Het landschap

Op deze pagina's zijn enkele foto's aanwezig die we verkregen via het internet of de ter plaatse vermelde websites. Ga je daarmee niet accoord stuur dan even een mailtje en de foto wordt per omgaande verwijderd.

Wolharige neushoorn

Grafheuvel op Friesenberg in Markelo

Foto: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed

Auteur: Paul van Galen)

Lutterzand

Aamsveen

Foto: Landschap Overijssel - Ruud Ploeg

In 1926 schreef Jac.P.Thijsse, leraar en natuurbeschermer, over de Achterhoek:


“Door allerlei omstandigheden is de plantengroei er zo rijk, dat het in waarheid mag heten een openluchtmuseum van de plantenwereld.”


Hij beschreef dit gebied als het allerbeste en mooiste natuurgebied van ons land.

Montferland met zicht op Elten.

Foto: Saxifrga-Bart Vastenhouw

Landgoederenroute Textielbaronnen Enschede.

Meer info zie link rechts. 

Kasteel de Wildenborgh tussen Vorden en Lochem.

Korenburgerveen bij landgoed Mentink in Winterswijk.

Foto: Natuurmonumenten

Watermolen-Singraven bij Denekamp

Kasteel Twickel bij Delden

Foto Stichting Twickel

Oude hoevenlandschap

Ratumse beek bij Winterswijk

Ligging van Brevoort tussen de moerasen op de een kaart uit de Reis- en Zakatlas uit 1773

In Winterswijk stond landschaps ecoloog Robert Kwak [12] aan de basis van de natuurontwikkeling langs de Groenlose Slinge (foto). Als lid van het Platform Natuur en Landschap is mede door hem op papier gezet hoe je de Groenlose Slinge en de omgeving geschikter kon maken voor flora en fauna.

Houtwal

Wei met pinksterbloemen

Door het verdwijnen van de bloemrijke akkers met korenbloem, korensla en spiegelklokje verdween ook de voor de Achterhoek zo bekende gorzensoort de ortolaan.

Het oude boerenlandschap met weide, heide, veen en akkers was een optimaal gebied voor het  korhoen

Grote gele kwikstaart.

In de jaren '60 en '70 liep hun aantal sterk achteruit.

Borkense baan 

Het landschap

 

Het is heel moeilijk om je tegenwoordig nog een beeld te vormen van de oorspronkelijke Achterhoek en Twente. Er leefden mammoeten, wolharige neushoorns, wilde paarden, holenleeuwen, elanden, rendieren en zelfs haaien en walvissen. Ten tijde van onze geschiedschrijving was het een woest en verlaten gebied. Vanaf de Duitse zijde stroomden veel beken van oost naar west en daardoor ontstond een ruig gebied van moerasbossen en veengebieden. De uitgebreide veengebieden waren vroeger gevaarlijke gebieden. Verdwalen was niet verstandig want dan kwam je roemloos aan het eind. Het gebied bleek toen vanuit de Hollandse gewesten een nauwelijks te nemen barrière, zodat ons gebied lange tijd onder invloed stond van het aangrenzende Münsterland.

 

Landschappelijke kenmerken

Mede door alle ingrepen heeft het landschap een heel eigen uiterlijk gekregen. Nog steeds kun je op tal van plaatsen zien hoe oude wegen, waterlopen en weides door noeste arbeid van eeuwen zijn samengesmolten tot het karakteristieke coulisselandschap. Een landschap van afwisselend open en gesloten natuurpartijen. Dat wil zeggen dat het vrij open landschap wordt omzoomd met heggen en houtwallen wat een idee geeft dat je op een toneel staat waar het podium (land) wordt omring met coulissen. Het landschap heeft daardoor een heel intiem karakter.

 

Ze vormen het leefgebied van talloze planten en dieren als vogels en insecten en werden gebruikt voor het winnen van brandhout en ook om hout te winnen waarmee aan de woning kon worden gewerkt. Het zogenaamde ‘geriefhout’ (gebruikshout). Als er weer een stuk heide of veengebied was ontgonnen werden er vaak meteen houtwallen aangelegd om de gebieden af te bakenen om te voorkomen dat het wild de kostbare gewassen op kon vreten.

 

Door geheel Twente vind je prachtige natuurgebieden die van noord naar zuid worden door sneden door oude stuwwallen, een echte heuvelrug, met rondom geweldige uitzichten. Vooral in plaatsen als Nijverdal, Markelo, Denekamp en Ootmarsum bieden gebieden met veel heide en bossen die de moeite van het bezoeken waard zijn.

Ga eens kijken bij:

 

♦ De Friesenberg bij Markelo.

Berg is een wat groot woord voor deze heuvel die niet hoger is dan goed 40 meter. De heuvel is ontstaan door smeltwater toen de gletsjers zich terugtrokken na de ijstijd. Een prachtig heidelandschap in het natuurgebied de Borkeld. Het is ongeveer 600 hectare groot en valt onder  Staatsbosbeheer. De Borkeld is een Natura 2000-gebied.

 

♦ Bij Rijssen kun je meer dan genieten van het landschap langs het riviertje de Regge. De rivier kent een Boven-Regge van Rijssel tot Hellendoorn en een Beneden-Regge van Hellendoorn tot Ommen. Vroeger werden deze riviertjes bevaren met plaat boomde scheepjes de zogenaamde zompen.

 

♦ Het Lutterzand bij het plaatsje de Lutte kent zijn kronkelende riviertje de Dinkel. Bij uitstek geschikt om te wandelen. Het is een natuurmonument van grote landschappelijke waarde. De meanderende beek met zijn hoge steile buitenoevers wordt omzoomd met porachtige bossen met waaidennen, jeneverbesstruiken en zandverstuivingen. Het gebied wordt bezocht door talloze vogelsoorten als nachtzwaluwen, ijsvogels die gebruik maken van de steile oevers van de Dinkel en die andere specifieke beekvogel; de grote gele kwikstaart, verschillende soorten spechten, zwaluwen en de buizerd die hier voldoende aan zijn trekken komt.

 

♦ Bij de Tankenberg bij Oldenzaal. Het hoogste punt van deze  heuvelrug met een hoogte van circa. 85 meter is de Tankenberg. De berg ontstond tijdens het Saalien. De laatste periode waarbij het Landijs uit Scandinavië nog rijkte tot Midden Nederland.

 

♦ De Bergvennen en het  Breckelenkampse Veld bij Latrop

Een prachtig natuurgebied tegen de grens met Duitsland. In de Bergvennen vind je bos, schrale hooilanden, droge en natte heide. De aanwezige vennen in het licht glooiende landschap maken het plaatje compleet

 

♦ Springendal bij Ootmarsum

Omstreeks 1920 kocht Textielbaron Jannink dit eeuwen oude landbouwgebied  met historische boerderijen en maakte het gebied tot een landgoed met veel Engelse trekjes. Tegenwoordig gaat Springendal als 'de tuin van Nederland' door het leven. Er zijn heuvels met hooilanden en kleine meertjes en beekjes. . 

 

♦ Het Aamsveen bij Enschede. Een hoogveengebied op de grens met Duitsland ten zuiden van Enschede. Het Aamsveen behoort tot de weinige overgebleven hoogveengebieden met levend hoogveen in West-Europa. Het is een bijzonder natuurgebied dat door Europa als Natura 2000 is aangewezen. Het is een beschermd gebied waar verschillende unieke vogelsoorten voor komen als porseleinhoen, roodborsttapuit, de zomer- en wintertaling, de blauwborst en de nachtzwaluw.

  

♦ Het Buurserzand bij Haaksbergen

In het oosten van de gemeente Haaksbergen, langs de Duitse grens, liggen de gebieden Buurserzand en Haaksbergerveen. Het gebied bestaat uit hoogveen en is ca. 500 hectare groot. Net over de grens liggen de eveneens bekende natuurgebieden: Ammeloër Venn (70 ha groot) en het Witte Veen. 

Bij de naam Buurserzand verwacht je misschien een droog en kaal gebied. Inwerkelijkheid ligt hier eenopvallend natte heide met vennetjes. De drogere delen van de heide zijn het broedgebied van de boomleeuwerik. De afwisseling van heide, stukjes bos, kleine akkers en stuifzandheuveltjes maakt dit tot een geliefd wandelgebied.

 

♦ De Engbertsdijksvenen

De Engbertsdijksvenen ligt in Overijssel, bij Kloosterhaar ten oosten van Westerhaar-Vriezenveensewijk vlak bij de Duitse grens. Het gebied is ongeveer 1000 hectare groot. Er zijn uitgestrekte veengebieden met heideterreinen en vennen, waar al weer enige jaren kraanvogels broeden.

 

Ook de Achterhoek biedt volop natuurschoon, waar je zonder enige moeite dagen doorheen kunt struinen. Het aantal mogelijkheden is te veel om op te noemen bezoek daarom de volgende link en kijk wat je het meeste aanspreekt. Hieronder een aantal mogelijkheden.

 

♦ De Lochemse Berg (of Lochemerberg)

De Lochemerberg berg is een 49,2 meter hoge heuvel in Geldrland. De berg is een deel van de stuwwal uit het Pleistoceen en ligt tussen Lochem en Barchem. In het zuiden ligt de Kale Berg Paaschberg. De naam Barchem is afgeleid vanwege de nabijheid van het dorp ten opzichte van de stuwwal. In het gebied vind je veel reeën, vossen en eekhoorns evenals veel vogels.

 

♦ De boswachterijen in Ruurlo,

Een wandelroute over het Molenplateau en een van de mooiste lanen van Boswachterij Ruurlo dat beheerd wordt door Staatsbosbeheer. Een vande mooiste wandelroutes uit de Achterhoek. Het startpunt is bij het kasteel en de doolhof in Ruurlo. Het gebied is ca. 500 hectare groot en hoorde

oorspronkelijk bij het kasteel van Ruurlo. In het gebied dat uit bossen en weiden bestaat vind je veel hallenhuisboerderijen. Met een beetje geluk tref je er de zeldzame rode wouw die er tegenwoordig bijna jaarlijks broedt of de mysterieuze wespendief die zijn jongen voert met opgegraven wespenbroed.

 

♦ Het coulisselandschap rond Winterswijk.

Rondom Winterswijk lijkt de tijd soms te hebben stilgestaan. Hier slingeren idyllische beekjes zich nog een weg door het kleinschalige hoevenlandschap met zijn bosjes, akkers, lanen en houtwallen. In de omgeving van Winterswijk beheert Natuurmonumenten 14 natuurgebieden. Drie daarvan genieten internationale bescherming als Natura 2000-gebieden. Rondom Winterswijk liggen verschillende prachtige fietsroutes. Het gebied is bijzonder rijk aan vlinders, libellen en bosvogels, waaronder vele roofvogels en spechten en beekvogels als ijsvogel en grote gele kwikstaart.

Rondom Winterswijk prachtige fietsroutes

 

♦ Het Montferland bij Zeddam.

Montferland is een heuvelachtig gebied in het oosten van Gelderland. Het gebied ligt ruwweg tussen Doetinchem, ’s Heerenberg, Didam en de Duitse grens. De Hettenheuvel is met zijn ruim 90 meter de hoogste berg. Rondom de heuvels liggen prachtige glooiende akkers omzoomd met houwallen.

 

♦ De Slangenburg in Doetinchem

Slangenburg is een kasteel en landgoed in Doetinchem. Op het 600 ha grote landgoed tussen Doetinchem en Varsseveld is ook de Sint-Willibrord abdij van de kloosterorde der Benedictijnen gevestigd. Kasteel Slangenburg staat in de Top 100 van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg van 1990. Het landgoed en de kapel van het klooster zijn toegankelijk voor publiek. 

 

De invloed van de mens

Het huidige Achterhoekse en Twentse landschap is niet alleen ontstaan onder invloed van verschillende geologische processen. Vooral de mensen die er leefden hadden een enorme invloed. De manier waarop het huidige landschap eruit ziet is bepaald door generaties boeren die de woeste streek in cultuur hebben gebracht. Door de noeste arbeid van deze landgoedeigenaren en de boeren is er gelukkig nog veel waardevol landschap over.

 

De inbreng van de grootgrondbezitters als de kasteelheren en Scholten in de Achterhoek, eigenaren van de landgoederen zoals de Twentse textielbaronnen als van Heek, Blijdenstijn, Jannink, Menco Ter Kuile en Scholten was eeuwenlang van grote invloed. Ze hadden geld in overvloed en kochten in de buitengebieden rond de grote steden en woonplaatsen ongelooflijk veel woeste grond op. Zij bewerkten en conserveerden zo grote delen van de Achterhoek en Twente. Verschillende textielbaronnen riepen de hulp in van landschapsarchitect Dirk Wattez (1833-1906). Hij ontwierp samen met zijn zoons Constant en Pieter de meeste landgoederen. Wellicht is Wattez ook de man die de rododendron vanuit India naar Nederland haalde. Deze planten werden rond de landgoederen in grote getale aangeplant. De textielbaronnen hadden geld genoeg om deze planten aan te kopen. Ook werden talloze hectares bos aangeplant. Net als bij de Scholtenboeren in de Achterhoek. Enerzijds om hout te kweken voor de mijnbouw en anderzijds om hun jachtgebieden te vervolmaken en uit te breiden. Tegenwoordig is hun aanpak verantwoordelijk voor de bosrijke omgeving van Enschede. Daarnaast hebben we de ‘Landgoederenroute Textielbaronnen Enschede’ aan hen te danken. Een 123 kilometer lange route die de verschillende landgoederen en aanliggende natuurgebieden als het Aamsveen en het Buurserzand met elkaar verbindt.

 

Ook Kwak's voorvaderen hebben een, zij het miniem, aandeel gehad in de vorming van het landschap. Voorvader Wilm Kwak [1226] ontgon een groot stuk van de heide tussen Varsseveld en Terborg en ook Harmanus [69] en Bernardus [62] waren als wegwerker bezig het gebied te hervormen. Van Bernardus weten we bijvoorbeeld dat hij een groot deel van de eikenbomen langs de Kottenseweg in Winterwijk plantte. Eeuwenlang is er dus gebouwd en ontgonnen waarbij de liefde voor de natuur het beleid mede bepaald moet hebben. De schoonheid van het huidige landschap getuigt daarvan. Iedereen kan daar nu nog van genieten. Het natuurschoon is heel geschakeerd. 

 

Ga maar eens kijken naar het resultaat van de inspanningen van onze voorvaderen op landgoederen die we voor je bij elkaar gezocht hebben uit het meer dan overdadige aanbod.  Bezoek:  

 

♦ De Wiersse

Het landgoed de Wiersse is een uitgebreid gebied van broek, weide- en bouwlanden, heidevelden en bossen. Het is een rijksbeschermde historische buitenplaats in Vorden in de gemeente Bronckhorst (Gelderland). Het landgoed, 300 hectare groot, staat bekend om zijn tuinen die op gezette tijden opengesteld zijn voor het publiek.

 

♦ De Wildenborch

Hier tussen Vorden en Lochem ligt de eens meest geduchte roofridderburcht van de Achterhoek heeft bevonden. Op de Wildenborch waanden de eigenaren zich veilig als ze van hun rooftochten terug kwamen. De burcht werd namelijk omringd door een groot moeras. Dat later werd drooggelegd. De oudste vermelding dateert uit 1372. Het kasteel met zijn opmerkelijke ronde toren wordt heden ten dage omgeven door een 21 ha groot park, Het kasteel kan niet worden bezichtigd, het park is op enkele dagen per jaar met gids te bezichtigen.

 

♦ Landgoed ’t Zelle in Hengelo (G)

Landgoed Zelle ligt in de driehoek tussen Hengelo, Vorden en Ruurlo. Het gebied wordt gekenmerkt door eeuwenoude akkers, omzoomd door bossen en weilanden. Op 't Zelle liggen verschillende oude boerenerven. Het gebied is ongeveer 355 hectare groot. Het hart van het landgoed bestaat uit een eeuwenoud landschap met lanen, bossen, oude solitaire bomen, paden en waterpartijen en het monumentale Huize Zelle met fraaie bijgebouwen. De ambitie van Landgoed Zelle is erop gericht het landgoed cultuurhistorisch, landschappelijk, ecologisch, economisch én sociaal maatschappelijk in optimale vorm te houden en waar mogelijk terug te brengen.

 

♦ ’t Zand in Zelhem 

Landgoed Het Zand Hattemer Oldenburg

ligt in Zelhem bij Doetinchem. Het bestaat uit bossen met akkers. Op de akkers groeien tarwe, mais en rogge. Je kunt er wandelen en fietsen.  De rijke historie van het goed gaat terug tot in de middeleeuwen en in de recente geschiedenis reed door dit gebied de stoomtrein van Doetinchem via Zelhem naar Ruurlo. Tegenwoordig kun je op het landgoed in de fraaie natuur kamperen op 7 natuurkampeerweiden. Tevens figureert het gebied in het lied “Oerend Hard” van de Achterhoekse band Normaal, wanneer de Bennie Jolink zingt over de motorcross op het “Hengelse Zand”.

 

♦ Landgoed Mentink in Winterswijk

Het Landgoed Mentink is een landgoed in de gemeente Winterswijk, ten westen van de spoorlijn Zutphen - Winterswijk. Het landgoed ligt aan de rand van het Korenburgerveen. Het is een deel van het Nationaal Landschap Winterswijk, een gebied van totaal bijna 22.000 hectare groot. Sinds 1975 is het landgoed een onderdeel van Vereniging Natuurmonumenten. Het landgoed Mentink biedt bossen en glooiende akkers die bereikbaar zijn via oude lanen en zandwegen. Er is een bewegwijzerde wandelroute van ongeveer 5 kilometer.

 

♦ De Bijvanck in Beek

Een wandeling door landgoed De Bijvanck is een echte aanrader. Het gebied ligt in de gemeente Montferland en omzoomt het oude landgoed Bijvanck. Het is een oud eikenbos vol vogels en planten aangeplant op klei wat op zich heel bijzonder is. Het kent daardoor een aparte vegetatie.

 

♦ Singraven bij Denekamp

Prachtige landgoederen vind je rond Singraven met zijn watermolen uit 1448, een koetshuis uit 1868 en verschillende pachtboerderijen. Singraven betekent ‘grote gracht’. De eerste bewoners van het huis Singraven waren onder andere de Oldenzaalse Begijnen en de graven van Bentheim. Volgens een volksverhaal waart er een spook rond op het landgoed. Het zou gaan om een kluizenaarster die is ingemetseld en daarna gestorven.

 

♦ Weldam bij Goor

In een prachtige bosrijke omgeving ligt ten zuiden van Goor in zuidwest Twente kasteel en havezate Weldam. Het is een van de grootste landgoederen van het oosten van ons land. Het bestaat uit bossen, akkers en weilanden doorsneden door beken en prachtige karakteristieke lanen. Midden in het landgoed ligt het kasteel. Op het landgoed vind je monumentale huizen en oude boerenhoeven die herkenbaar zijn aan de zwart-gele luiken, die laten zien dat ze bij het kasteel horen.

 

♦ Twickel in Delden

Twickel is een historische buitenplaats bij Delden.

Het landgoed is 4000 hectare groot en wordt doorsneden door een prachtige wandelroute van 11 kilometer. In het landschap vindt je heidevelden, vennen, weilanden en akkers en bossen met eeuwenoude eiken. In het gebied zijn verschillende beken en de akkers en weiden worden omzoomd met houtwallen. Op het landgoed liggen maar liefst 150 boerderijen met zwart-witte luiken, twee watermolens, een houtzagerij en de watertoren. Op een aantal boerderijen wordt volgens de oorspronkelijke manier geboerd met een gesloten kringloop waarbij geen mineralen en meststoffen van buiten het worden aangevoerd. Een goed voorbeeld voor de toekomst?  Naast het kasteel ligt een tuin met verschillende snoeifiguren van buxus en taxus en een ommuurde moestuin. Het kasteel en de tuinen wordt onderhouden door Stichting Twickel.

 

Grote veranderingen

De grootste veranderingen ontstonden tegen het einde van de 18e eeuw en in de 19e eeuw. De periode van de meest intensieve landbouw in het kunstmestloze tijdperk. Om aan de behoeften te voldoen hadden de boeren steeds meer mineralen nodig voor hun weiden- en akkergronden. Het resultaat was dat vrijwel alle bossen verdwenen en uitgestrekte heidevelden ontstonden. Door de aanpak van onze voorvaderen zijn er, afgezien van het dorpslandschap, in de Achterhoek hoofdzakelijk twee soorten landschappen ontstaan: het oude hoevenlandschap en het jonge ontginningslandschap.

 

Het oude hoevenlandschap

Het oude hoevenlandschap vind je in het van oudsher in cultuur gebrachte deel van de Achterhoek. De ligging van de oude hoeves op de hoger gelegen, droge, gronden met de daarbij horende structuur van het boerenbedrijf is daarbij de bepalende factor geweest. Het is een zwak golvend landschap met beekdalen en oude bossen. Rondom de verspreid liggende scholtenhoeven liggen de kleine pachterswoningen en de huisjes van de keuterboertjes. Zij werden omwille van de werkkracht die zij leveren gedoogd. Het landschap heeft door de vele bossen, houtsingels en wallen een kleinschalig karakter. Ze omarmen de weilanden en de meestal bolle akkers (essen). Door het landschap voeren kromme, bochtige (zand)wegen. De ligging wordt bepaald door de gesteldheid van het landschap. Ze geven het oude landschap een grillige structuur.

 

Het jonge ontginningslandschap

Na de grote landbouwcrisis in 1880 begonnen de vrije boeren en de keuterboertjes mede doordat er kunstmest ter beschikking kwam de heide-en veengronden te ontginnen. Daarbij werd veel samengewerkt waardoor er een open en regelmatig verkaveld landschap ontstond. Dat is nu nog steeds zichtbaar in Winterswijk in het Meddoscheveld, het Vosseveld en het Wooldse veld. De boeren die het land daar ontgonnen bouwden nieuwe boerderijen langs rechte wegen. Alles moest zo efficiënt mogelijk. Het jonge ontginningslandschap geeft vaak een veel vlakker beeld. In verschillende gevallen zijn er door de Scholten, die grote delen land in bezit hadden, naaldbossen aangelegd. De grove den was namelijk een gewilde houtsoort voor de steenkolenmijnen. De stammen dienden als stutten. De boscomplexen waren echter niet aaneengesloten maar werden veelal afgewisseld met weilanden omringd met houtsingels. Op die manier ontstond toch weer het kleinschalige karakter en die herinneren daarmee aan het vroegere landschap. In Twente was er een duidelijk andere aanpak. Daar hadden de textielbaronnen het voor het zeggen. Ze kochten veel grond omdat ze nou eenmaal over veel geld beschikten. Ook zij legden er bossen aan. Alleen niet alleen voor de kap van hout, maar vaak ook omdat ze zo veel jachtgrond tot hun beschikking hadden.

 

Veengronden

Het oostelijke deel van ons land is een aantrekkelijk landschap. Een oogstrelende afwisseling van akkers, weiden en bossen. Doorsneden door lieflijke beken en bezaaid met boerderijen, scholtengoederen, kastelen en landgoederen van textielbartonnen. Dat is niet altijd zo geweest.

Vooral langs de grens met Duitsland was het gebied moeilijk begaanbaar. Uitgebreide heidevlakten en moerassen domineerden het gebied. Tijdens de Tweede Wereldoorlog waagde de bezetter zich niet in die gebieden tot groot geluk van verschillende onderduikers. Dat is nauwelijks meer voor te stellen want van dat alles zijn nog maar minieme stukken over; het Zwillbrocker Venn aan de Meddose kant van

Winterswijk, het Korenburgerveen complex aan de andere kant en het Wooldse veen ten zuiden van Winterswijk dat op de grens aansluit op het Burlo-Vardingholter Venn. Bij elkaar gaat het om een gebied van slechts duizend hectare. Het Korenburgerveen complex en het Wooldse veen zijn nu beschermde natuurgebieden. Dat geldt ook voor de rijke venen langs de Twents-Duitse grens zoals het

Haaksbergerveen / Ammeloër Venn, het Aamsven/Amtsvenn-Hündfelder Mohr en het  Wiise Veen 'weisse Venn' en het helemaal in noord-Twente gelegen Engbertsdijksveen.

 

Op verschillende plaatsen waren er doorwaadbare plekken. Daar ontstonden in de loop van de eeuwen kleine dorpjes als Bredevoort en Lichtenvoorde. Al naar gelang het belang van de doorwaadbare plaats konden deze dorpen uitgroeien tot belangrijke plaatsen, in het bijzonder voor de verdediging van het achterliggende land. Prachtige voorbeelden zijn Grol (Groenlo) en Brevoort (Bredevoort) plaatsen in de Achterhoek die stadsrechten verkregen. Vooral de plaatsnamen Bredevoort en Lichtenvoorde verraden nog overduidelijk de herkomst van hun naam. Bredevoort is afkomstig van ‘brede voorde’ oftewel de brede doorgang door het moeras en bij Lichtenvoorde moet 'licht’ in de naam vertaald worden met ‘niet zwaar’.

 

Natuurlijke beken

Van oudsher kent ons landschap heel veel 'natuurlijke’ beken. Deze zijn al eeuwenlang bepalend voor de bekoorlijkheid van het gebied. Van oorspong zijn ze bijna allemaal door mensenhand gegraven,

maar tegenwoordig is het ‘natuurlijke’ karakter vaak geheel verdwenen. Alleen al in Gelderland werd meer dan 6000 kilometer beek ‘gekanaliseerd en recht getrokken’ zonder te beseffen wat er kapot gemaakt werd. Ook werden de beken vaak stevig uitgediept om het water zo snel mogelijk af te kunnen voeren. Op enkele plaatsen vinden we nog kleine stukken natuurlijke waterloop.

 

Al met al wellicht niet meer dan enkele tientallen kilometers. Gelukkig zijn er veel plannen uitgevoerd en nog in de maak om de Achterhoekse beken, waar het nog mogelijk is, weer te dereguleren. Daar wordt

aan gewerkt door: het Geldersch Landschap, de Vogelbescherming, Natuurmonumenten en het waterschap Rijn en IJssel. 

 

Door het reliëfrijke karakter van Twente waren hier van oudsher al veel beeklopen te vinden. De grootste daarvan is de Dinkel in het oosten van Twente, waarop talloze zijloopje uitkomen. Je zou van een riviertje kunnen spreken met een eigen beekdal met overstromen “uiterwaarden”. Deze beek heeft

haar oorspronkelijke karakter altijd bewaard en is één van de fraaiste beeklopen van Oost-Nederland. Het westen van Twente wordt begrens door de fraaie “rivier” de Regge; te zamen zorgen beide riviertjes voor het kader van het Twentse volkslied: “Er ligt tussen Regge en Dinkel een land….”.

 

Tot voor een jaar of tien geleden (2000) leed het hele gebied door alle landbouwkundige ingrepen aan ernstige uitdroging. Het water stroomde naar de landbouwgebieden en de waterschappen voerden het overtollige water veel te snel weg. Gelukkig heeft men aan beide zijden van de grens maatregelen genomen. Bij het Wooldse veen bijvoorbeeld zijn plastic damwanden geplaatst en werden duizenden berken die ontstaan waren door het verkeerde beheer omgehakt door vrijwilligers. Door alle maatregelen steeg het grondwater weer en bleef het veen behouden. Dergelijke maatregelen zijn nu in alle resterende veengebieden van de Achterhoek en Twente uitgevoerd. Vooral de veenvogel als kraanvogel, blauwborst en grauwe klauwier hebben geprofiteerd en vele water- en moerasvogels als eenden en ganzen. Ook het sluiten van beheerovereenkomsten met de daar wonende boeren, waardoor rondom de kwetsbare gebieden bufferzones ontstonden, hebben sterk bijgedragen aan de verbeterde natuurkwaliteit.

 

Houtwallen

In het Achterhoekse en Twentse landschap zijn de oude houtwallen en heggen vaak dominant aanwezig. Zij vormen de coulisse en zijn de basis voor een unieke en gevarieerde flora en fauna. Ze werden aangeplant als scheiding tussen de verschillende wei- en bouwlanden. In de houtwallen tref je

de volgende flora aan: eik, berk, wilg en els in de boomlaag, hulst, mispel, vlier, hazelaar, meidoorn en sleedoorn in de struiklaag en in de kruidlaag o.a. maagdenpalm, brandnetel, boterbloem, sleutelbloem, vingerhoedskruid, varens en schermbloemen aan. De laatste decennia zie je door een overschot aan bemesting vaak een dominantie van bramenstruiken en brandnetels, hetgeen ten koste gaat

van de oorspronkelijke gevarieerde begroeiing. De wallen zijn dan “verruigd” zoals dat heet.

 

Houtwallen zijn aarden wallen met aan de voor- en achterkant een greppel met redelijke steile kanten. Op die manier kon het vee niet ontsnappen. Ook het wild kon moeilijker op de percelen komen en dat was mooi meegenomen. In sommige gevallen werd een houtwal dubbel aangelegd. Op die

manier kreeg de wal dan de functie van landweer; een specifieke Achterhoekse situatie. De wal diende dan als bescherming tegen rovers, dieven en plunderende soldaten. Vooral de doornstruiken als sleedoorn en meidoorn waren het belangrijkste onderdeel. Zij deden dienst als ‘levend prikkeldraad’. Wanneer men weinig snoeide werd deze natuurlijke barrière meters dik en er ontstond een heel

gevarieerde flora met naast struiken ook veel verschillende kruiden en andere gewassen. Deze dubbele begreppeling had ook een functie in de waterhuishouding. Zuur water van de heidevelden werd van de weilanden geweerd en aangerijkt water uit de ondergrond en uit de beekloopjes werd over de groengronden geleid; een bevloeiingssysteem, waarmee voedingsstoffen en mineralen als een natuurlijke bemesting werden opgebracht. Onze voorouders waren zeer bedreven in het gebruik maken van het natuurlijke potentieel binnen het aanwezige landschap!

 

De wallen werden beplant met houtige gewassen en met name de zomereik. Daardoor werden ze in de loop van de jaren belangrijke houtleveranciers. Hout was brandstof voor de haard en de bakoven. De eiken leverden gebinten en planken voor van alles en nog wat; van de bouw van de boerderij tot de planken voor de doodskist. Daarnaast leverde de wal twijgen voor manden en doorns om de einden van een worst dicht te steken. Verder was een houtwal een rijke leverancier van allerhande voedsel als bramen, vlierbessen, pruimen, mispels, wilde appels en peren.

 

Door de grote ouderdom en de vaak sterk gevarieerde structuur kregen de wallen als het ware een eigen ‘ecosysteem’ dat steeds meer ging lijken op de van nature aanwezige bosranden. Op die manier vormen ze een soort overgangsmilieu tussen weide en bos en dat is bij uitstek een prima leefgebied voor veel vogels en insecten, waaronder vele bijzonder dagvlinders als eiken- en iepenpages. In houtwallen en hagen vind je onder andere vogels als: geelgors, heggenmus, merel, verschillende soorten mezen, winterkoning, nachtegaal, spotvogel, fazant, patrijs. Maar ook rups en vlinder. Daarnaast zie je regelmatig padden en salamanders. Verder ontbreken dieren als de rosse woelmuis, het konijn, de bosmuis en de egel niet. Door deze rijkdom zijn roofdieren als hermelijn, bunzing en wezel volop aanwezig. Ook verschillende soorten vleermuizen maken handig gebruik van de wallen. Ze zien ze als baken voor hun sonarsysteem.

 

In het totale landschap vormen de houtwallen en hagen een soort verbindingsweg waarlangs dieren maar ook planten zich kunnen verplaatsen. In de Achterhoek en Twente zijn ze dus al eeuwen bezig met de tegenwoordig zo moderne ecologische verbindingswegen. Door goed onderhoud en de manier van kappen bleven deze routes behouden. Men kapte van de houtwallen namelijk ieder jaar maximaal maar 10% van het hout weg. Op die manier bleef het evenwicht gehandhaafd. Daarnaast bleef de boer verzekerd van voldoende hout om in zijn behoefte te voorzien.

 

Na 1840 werden de houtwallen vaak aangelegd in het kader van de ruilverkavelingsprojecten. Door ruilverkaveling zijn echter veel oude wallen geruimd en maar weinig nieuwen aangelegd (de zgn. schaalvergroting in de landbouw). Ze worden gekenmerkt door een standaard assortiment plantgoed en volgen dan een rechte lijn. Hoewel de onderlinge samenhang van de heggen en houtwallen door het prikkeldraad, de moderne landbouw en het oprukkende verkeer grotendeels is verdwenen, waardoor dieren zich moeilijker verplaatsen kunnen,vind je gelukkig nog steeds grote stukken terug.

 

Weilanden

Naarmate de bevolking toenam was er steeds meer behoefte aan weidegrond om het vee te laten grazen. Daarom werd er op kleine schaal bos gekapt of platgebrand. Allengs werd het landschap daardoor veel opener. Tot ver in de negentiende eeuw waren de boeren aangewezen op bemesting met plaggenmest. Deze mest werd hoofdzakelijk gebruikt op de akkers met als resultaat dat het meeste grasland een schraal karakter had. Het was kortom nogal voedselarm. Met uitzondering van de weilanden langs de beken; die werden bij overstromingen meestal wel van verse voedingstoffen voorzien door een ingenieus systeem van “vloeiweiden”. Door deze grote verschillen in ligging, bodemreliëf en ook de waterhuishouding ontstond een grote variatie aan weilanden die afhankelijk van de omstandigheden vol met verschillende bloemen stonden. Jac. P. Thijsse beschreef in zijn Verkade-album ‘De bonte wei’ dat omstreeks 1911 uit kwam, de weelderige bloempracht en het rijke dierenleven dat daarmee gepaard ging. In deze tijd van natuurlijke bemesting was het korhoen, een vogel die je, in het begin van de 21e eeuw, alleen nog op de Sallandse heuvelrug vindt, ook in de Achterhoek heel talrijk. Door de geringe bemesting brachten de weilanden echter voor de landbouw niet veel op en werden ze hooguit twee keer per jaar gemaaid. Voor de natuur echter des te meer: orchideeënrijke, bloemrijke graslanden, met een planten- en insectenrijkdom die we tegenwoordig alleen nog in de allerbeste natuurgebieden vinden.   

 

In de eerste helft van de 20e eeuw waren grote delen van de Achterhoek en Twente nog één gevarieerde bonte wei in al haar verschijningsvormen. Veel van deze weiden zijn de laatste decennia verdwenen. Boeren gingen economischer werken en dus werd de productie geïntensiveerd. Meer mest, meer bewerking en vergaande ontwatering en egalisering. Met als resultaat dat veel van de oude rijkdom is verdwenen. Niet alleen de planten en bloemen maar ook de daarbij horende vlinders als de zilveren maan en de moerasparelmoervlinder moesten letterlijk het veld ruimen. Verder werden vooral

de weidevogels, als grutto, kemphaan, tureluur, patrijs, watersnip, paapje en roodborsttapuit, het slachtoffer van deze situatie.

 

Gelukkig zijn er nog oude graslanden te vinden in afgesloten natuurreservaatjes zoals in het Korenburgerveen complex in Winterswijk, de Koolmansdijk in Lievelde, aan het Lievelderveld en het

Steltkampsveld bij Borculo en de randzones van venen in Twente. Heel bijzonder zijn de Twentse bloemrijke graslanden die worden gevoed door uit de ondergrond opwellend water zoals in het dal van de Mosbeek en het Springendal bij Ootmarsum in Noord-Twente en de stroomdalgraslanden langs de Dinkel. Hoewel deze laatsten door verminderde waterkwaliteit in de vorige eeuw sterk zijn verarmd. Door recentelijke ontwikkelingen lijkt het tij te keren en komt er steeds meer aandacht voor de bloemrijke weilanden. Via beheerovereenkomsten, randenbeheer, verschillende vormen van agrarisch natuurbeheer en de aanpak van kansrijke graspercelen werken veel boeren nu weer mee aan de herinvoering van de natuur. Herstel van het oorspronkelijke watersysteem met opwellend grondwater is plaatselijk ook succesvol gebleken zoals bij Ootmarsum.

 

De rijke flora en vegetatie van de Achterhoek en Twente zijn te danken aan een samenspel van enkele, voor Nederland, zeldzame factoren. Er is een rijke loofbosflora, het klimaat is door de ligging meer Midden Europees getint en van groot belang is ook de samenstelling van de bodem waar heel oude lagen aan de oppervlakte komen die we vrijwel nergens kennen. Deze oude lagen bepalen de minerale rijkdom van het water in de beken. En het Duitse achterland is natuurlijk bijzonder rijk aan bosflora en –fauna zoals Die Bröcke bij Borken over de grens bij Winterswijk en het Bentheimer Wald bij Bentheim

over de grens bij Denekamp. Vooral de meanderende beken met de steile oeverwanden zijn een uitstekende broedplaats voor de ijsvogel die daarin zijn holen graaft. De huidige deregulering van de beken is voor deze vogel dan ook van levensbelang. Naast de ijsvogel is ook de kerkuil een vogel die het traditioneel heel goed doet in de Achterhoek en niet te vergeten de grote gele kwikstaart.

 

Gelukkig zijn er in verschillende delen van ons land grote stukken grond aan de natuur teruggegeven. Een prachtig voorbeeld van zo’n maatregel is de Borkense Baan in Winterswijk. Dat was de spoorlijn van Winterswijk naar Borken die omstreeks 1875 werd aangelegd. Tot 1975 reden hier kolentreinen waarna het baanvak, om economische redenen, buiten gebruik werd gesteld. De Nederlandse Spoorwegen droeg het beheer van deze baan over aan Natuurmonumenten en het Geldersch Landschap. Kilometers spoor, inclusief bielzen en rails met een breedte van 23 meter werd vervolgens met rust gelaten. De schenking pakte perfect uit. Het is nu met recht het langste natuurgebied van Winterswijk. Het spoor vormt een uitstekende verbindingszone tussen kleine natuurgebiedjes en andere belangwekkende stukjes grond. Daarbij moet je denken aan kleine percelen naald- en loofbos, poelen, graslanden en een paar oude groeven die bij de aanleg van het spoor ontstonden. Deze laatste behoren nu, meer dan honderd jaar later tot de waardevolste vennen van Gelderland. Op de Borkense baan vind je een bijna ongekende verscheidenheid aan flora en fauna. Je vindt er onder andere:

 

♦  Bunzingen, hermelijnen, wezels en steenmarters.

♦  Vier soorten spitsmuizen.

♦  Vierendertig soorten vlinders.

♦  Reeën, hazen, konijnen, vossen.

♦  Kamsalamanders, kleine watersalamanders.

♦  Padden, bruine kikkers en groene kikkers.

♦  Hazelwormen.

♦  Levendbarende, zandhagedissen en gewone hagedissen.

♦  Bijzondere soorten dagvlinders en libellen. 

♦  Driehonderdendertig hogere plantensoorten, als boerenwormkruid, wilgenroosje, herfstasters,

    de moerasspirea, smeerwortel, bitterzoet, het heide kartelblad, gevlekte orchis, de wolverlei,

    de blauwe knoop en het leverkruid.

 

Femielie

 

Webmaster Gerhard Kwak

 

Website van de Achterhoekse & Twentse families Kwak, Elschot, ten Thij en Goossen.

 

 

Neem contact op met:

 

Adres:

Wielseweg 3-57, 3896 LA Zeewolde


Email:

g.kwak@kpnmail.nl


 

© 2018 - 2020 Gerhard Kwak, Zeewolde.  All Rights Reserved