswevers op de keuterboerderijtjes van garen voorzagen om linnen te weven dat ze in Holland konden verkopen. Het museum ‘Bussemakerhuis’, een fabrikeurswoning in Borne is nog een overblijfsel uit deze tijd. Nog later werd er naast linnen ook ‘bombazijn’ of ‘bombasijde’ geweven. Een sterke textielstof met een linnen ketting (schering) en een inslag van ongetwijnd katoen. Een stof die vooral werd gebruikt voor onder andere werkkleding.     

Ook op het front van het geloof keerde de rust terug. De godsdienstvrijheid nam toe en werden de schuilkerken en schuren waar de Rooms-Katholieke diensten werden gehouden vervangen door de eerste RK-kerken.

 

18e eeuw: Koninkrijk Holland

Omstreeks 1795 was Twente een van de 3 kwartieren die onder Overijssel vielen. Een kwartier was vroeger een naam voor een bestuurlijk gebied. Aangetekend moet worden dat toen ook het Niedergrafschaft Bentheim deel uitmaakte van dit gebied. Tegenwoordig is dat niet meer zo want Bentheim valt onder Duitsland.  De regio Twente zoals die tegenwoordig op de kaart staat komt voor een groot deel overeen met het historisch-culturele Twente.

 

In 1795 werd heel Overijssel een deel van de Bataafse Republiek om vervolgens in 1806 toe te treden tot het Koninkrijk Holland. Het bestuur van het gewest werd compleet hervormd en de adellijke privileges werden afgeschaft. In deze periode werden plaatselijke kerken als gevolg van een plaatselijke meerderheid van katholieken aan hen overgedragen. Dat gebeurde onder andere in: Ootmarsum, Tubbergen, Oldenzaal, Haaksbergen en Denekamp.

 

Scholten

In de 18e eeuw breidde de macht van de Scholten zich sterk uit ten koste van de landadel. Hun macht nam vooral toe door de deelname in de handel en door overname van de landerijen van de adel. Kort gezegd waren Scholten herenboeren en grootgrondbezitters uit de boerenstand, die door hun bezittingen dominant aanwezig waren in hun buurtschap.

Scholtenboeren lieten huizen met twee verdiepingen bouwen. De gewone boerderij met de planken topgevel straalde niet voldoende macht uit.

 

Scholten vormden een sterke band. Ze regelden onderling allerlei zaken als het kappen van bomen, het toegestane aantal loslopende varkens in eikenbossen, pacht en pachtzaken. Vooral de familiebanden en het daaraan gekoppelde erfrecht was van wezenlijk belang. Op die manier werden de bezittingen in de familie gehouden. Een scholtendochter trouwde alleen met een scholtenzoon op straffe van onterving. Geld hoorde bij geld en huwelijken, zo werd er gezegd, werden in de beste kamer en niet in de hemel gesloten. In de volksmond had men ‘hele’ en ‘halve’ Scholten, De hele Scholten waren de oudste zonen, de kroonprinsen, die later het landgoed overnamen.

 

De halve Scholten waren de zonen die buiten de boot vielen en meestal gingen studeren. Beroepen als dominee en arts stonden bij hen in hoog aanzien. Maar ze gingen ook in de handel. Zij kochten bijvoorbeeld het geweven linnen van de keuterboertjes op en begonnen later in onze regionen als fabrikanten door in eigen gebouwen grootschalig aan het weven te slaan.

 

De keuterboertjes op de grote landerijen van de Scholten kenden talloze verplichtingen zoals de ‘helpedagen’. Dat waren dagen die men bij de Scholte moest werken naast de verschuldigde pacht in geld en natura. De hulp aan de Scholte ging altijd voor aan het eigen bedoeninkje. De angst voor de Scholte zat er vaak diep in. Niet zelden werd de suikerpot van tafel gehaald als de Scholte binnenkwam lopen. Stel je voor dat hij die weelde zag. De kinderen van de pachter gingen vaak al op tienjarige leeftijd bij hun Scholte aan het werk. Het waren goedkope werkkrachten. De macht van de Scholten wordt heel mooi geschetst door de volgende uitspraken:

 

“Tegen d’n doomneer en de grote Heer’n mo’j altied jao, jao zegge’n”

en

“Wat in de Biebel steet is waor. Wat in de buuke steet is mooi, maor wat meneer zekt, mo’j doon.”

 

“ Tegen de dominee en de hoge omes moet je altijd "Ja, ja " zeggen” en “Wat in de Bijbel staat is waar. Wat in de boeken staat is mooi, maar wat de Scholte zegt moet je doen.”

 

19e eeuw: Napoleon

In 1801 vond er op aandringen van Napoleon een nieuwe staatsgreep plaats. Na de grondwetherziening werd de naam van het land gewijzigd in Bataafs Gemenebest. In 1806 werd echter ook deze staat ontbonden en werd het Koninkrijk Holland gevormd met Lodewijk Napoleon als koning. In 1810 werden we een onderdeel van het Franse keizerrijk. Napoleon kwam aan de macht en hervormde het bestuur en de rechtbanken. Er werden landelijk gemeenten gevormd en de bestuurseenheid Twente verdween er werden 17 verschillende gemeente gevormd die grotendeels overeenkwamen oude richterambten van voor de overheersing van Napoleon. Dat zinde niet ieder gemeente waardoor in die tijd Ambt en Stad Almelo en Ambt en stad Delden ontstonden. Ook Enschede en Markelo werden gesplitst. De voormalige gewesten werden afgeschaft, en er werden departementen gevormd. De grenzen werden hierbij totaal veranderd ten opzichte van de oude gewesten. Doetinchem behoorde tot het Departement Gelderland en na de inlijving bij Frankrijk tot Boven-IJssel (Yssel-Supérieur). Ook de heerlijke rechten, tienden en gilden werden afgeschaft. Ten slotte werd er gestreefd naar beter onderwijs, werd het belastingstelsel verbeterd en trachtte men van de Bataafse Republiek een eenheidsstaat te maken.

 

Uiteindelijk werd Napoleon verslagen. Daarvan hadden we in de Achterhoek nog wel enkele aparte naweeën. Bijvoorbeeld van de Kozakken, de bevrijdingstroepen die het leger van Napoleon achterna hadden gereisd. Het waren woeste barbaren. Liederlijke zuipschuiten, halve wilden. Ze zaten de vrouwtjes achterna. Dat ging zo ver dat de boer zijn dochters en eventueel aanwezige kostbaarheden ging verbergen om erger te voorkomen. Ondanks dat ze maar een klein halfjaar zijn geweest hebben ze een behoorlijk indruk achtergelaten die je nu nog tegenkomt in verschillende verhalen en namen van plaatsen. Zo wordt de strenge winter  1813 - 1814 in de geschiedenis nog steeds 'kozakkenwinter' genoemd. Verder is er de 'kozakkenbult' in Hoog-Keppel, een znadweg met de naam de 'kozakkengraven' in Kotten bij Winterswijk en sinds 19410 een kozakkenlaan in Warnsveld. 

 

Opkomst van de kotters (keuterboertjes)

Na het vertrek van Napoleon werd het Koninkrijk der Nederlanden opgericht. De voormalige Protestante privileges werden omstreeks 1853 afgeschaft en de katholieken kregen vroeger afgepakte kerken terug. Het herstel van de rooms-katholieke bisschoppelijke hiërarchie in Nederland zorgde niet alleen voor een groei van het aantal parochies, maar bovendien voor een bouwgolf van kerkgebouwen, kloosters en scholen. De rooms-katholieke emancipatie was een aanleiding tot het ontstaan van de verzuiling. De oude feodale structuur kwam niet terug en de rol van de havezaten was uitgespeeld.

 

Ook nam de macht van de Scholten door verschillende oorzaken af. Vooral de invoering van het Burgerlijk Wetboek in 1861 speelde hierin een heel belangrijke rol. Daarin werd het hofrecht afgeschaft. Daardoor verdween de verplichting van de pachters om hun Scholten belangeloos te helpen en moesten die zelf het boerenbedrijf ter hand nemen. Voorafgaand aan deze periode vond de verdeling van de markegronden plaats. Er werd toen een begin gemaakt met de ontginning van deze woeste gronden. Dat kwam vooral ook omdat de kleine keuterboertjes die her en der onder belabberde omstandigheden op het land van de vrije boeren gedoogd werden, stukken grond kregen om te ontginnen. Daardoor werd het voor de Scholten steeds moeilijker om voldoende pachters te krijgen. Daarnaast vertrokken veel kinderen van pachtboeren naar het beloofde land ‘Amerika’. Het kwam zelfs voor dat de Scholte met een ham probeerde zijn pachter te overreden om vooral maar te blijven.

 

De tweede helft van deze eeuw ontstonden er grote sociale en ruimtelijke wijzigingen. Het oude markensysteem werd van tafel geveegd en de grond verdeeld onder de eigenaren van de marken. Veel van de aanwezige domeingoederen werden door de overheid verkocht meestal aan de daar al levende ‘horige’ bewoners. Daardoor ontstonden er volop kleine boerderijtjes die aan de slag gingen om de woeste gronden te ontginnen.  Een nadelig effect van deze veranderingen was dat veel adellijke huizen werden gesloopt.

Van grote betekenis was ook de ontwikkeling van de textielindustrie in de Achterhoek en vooral Twente. Hun oorsprong ligt in de huisnijverheid. Het weven was eeuwenlang huiswerk en werd hoofdzakelijk gedaan in de lange en koude wintermaanden wanneer er niet op het land gewerkt kon worden. Wevers zoals onze voorouders Antony [96] en Harmanus [69] weefden hun linnen en verkochten dat aan lakenhandelaren. Zo hadden ze ook in de winter verdiensten. Veel later kwamen er handelaren die het garen bij de boeren aanleverden en vervolgens het geweven doek weer afhaalden en verhandelden. Deze werkwijze werd steeds vaker door andere bedrijven overgenomen.

 

20e eeuw: textielindustrie  

In eerst instantie verliep het industriële allemaal nog op betrekkelijke kleine schaal maar dat veranderde gigantisch toen het stoomweefgetouw zo rond 1850 zover was ontwikkeld dat het de concurrentie met de thuiswever aankon. Duizenden ambachtslieden en klein boertjes vertrokken naar de textielindustrie. Ze gingen aan de slag in spinnerijen, weverijen en ververijen. Ze stonden op de loonlijst van de textielbaronnen.

Aan het einde van de 19e eeuw ontstaat zo een onstuimige groei van enkele grote steden in Twente. Met name de textielindustrie was daarvan de oorzaak. De steden zijn: Enschede, Almelo, Hengelo en Nijverdal. De textielbaronnen en de gemeenten bouwen hele nieuwe wijken met kleine arbeiderswoninkjes waar het aangenaam toeven was mede door de opzet van nieuwe scholen en badhuizen.

 

Door de stoom stond alles op zijn kop. Van de huisnijverheid verplaatste het weven zich naar grote, lawaaierige en ongezonde fabriekshallen. De arbeiders werkten er onder erbarmelijke omstandigheden en veel te lange werkdagen waren heel normaal. Textielbaronnen kregen de overhand. Hun bedrijven groeiden tot voor die tijd ongekende omvang. Bekende families in Twente waren: Jannink, Ter Kuile, Blijdenstein, Scholten, Van Heek en Menco. In de Achterhoek was vooral Winterwijk de plaats waar textiel de boventoon voerde. Hier zaten: Meijerink, Willink (Batavier), Tricotfabriek, de Tuunte, Bleidenstein en de Hazewind uit Winterswijk en de, van oorsprong Duitse, textiel familie Driessen uit Aalten liep wat dat betreft voorop.

 

In de glorietijd voor de Tweede Wereldoorlog had de Winterswijkse textielgigant NV Tricotagefabriek G.J. Willink maar liefst zeven fabrieken, een jaaromzet van 70 miljoen en 1700 werknemers. Ook de, van oorsprong Duitse, textiel familie Driessen uit Aalten liep wat dat betreft voorop.

 

De gigantisch ontwikkelingen werden vooral ook veroorzaakt door de aanleg van spoorwegen. De eerste spoorweg, Zutphen – Hengelo, ontstond in 1865. Na 1880 volgden in Twente en de Achterhoek meerdere belangrijke lijnen die ervoor zorgden dat goederen snel en efficiënt aankwamen en weer snel konden worden uitgeleverd. Winterswijk was toen een knooppunt van doorgaande wegen en spoorbanen naar Zutphen (1878), Bocholt in Duitsland (1880), Hengelo Overijssel (1884) en Zevenaar (1885).

 

Hengelo was in Twente een uitschieter. Daar kwamen, naast de textielindustrie grote machinefabrieken van de grond die binnen relatief korte tijd grote faam verwierven. Denk maar eens aan Stork, Hazemeyer, Dikkers, Heemaf en Hollandse Signaalapparaten. Stork besloot toen namelijk dat ze zelf wel de stoommachines konden bouwen in plaats van ze uit Engeland te halen. Vanwege de aanwezigheid van spoorbanen was Hengelo daarvoor heel geschikt. Er bleef werd een standsverschil tussen Hengelo met zijn beter opgeleide metaalwerkers de ‘iezermotte’n ‘(ijzermotten) en de Enschede textielarbeiders die als ‘armoedzaaiers’ door het leven moesten.

 

Eerste Wereldoorlog

Door de neutrale opstelling van Nederland in de Eerste Wereldoorlog bleven we gelukkig grotendeels buiten schot. We hadden er echter wel degelijk last van. Enig effect had het toch want zo moesten bijvoorbeeld de grenzen extra goed bewaakt worden. Als grensgemeente wordt bijvoorbeeld Enschede, net als in veel andere gemeenten op 15 september 1914 de staat van beleg afgekondigd. Dus de nodige militairen vertrokken vanuit het hele land naar onze gebieden. Verder werden verschillende levensbehoeften heel schaars zodat hier de Tukkers en Achterhoekers flink aan het smokkelen sloegen. Naast de verdediging van ons land moesten onze militairen dus veel langs de grens patrouilleren om het smokkelen te bestrijden.

 

Veel eerste levensbehoeften, maar ook slachtvee als koeien en paarden vonden in ons grensgebied de weg naar het Westen. Hoge boetes hielpen in dus de smokkelaar verdween in de gevangenis. Allerlei producten gingen op de bon. Zo konden de mensen levensmiddelen als brood, melk, aardappelen, vlees kopen. Maar ook klompen, schoenen en kolen waren op de bon. Door deze aanpak ontstond er een levendige zwarte handel.  Arme mensen mochten in de omgeving van Haaksbergen in het Haaksberger- en Buurserveen gratis turf steken om de kachel te kunnen stoken. Ook werden er allerlei surrogaten bedacht om de eveneens haperende import van verschillende levensmiddelen te compenseren.  In de slagerij was een heel bekend surrogaat de ‘eenheidsworst’. Een worst samengesteld uit alle restmaterialen die overbleven na het slachten van alle denkbare slachtdieren.

 

Spaanse griep

Een ware catastrofe was echter de Spaanse griep (1918). Een wereldwijde besmetting (pandemie) die geen grenzen kende.  Die kostte veel levens niet alleen onder de militairen maar ook onder de burgerbevolking. Men noemde de griep wel: ‘de windvlaag van de dood.’ In tal van families werden grote gaten geslagen.

De oorsprong van deze ziekte lag in Amerika. De ziekte heeft de naam te danken aan Spaanse journalisten die er het eerst over schreven.  De ziekte leek op griep met hoge koorts, hoesten, spierpijn en een zere keel. Het risico van overlijden was enorm. Al snel had de Spaanse griep een epidemisch karakter aangenomen. Mensen bleven weg van het werk en scholen moesten sluiten. In Nederland stierven 27.000 mensen aan deze griep. Wereldwijd waren dat er ongeveer 40.000.000. Het precieze aantal slachtoffers in de Achterhoek en Twente is niet bekend. Even snel als het virus was gekomen, verdween het weer.

 

Vluchtelingen

Na de verovering van Antwerpen sloegen meer dan een 1.000.000 Belgen op de vlucht naar Nederland. De opvangmogelijkheden raakten al snel overvol en al snel werden ze over het hele land verspreid. Van Haaksbergen (6200 inwoners) is bekend dat ze daar 60 vluchtelingen moesten opvangen. Ze woonden in huizen aan de Molenstraat en in de school op de Markt. Door al de oorlogshandelingen, de onmogelijkheid om te exporteren en het ontbreken van voldoende arbeidskrachten was de economie ingestort. Een kleine ramp voor Twente en de Achterhoek.

 

Interbellum (1918-1939)

Ook na de Wereldoorlog bleef de economie moeilijk. Tijdens het Interbellum (tussen twee oorlogen) ging het niet van een leien dakje. De fabrieken moesten weer van oorlogsproducten overschakelen naar alledaagse producten en onnoemelijke schulden moesten worden afgelost. In 1929 kreeg de wereld te maken met ‘de beurskrach’ en werd het allemaal nog moelijker. Amerika leende geen geld meer uit en beperkte de import ten gunste van de eigen industrie. De textielindustrie kreeg rake klappen vanwege onder andere de toenemende concurrentie uit onder andere Japan waar de lonen veel lager waren. Exportlanden als Nederland kregen het daardoor extra moeilijk. Met name ook door het feit dat de export naar Nederlands-Indië ter ziele ging. Vooral ook Duitsland zakte weg in een zware economische crisis.

Er ontstond een grote werkeloosheid van wel 30%. Om mensen toch enigszins aan de slag te houden kwam de overheid in de jaren 1930-1940 met de ‘werkverschaffing’ Voor werklozen wordt binnen dat kader een nuttige tijdsbesteding gezocht. De bouw en aanleg van het strandbad in Winterswijk en het Twentekanaal werden als werkverschaffingsproject in de jaren dertig uitgevoerd. In de tweede helft van de jaren 30 trok de economie weer aan en waren de textielproducten niet aan te slepen. De bloei was maar kort vanwege de komst van de Tweede Wereldoorlog

 

Ook buiten de economie ontstonden er grote sociale veranderingen. De samenleving verzuilde en je zag een opkomst van het nationaalsocialisme en het fascisme. In deze periode kwam ook de NSB van de grond.

 

Tweede Wereldoorlog

In Twente werd het vliegveld Twente omgeploegd en men blies de aanwezige hangars op zodat de vijand er geen gebruik van kon maken. Overal nam men maatregelen omdat men volop problemen voorzag. In 1940 vielen de Duitsers binnen. In eerste instantie bleef het in het oosten vrij rustig. Hoewel de economische ontwikkelingen wel stopten.

Vooral NSB’ers domineerden in de grotere steden. Het platteland in het oosten hield zicht duidelijk afwezig. Onderduiken was daar aan de orde van de dag omdat de natuur daar gewoon heel geschikt voor was. Het actieve verzet bestond voornamelijk uit het laten onderduiken van Joden en jonge mannen die niet in Duitsland wilden werken. Tijdens de Hongerwinter (1944-1945) kwamen veel kinderen uit het Westen naar Twente en de Achterhoek waar ze samenleefden met de boerengezinnen. Voedselgebrek was er nauwelijks. Ook veel westerlingen haalden bij ons hun eten.

 

Twente was een belangrijk doorvoergebied voor de Duitse spoorwegen van Polen, Hannover en Hamburg naar Vlaanderen en West-Nederland. De streek kreeg het dan ook zwaar te verduren aan het einde van de oorlog. Vooral Hengelo en Enschede werden zwaar aangevallen om de spoorwegverbindingen en bewapeningsfabriek van Hazemeyer plat te leggen. Vooral het centrum van Hengelo werd op 6 en 7 oktober vrijwel geheel weggevaagd. Evenals Goor dat in maart 1945 werd aangepakt. Ook Winterswijk met zijn treinstation kreeg enkele klappen mee. Er waren veel burgerslachtoffers te betreuren. Na 5 zware jaren kwam er een einde aan de oorlog en op 5 mei 1945 werd de overgave van het Duitse leger in Wageningen getekend.

 

Na de Tweede Wereldoorlog

De naoorlogse wederopbouw geschiedde beetje bij beetje, waarbij Twente, maar ook Winterswijk het geluk had op de toen nog oplevende textielindustrie te kunnen terugvallen. We waren maar wat blij met de aanwezige textielindustrie. Daardoor kwamen grote delen van de streek er weer snel bovenop. Het aantal werkelozen nam snel af. In Enschede maakte de textiel weer de dienst uit. Maar liefst 80% van de arbeidsplaatsen lag in de textielindustrie. Er werden zelfs gastarbeiders uit Turkije en Marokko aangetrokken om al het werk af te kunnen krijgen. In de loop van de komende jaren verdween deze industrie echter grotendeels uit het gebied. Door de opkomende concurrentie in de lagelonenlanden verdween de textielindustrie langzaam maar zeker uit onze streek. Grote bedrijven fuseerden om uit de problemen te blijven, maar vrijwel niets hielp. Meijerink in Winterswijk bijvoorbeeld sloot haar poorten in 1964. Nota bene een maand na de introductie van haar wereldprimeur ‘corduroy’ uit synthetische vezels. 

 

Een van de textielfabrikanten was: ‘Lange Gerrit’ Meijerink. Hij staat op bovenstaande foto (3e van rechts) naast slager Gerrit Kwak (4e van rechts). Meijerink woonde destijds in een grote witte villa op het Weurden tegenover slagerij Kwak. Hij had zijn bijnaam te danken aan zijn lengte van 2,04 meter. Hij organiseerde vaak jachtpartijen die vanaf het Weurden vertrokken. Als kinderen zagen we dan hoe hij zijn koffie van uit het kopje eerst op het schoteltje schonk om het dan op te drinken. Dat verwachtte je toch niet van zo’n deftig man. Dat moesten wij eens proberen.

 

Slechts een klein deel van de textielindustrie wist te overleven. Nu getuigen alleen nog de exposities in museum Freriks, de poort van de Batavier aan de Zonnebrink en het Tricotcomplex aan de Wilhelminastraat in Winterswijk evenals het Frerikshuus in Aalten van een glorieus textielverleden. Ook in Enschede zijn nog restanten van de eens zo glorieuze industrie aanwezig. Denk maar eens aan Museum Jannink in Enschede daar staat nog een oude stoommachine van Stork uit 1869. Verder is het mogelijk te genieten van het verleden van Twente door op de fiets te stappen. Een speciale fietsroute door het industriele verleden maakt de belevenis meer dan interessant.

 

Om vooral ook in Twente de werkgelegenheid te verbeteren werden bedrijven als Polaroid en Philips naar Twente gehaald evenals veel dienstverleners. Voor Twente verbeterde de economie in de jaren 70 van de vorige eeuw enerzijds door de aanleg van de snelweg A1 naar Berlijn, Osnabrück en Hannover en de sterke opkomst van de technische universiteit Twente.

 

De Achterhoek kwam boven Jan door het sterk groeiende toerisme en door de veranderingen in de landbouw. Het gemengde boerenbedrijf werd steeds meer een marktgericht bedrijf. Vooral de zuivelproductie trad steeds meer op de voorgrond. De veestapel groeide jaar in jaar uit en langzaam maar zeker verdween de oude potstal en kwam er meer vee in grote melkstallen. De vraag naar efficiënte voedergewassen nam sterk toe met als negatief effect dat de akkers die in onze jeugd nog ingezaaid waren met het gele graan waarin bloemen bloeiden als klaproos, korenbloem en spiegelklokje werden beplant met mais. Het eens zo karakteristieke kleurenspel van het eeuwenoude coulisselandschap is nu grotendeels verdwenen.

 

Nederlands

Achterhoeks

Duits

Engels

buurman

noaber

Nachbar

neighbour

doorwaadbare plaats

vore of voorde

Furche

fort

bos

woold

Wald

wood

Femielie

 

Webmaster Gerhard Kwak

 

Website van de Achterhoekse & Twentse families Kwak, Elschot, ten Thij en Goossen.

 

Neem contact op met:

 

Adres: Wielseweg 3-57, 3896 LA Zeewolde

Email: g.kwak@kpnmail.nl

 

© 2018 - 2020 Gerhard Kwak, Zeewolde.  All Rights Reserved