Voedsel

Voedsel voor eigen gebruik

Boekwijt grutten

De aardappelplant

Ruim 150 jaar na de introductie van de aardappel (circa1877) waren de boeren in rep en roer toen de ‘coloradokever’ ineens opdook. Uit Amerika kwamen onheilstijdingen dat de larven van deze kever duizenden hectares aardappels kaal-vraten.

 

Achteraf bleek de angst mee te vallen. In onze jeugd kregen we een paar centen wanneer we de kevers inleverden bij de boer. Die was maar wat blij dat hij er van was verlost.

Coloradokever

Om de gewone man ook aan de aardappel te krijgen werd het in de ‘hogere’ standen een gewoonte om aardappel-bloesems in het knoopsgat te dragen om maar te laten zien hoe goed en mooi het product was.

Stoppelknollen

Maar het eten was het vroeger allemaal geen weelde. Er kwam toentertijd hoofdzakelijk roggebrood, boekweitpap en aardappelen met wat groente op tafel, voor zover die beschikbaar waren. Soms met een stuk hesp of spek van het eigen scharrelvarken, maar dan was het eten wel extra luxe. Op het stukje land werden vroeger, naast tarwe en boekweit, veel gewassen verbouwd die we nu nauwelijks meer kennen.

 

Ook waren de bijverdiensten bij de grotere boeren niet voldoende om te overleven. Daarom werd er, op kleine schaal en voor eigen gebruik, vooral rogge en boekweit verbouwd. De rogge werd gebruikt om er brood en pannenkoeken van te bakken. Rogge was heel lang het volksvoedsel voor de boeren en arbeiders. Men bakte van de rogge pannenkoeken en verschillende soorten broden als grijswit, bruin en zwart roggebrood. Men bakte ze zelf of deed het samen met de buurman. Ze bakten dan grote broden van wel 40 pond voor de hele gemeenschap. In wezen waren deze bakkers de voorlopers van de huidige broodbakkers. In de zandstreken gebruikte men jaarlijks per persoon ongeveer 280 kilo roggebrood.

 

Van oudsher werd er naast rogge ook boekweit verbouwd. Na de ontginning van de woeste grond kon die namelijk meteen ingezaaid worden. Boekweit is eigenlijk geen graansoort maar meer een kruidachtig gewas. Het groeide vooral op arme en slecht bemeste gronden en bloeide in juli en augustus. De lange rode stengels, met de bloemtrossen van kleine witte en roze bloempjes, gaven een heel fijn aroma aan de lucht. Ze waren een ware feestdis voor de bijen zodat vooral imkers eropaf kwamen vanwege de fijne heerlijke en witte honing. Boekweit is een wispelturig gewas dat over het algemeen niet veel oplevert. Het is gevoelig voor vorst en als het rijp is verliest het gewas heel snel het zaad. Daarom werd het vaak geoogst als het ’s morgens vochtig was, dan bleef er meer zaad in zitten. Het dorsen was niet gemakkelijk. De zaadjes werden vaak nog een keer met de blote voeten nagetrapt om de kafjes en de andere resten los te maken. Het zaad was hard en deed zeer aan de blote voeten. Daarom noemde men boekweit ook wel ‘beukenootjestarwe’. Een bekende spreuk in die tijd was: “Hee is zo dreekantig as boekweitzaod”. Met andere woorden, je kunt maar weinig van hem op aan.

 

De boekweit was meestal voor eigen gebruik. Het zaad ervan is rijk aan zetmeel. Maar meestal diende boekweit als grondstof voor pannenkoeken en pap. Het werd dan gebroken tot boekweitgort (grut) . De pannenkoeken met spek en de pap met karnemelk. Men voegde er soms paardenbonen (tuinbonen) aan toe of at er een snee brood bij. Bij feestelijke gelegenheden at men soms ‘potstroef’.

 

Ook maakte men van boekweitgrutten wel reuzelballen. Een reuzelbal was vermoedelijk de voorloper van de oliebol. Deze vond zijn oorsprong aan het begin van de 15e eeuw, volgens de Stichting het Informatiecentrum voor Volkscultuur in Utrecht. Deze stichting vond de manier van bereiden in oeroude kookboeken. Toen at de bevolking de reuzelbal uit bittere noodzaak. Er was weinig calorierijk voedsel en dus werd menig meelbal in de olie gebakken. Niet in de olie die we nu kennen maar in de reuzel (varkensvet). De bol heette toen dan ook ‘reuzelbal’. De bol lag als een blok beton in de maag maar vulde uitstekend.

 

Er zijn twee theorieën waarom we met Oud en Nieuw oliebollen eten.

1: De Bataven offerden in die periode veel vette etenswaren aan de Germaanse godin Perchta. Het vette eten zorgde ervoor dat het zwaard van de godin op hun vette buiken zou uitglijden wanneer de godin ze wilde opensnijden.

2: Mensen vastten, in de middeleeuwen, tussen Sint Maarten en Kerstmis om voorraden te sparen voor de lange wintermaanden. Als beloning trakteerden ze zich daarna op lekkernijen die gemaakt waren van lang houdbare meelsoorten. Vermengd met olie en vet waren ze heel calorierijk en ’s winters een uitstekende brandstof tegen de kou.

 

Aardappels

Naast de producten gemaakt van rogge- en boekweitmeel kwam steeds vaker de aardappel op tafel. Omstreeks 1730 verscheen deze knol voor ’t eerst in onze gebieden. Dat de regelmatig terugkerende hongersnood niet meer slachtoffers eiste was grotendeels te danken aan dit ‘nieuwe gewas ‘. Hoewel de aardappel, de knol kwam van oorsprong uit Peru, al was ontdekt in het tijdperk van Columbus (1492), duurde het heel lang voordat hij dooriedereen werd gegeten. Men vond het eigenlijk een soort varkensvoer. Men dacht zelfs dat aardappels giftig waren. En ook het lelijke uiterlijk van de knol veroorzaakt door wratten en rare verkleuringen op de schil voedde het bijgeloof dat de aardappel ziektes als tering (tbc) en syfilis kon veroorzaken. Er werd mee geëxperimenteerd en men voerde ze bijvoorbeeld aan gevangenen en armen. Daar had men vroeger niet zo veel problemen mee. Zo is bekend dat Willem de IV tijdens een diner op 13 december1742 een maaltje gekookte aardappels kreeg. Hij bliefde ze niet. Ook de keukenmeid van de burgemeester van Haarlem werd daarvoor ontslagen. De ‘fijne’ ingewanden van de ‘betere stand’ konden deze knollen niet verteren. DePruisische koning Frederik de Grote liet zien dat deze geruchten niet klopten door grote hoeveelheden van die vreemde knollen te eten. Hij had er alle belang bij dat zijn onderdanen de aardappel gingen eten, omdat zijn land weinig graan voortbracht en hongers noodregelmatig op trad.

 

Uiteindelijk veroorzaakte de aardappel in heel Nederland maar ook op de schrale zandgronden van de Achterhoek een ware revolutie. De aardappel leverde namelijk twee tot drie maal zoveel zetmeel op dan de bestaande producten rogge en tarwe. Er was dus veel meer eten voor de bevolking. Het verbouwingsrisico was relatief laag en de teelt was gemakkelijk. Ook werden er geen tienden (belasting) over geheven.

 

De aardappel is een belangrijke leverancier van vitamine C en relatief eenvoudig te telen. Ze was daardoor bij uitstek geschikt voor de kleine boerderijtjes met weinig grond maar wel met veel monden om te voeden. Algemeen wordt aangenomen dat pas na de strenge winter in het geboortejaar van Andreas (1740) en het daarop volgende hongerjaar de aardappel gemeengoed werd. In de tweede helft van de 18e eeuw zorgde de sterke stijging van de graanprijzen voor een steeds grotere aardappelconsumptie. Voor de hongerjaren 1771-1772 werd er in Gelderland voldoende geteeld voor eigen gebruik. Om problemen met de eigen bevolking te voorkomen werd in november 1771, vanwege de grote hongersnood, het Hof van Gelderland door de Staten gemachtigd om een uitvoerverbod van aardappels af te kondigen. Rond 1800 werden er al bijna evenveel aardappelen als graansoorten geteeld.

 

De teelt

In Gelderland werden de aardappels in zandgrond gepoot. Dat gebeurde met de pootstok of pootboor. De mannen draaiden een gat in de grond waarin de vrouwen een poter (pootaardappel) lieten vallen waarna het gat weer dicht getrapt werd. De plantafstand was 5 tot 15 cm. En de rijenafstand 40 tot 50 cm. Er waren op een hectare, op die manier, vaak 150.000 poters nodig. Kwalitatief waren ze slecht en hadden veel virusziekten. Daardoor was de opbrengst maar mager. Net als nu was de oogst sterk afhankelijk van het weer. Meestal werd er pas in september geoogst. Het loof was dan verrot en dus was het makkelijker om bij de aardappels te komen. Iedereen, zelfs de kinderen, hielp mee om ze bijeen te ‘garderen’ (rapen).

Om aardappels te bewaren werd voor eigen gebruik door de Gelderse boeren een gat gegraven van 75 cm diep en ongeveer 2 bij 2 meter groot. Daar kon voldoende in voor eigen gebruik en voor het vee. Het liefst begroef men de aardappelen in de buurt van een eikenboom. Want daar was de grond het droogst. De hoop aardappels werd afgedekt met stro, aardappelloof en grond. Een probleem was wel dat bij strenge vorst de kuil nauwelijks te openen was. Aardappelen hadden een vaste plaats op het menu van alle dag. In de lente en aan het begin van de zomer waren de ingekuilde aardappelen slecht van kwaliteit. Aardappels poten was dus een van de eerste werkjes na de winter. Ondanks de slechte smaak van de aardappelen werden ze toch gegeten. Weggooien was niet aan de orde.

 

Aardappels gemeengoed

 In de tweede helft van de 18e eeuw worden de aardappels gemeengoed. Ze worden niet erg gevarieerd opgediend. Meestal werd er een azijnsaus en vis bij geserveerd. In onze streken worden ze vaak samen met kool, bonen en wortels gegeten. De aardappels en groente worden dan vermengd tot een ‘mank’ (pot door mekaar). Als de voorraad het toeliet dan kwam er ook een stukje spek bij. Ook werden in de winter vaak aardappels in de hete schaddenas (de as van gedroogde en opgestookte plaggen) gelegd die met zout en boter uit het vuistje werden gegeten. Verder werden de aardappels wel gegeten als ‘bloote eerpels’ met een ‘karnemelkse’ saus, een stevige lichtzure saus die goed vulde. De hoeveelheid spek was bepalend voor de voedingswaarde van de saus. Soms werd er ook gerookt spek gebruikt zodat de smaak totaal anders werd.

 

Stoppelknollen

Na de oogst van de graangewassen (na 21 juli) gingen de stoppelknollen het land op. Het kruisbloemige gewas bracht stikstof in de grond en het was zodanig vorstbestendig dat het wel tot januari kon blijven staan. Het werd gebruikt als veevoer maar ook de mensen waren er niet vies van. Het was een smakelijke verse versnapering die graag gegeten werd.

 

Producten uit de vrije natuur

 Niet alleen de gekweekte producten van het land waren belangrijk. Ook de opbrengst van de gewassen uit de vrije natuur werd alom gebruikt. Verschillende daarvan kennen we ook nu nog. Andere zijn volledig in onbruik geraakt.

 

De moelentrekker

Een moelentrekker is de blauwe bes van de sleedoorn. Het is een kleine pruim en is rauw erg wrang van smaak. Vandaar de naam ‘moelentrekker’ (bekketrekker). De vrucht werd wel verwerkt in compotes, jam ofsiroop.

 

Bosbessen en bramen

Als de bosbessen en de bramen rijp waren tegen het eind van juli tot september liepen hele schoolklassen leeg. Er moest geplukt worden zodat de voorraad jam weer aangevuld kon worden. Het was dan soms feest in huis omdat de vruchten dan meegebakken werden in de pannenkoeken.

 

Noten

Hazelnoten, okkernoten (walnoten), kastanjes en eikels werden volop gezocht. Vaak stonden verschillende van deze bomen al bij de boerderij. Als de walnoten rijp waren dan moesten ze met een stok uit de boom geslagen worden. “Een nöttenboom mo’j good slaon, dan drög hi’j better” (een notenboom moet je goed slaan dan geeft hij meer vruchten) was een algemeen begrip. Ook verdreef een notenboom vliegen en muggen. De noten werden bewaard in de ‘oelewanne’, een speciale mand met een heel kleine opening waar maar één hand in kon. Die kon er alleen weer uit wanneer je maar een paar noten pakte. Een vorm van zelfregulering. De eikels werden verzameld als voer voor varkens en als nieuw pootgoed. Ze hielpen ook goed tegen houtworm. De eikels legde je dan op verschillende plaatsen in het huis. Je moest ze wel regelmatig verversen. Noten werden ook toentertijd al door kinderen gebruikt om mee te knutselen.

Femielie

 

Webmaster Gerhard Kwak

 

Website van de Achterhoekse & Twentse families Kwak, Elschot, ten Thij en Goossen.

 

Neem contact op met:

 

Adres: Wielseweg 3-57, 3896 LA Zeewolde

Email: g.kwak@kpnmail.nl

 

© 2018 - 2020 Gerhard Kwak, Zeewolde.  All Rights Reserved