Andreas Quak -105

Klik op een foto voor de vergroting

Handtekening Andries Quak

De pestdokter.

17e eeuwse gravure uit het artsenboek

van Thomas Bartholin.

Tegeltableau met een uniform uit de tijd van Andreas ond 1760.

Notitie in het trouwboek van de gemeente Doetinchem 1764.

De afkomst van Andreas Quak moet waarschijnlijk langs de verdedigings-linie (dikke zwarte lijn) van Holland gezocht worden. Deze linie liep van Sluis in Zeeland naar Nieuwerschans in Groningen. De bewegingen van de regimenten verliepen, grotendeels, via deze  routes.

 

Op de plattegrond zie je sterren voor de verschillende garnizoenssteden. 

Het salaris van het gewone voetvolk staat in de archieven genoteerd als:12-5-0.Dat betekent in de Noordelijke Nederlanden 12 guldens - 5 stuivers - 0 penningen. In deze opsomming heeft de gulden 20 stuivers en een stuiver 16 penningen. Deze verdeling komt uit het Karolingische stelsel (ingevoerd door Karel de Grote) Op dit stelsel berusten de meeste Europese muntsystemen van voor circa 1800. Het decimale stelsel van de gulden die verdeeld is in 100 centen werd in Nederland pas in 1816 aanvaard.

Bilzekruid: Hyascyamus Niger

Soldaat ca. 1750

Beschilderde gevangenisdeur Maastricht

Drankvaatje

van een marketenster

Uniformjassen 1750-1780.

Legermuseum Delft.

Een kokarde is een versiering in de vorm van een strik, lint, rozet of knoop. Oorspronkelijk was het een veer van een haan. Dat is nog te herleiden aan het woord kokarde dat afkomstig is van het Franse woord voor haan: coq.

Steek

Mitramuts

Karakteristiek voor deze periode zijn ook de messingplaten van de bovenstande ‘mitra mutsen’. Deze werden gedragen door Nederlandse grenadiers en dragers van de vuursteengeweren uit ca.1750-1780.

Vuursteen geweer en -pistool. ca. 1760

Geboorteakte Wilm [1226]

Dysenterie is een ernstige vorm van diarree en wordt gekenmerkt door bloed en slijm in de ontlasting. De ziekte wordt overgedragen  door besmet water en staat tegenwoordig vaak bekend als reizigersdiarree.

 

Vermelding  van: Clompen voor Tonij Quak f-2-. Twee stuivers in de boeken van de Diaconie van Varsseveld

Bewijs van betaling van ‘costgelt’ voor Willem Quak

School

ca. 1700

De pechvogel kreeg je naar je hoofd  geworpen wanneer je iets uitgevreten had. Je moest dan naar  voren komen en kreeg vervolgens een stevige tik met de plak. 

Onderwijsmuseum Rotterdam.

Gezinsblad van Andreas Quak & Willemina Bussink

 

Andreas (Andries) Quak [105],

geb. circa 1740, beroep: soldaat,

ovl. vermoedelijk (hoogstens 54 jaar oud) voor 1794.

♥ tr. [18] te Doetinchem op 28 mrt 1764, (resp.ongeveer 24 en 23 jaar oud) 

met: Willemina Bussink [106], dr. van Wilm Bussink [118] en Hendersken Geessink [119],

geb. te Varsseveld op 27 nov 1740, ged.GR te Varsseveld,

ovl. (24 jaar oud) te Varsseveld op 3 nov 1765.

 

 Uit dit huwelijk 2 kinderen.

 

1. Antonij (Antoni) [96],

geb. te Varsseveld op 15 jan 1764, ged. te Varsseveld op 18 apr 1785, beroep: wever, dagloner.

ovl. (68 jaar oud) te Varsseveld op 27 nov 1832, 

♥ tr.(resp. 30 en ongeveer 22 jaar oud) [17] te Silvolde op 16 feb 1794, kerk.huw. (GR) met

Hendrina (Henderie) Kuiperij [97], dr. van Hermanus Kupery [1269] en Aaltje Slatjes [1270],

geb. te Varsseveld circa 29 dec 1771,

ovl. (ongeveer 79 jaar oud) te Wisch op 27jan1851.

Uit dit huwelijk 10 kinderen.

 

2. Wilm [1226],

geb. te Varsseveld op 28 apr 1765, ged.te Varsseveld. Beroep: dagloner,

ovl. (71 jaar oud) te Wisch op 15okt1836,

♥ tr. (resp. 20 en 21 jaar oud) [367] te Varsseveld op 6 nov 1785, kerk.huw. (GR) te Varsseveld op 6 nov 1785 met Aaltjen te Mebelink (te Mebel) [1228], dr. van Garrit Jan Mebelink  [1271] en Lijsken Naafs [1272],

geb. op 9 jan 1764.

ovl. (61 jaar oud ) te Varsseveld op 1 jun 1825.

Uit dit huwelijk 7 kinderen.

De geboorte van Andreas

 

Het geboortejaar van Andreas of Andries Quak was een meteorologisch rampjaar. Al in de herfst van 1739 begon het streng te vriezen en in januari reden mensen met de arrenslee naar Stavoren en Enkhuizen. Doordat het groeiseizoen heel laat was ingezet, was de prijs van de gewassen maar ook van het hooi veel hoger dan andere jaren. Dat zorgde voor veel extra armoede. Het jaar eindigde daarbij nog met vroege novemberstormen en opnieuw een vroeg invallende vorst. De noodlijdende bevolking op de Veluwe en in de Achterhoek joeg op hongerige wolven om de nood te lenigen. Een auteur uit die tijd schrijft dat het Amsterdamse gasthuis vol lag met:  “de doodelijk en van de sulken die door koude en armoede zijn vergaan.”

 

De pest

In diezelfde tijd (1740-1744) heerste er eveneens een grote landelijke pestepidemie. Een stuiptrekking van de massale uitbraken waar de dertiende en veertiende eeuw om bekend stonden. Toen was de pest massaal aanwezig wat in die tijd heel vaak leidde tot het uitsterven van complete steden. Zo is bekend dat in het Amsterdam van1664 ruim 24.000 mensen omkwamen en dat was naar schatting ongeveer 14% van de bevolking. Meestal betrof het de builenpest. Die werd zo genoemd vanwege het ontstaan van zwellingen van de lymfeklieren in de liezen en de oksels die heel pijnlijk waren. Na een paar dagen braken deze zwellingen door en vormden etterige wonden. Ook longpest en pest die tot bloedvergiftiging leidde kwamen veel voor.

 

De ziekte sloeg massaal om zich heen door het grote aantal besmette ratten en omdat, door de economische crises, de mensen ondervoed en zwak waren. Het verzorgen en het begraven van de overledenen riep veel weerstand op vanwege het besmettingsgevaar. De steden probeerden dan ook, tegen hoge beloningen, pestdokters, pestmeesters en pestdragers aan te trekken. De vroegere pestdokters waren gekleed in lange mantels en droegen een soort vogelmasker. In de snavel zat een filter gevuld met parfum, kruiden en andere stoffen. Daarmee dacht men het gevaar van de pest uit te bannen. Een bril beschermde de ogen.

 

 Waar komt Andreas vandaan?

Al met al geen geweldig begin van het leven van onze Andreas, alhoewel er over de juiste omstandigheden weinig te zeggen valt. Er zijn tot op heden gewoon geen gegevens over hem gevonden. Over zijn opleiding is ook niets bekend. We komen hem, zoals vermeld, pas tegen in het trouwboek van de gemeente Doetinchem. Hij is dan soldaat en trouwt met Willemina Bussink uit Westendorp.

 

Het toenmalige Staatse leger was niet in staat om uit het kleine Nederland voldoende manschappen aan te trekken. Vandaar dat ze vaak uit de aangrenzende landen kwamen. Het kan dus zijn dat Andreas pas in Doetinchem in dienst gekomen is. In dat geval was hij wellicht afkomstig uit de Duitse of Oost-Europese gebieden. Deze situatie is echter niet aannemelijk omdat een onervaren soldaat waarschijnlijk niet werd ingezet voor de bewaking van een stad. Hij zou dan wellicht in de garnizoenssteden Doesburg of Zutphen gebleven zijn onder begeleiding van meer ervaren soldaten. De meest waarschijnlijke hypothese is dat Andreas met een regiment mee kwam. Het Staatse leger was een beroepsleger dat voor een groot deel bestond uit Duitsers, Zwitsers, Walen, Schotten en huurlingen uit andere landen. Het was ingesteld, in 1576, door de noordelijke en zuidelijke Nederlanden om de Spanjaarden te verdrijven

 

Deze aanname is gebaseerd op twee uitgangspunten. Allereerst is de naam Quak/Kwak in al haar verschijningsvormen een veel voorkomende naam in het westen van het land en ten tweede is dat wellicht af te leiden uit de marsroute van de regimenten. Regimenten bleven nooit lang in de garnizoensplaatsen. Dit om te voorkomen dat ze al te eigen werden met de bevolking en zich met de plaatselijke omstandigheden gingen bemoeien. Zoals blijkt uit het overzicht van de verschillende verblijfplaatsen van de regimenten bestaat het vermoeden dat hij van oorsprong uit de streek komt die we tegenwoordig als Zeeland kennen. Het maakt de nog steeds niet beëindigde zoektocht naar de herkomst van Andreas er niet makkelijker op.

 

Tijdstip van aankomst

Het juiste tijdstip van de aankomst van Andreas in Doetinchem is moeilijk te zeggen. Vermoedelijk kwam hij in de zomer van 1762 of begin 1763 aan. Dit vermoeden is gebaseerd op een paar bekende gegevens: de bewegingen van het regiment waar hij bij zat en de geboorte van zoon Antonij. Hij zag het levenslicht op 15 januari 1764. Uitgaande van het gegeven dat het negen maanden duurt alvorens een kind geboren wordt, moet Andreas in ieder geval voor half april 1763 in Doetinchem aanwezig geweest zijn. Afgezien van het feit of de geboorte van Antonij een ‘moetje’ was, gezien de geboortedatum is dat heel goed mogelijk, kan er sprake geweest zijn van een ‘verkering’. In dat geval zal Andreas al in 1762 zijn aangekomen. Wat voor een dag zou het geweest zijn toen soldaat Andreas in Doetinchem aankwam? Was het winter? Zomer? Niets is daaromtrent met zekerheid te zeggen, hoewel de winter niet zo waarschijnlijk is. In de winter kon je moeilijk reizen en de verplaatsingen van hele regimenten met het hele hebben en houden was zeker geen geringe opgave. De wisselingen waren complete volksverhuizingen. Vrouwen, kinderen en huisraad gingen mee. Vooral de winter in 1762 - 1763 was geen pretje, volgens de annalen. Het was een strenge winter. In verschillende geschriften komt naar voren dat op 6 januari de wateren bevroren waren en de eerste arrensleden op het ijs verschenen. Op 10 januari was het ijs 1,5 voet dik (bijna 50 cm) en sliepen de mensen in de bedsteden op een extra laag stro. Op verschillende plaatsen was dan ook gebrek aan water en enige tijd later waren de eerste doden te betreuren van de scherp snijdende kou. Er was nauwelijkswater voorhanden om branden te blussen. Dus er was sprake van groot brandgevaar. Ook werden er soldaten, doodgevroren, in wachthuisjes aangetroffen. Door de dooi, na afloop van deze strenge winter, waren er in het voorjaar vermoedelijk overstromingen die het reizen eveneens bemoeilijkten.

 

Garnizoenssoldaat

Andreas Quak was soldaat in Doetinchem. Daar lag geen vast garnizoen. Doetinchem beschikte in de jaren 1761, 1762 en 1763 alleen over ingekwartierde soldaten voor de bewaking van de stad. Deze militairen kwamen vermoedelijk uit de garnizoenssteden Doesburg of Zutphen die wel over een eigen garnizoen beschikten. Het legerkorps waarbij Andreas was aangesloten staat niet vermeld. Het enige houvast wordt gegeven door een vermelding enkele regels boven zijn huwelijksinschrijving. Daar wordt soldaat Willem ter Mast (Must) genoemd. Diens huwelijksaankondigingen vinden plaats op: 8, 15  en 22 januari 1764. Hij  trouwt  met  Anna Bijers dochter van Gerrit Bijers, alhier. Willem staat onder bevel van Majoor Paets in het regiment van Colonel Ruysch.

 

Andreas trouwde twee maanden later op 28 maart 1764. Een voorzichtige conclusie want het regiment van Colonel Ruysch was namelijk niet het enige legeronderdeel dat in die dagen in de buurt was. Dit blijkt uit het overzicht van de bewegingen van de regimenten in het boek Vredesgarnizoenen van 1750 tot 1795 en 1815 tot 1940, geschreven door H. Ringoir. Dit naslagwerk geeft in ieder geval aan dat Doetinchem vermoedelijk geen eigen legerkorps in de stad had in de periode dat Andreas aankwam. Met behulp van het boek krijg je tevens een overzicht van de van de regimenten en hun verblijfplaatsen. Het overzicht geeft aan dat het Regiment Nationalen Monster Nr.16 onder leiding van Ruysch van 1762 tot en met 1766 in Zutphen heeft vertoefd. In zoverre is dus de aantekening van soldaat Willem ter Mast wellicht te koppelen aan Andreas. Om zeker te zijn moet het onderzoek veel breder getrokken worden. Dat wordt echter sterk bemoeilijkt door de afwezigheid van complete gegevens uit die tijd.

 

Enig houvast bieden enkele summiere basisgegevens zoals de minimum leeftijd om in dienst te treden. Die was, normaal gesproken, 18 jaar. De soldaten bleven vrijwel altijd in dienst bij het zelfde regiment. Van Andreas weten we dat hij trouwde op 28 maart 1764. Met als extra notitie: jongeman van 24. Wanneer Andreas dus werkelijk op zijn 18e levensjaar in dienstisgetredendan moeten alleplaatsen, waar de verschillende regimenten vanaf 1758 verbleven, onderzocht worden. Het reeds genoemde boek van Ringoir is daarvoor heel geschikt. Wanneer we kijken naar de bewegingen van het Regiment Nationalen Monster nr. 16, onder de leiding van Colonel Ruysch zien we dat het regiment onderstaande standplaatsen*, gelegen aan de verdedigingslinie van Holland,bezocht:

 

♦ 1756 – Sluis, Philippine / SasvanGent, Axel.

♦ 1757 – Utrecht, Amersfoort / Arnhem.

♦ 1760 – Utrecht / Leeuwarden.

♦ 1761 – Tholen, Lillo, Scheldeforten / Leeuwarden.

♦ 1762 – Zutphen, Tholen, Lillo, Scheldeforten / Leeuwarden.

♦ 1763 – Zutphen, Utrecht.

♦ 1766 – Zutphen, Deventer.

♦ 1767 – Leeuwarden.

♦ 1771 – Axel, Philippine, IJzendijke / Tholen, Lillo, Scheldeforten.

 

*De standplaatsen die gescheiden zijn door een schuine streep geven aan dat de bataljons van het regiment in verschillende plaatsen lagen.

 

Andreas de soldaat

Om wat meer duidelijkheid te krijgen over Andreas de soldaat is het interessantom zijn vak van soldaat, in die tijd, en de leefomstandigheden van deze mannen te belichten.

 

Bij de jongemannen die in dienst traden speelden allerlei factoren een rol. Patriottisme kwam voor maar er waren ook motieven als: onderduiken in de anonimiteit van het leger, de behoefte aan kameraadschap, avontuur, weg uit het dorp of pure roofzucht. Over het algemeen genomen vochten de soldaten niet echt voor een overtuiging. Ze vochten hoofdzakelijk voor het geld. Soldaten werden bij gebrek aan voldoende manschappen soms geronseld. Meestal echter traden ze in dienst vanwege de verre van rooskleurige omstandigheden thuis. In de grote gezinnen was er bijvoorbeeld geen plaats voor alle zonen op de boerderij. De oudste zoon nam de boerderij over en de rest moest maar een vak leren. En soldaat zijn was één van die vakken. Toen Andreas dienst nam waren soldaten vrijwilligers. De minimum contracttijd was toen 6 jaar. Eenmaal aangenomen bij een regiment werden de soldaten nooit naar een ander regiment overgeplaatst. Ze dienden hun contract uit en vestigden zich dan vaak als kleine zelfstandige.

 

Keuring

Alle manschappen werden gekeurd. Deze keuring geschiedde door de chirurgijn-majoor. De man met de meeste ervaring als chirurgijn. De beginnende chirurgijn was meestal een gewone soldaat die handig was in het hanteren van gereedschap. Vaak werden daarvoor slagers en barbiers uitgekozen. Hij leerde het vak gewoon door het vaak te doen. Hij verrichtte aderlatingen en legde verbanden en klisma’s aan. Een chirurgijn beschikte over aderlaatmesjes, kogeltangen, bekkens om bloed in op te vangen en klysmaspuiten. Vaak was hij tevens barbier zodat scharen, scheermessen en kammen ook tot zijn uitrusting behoorden. Een keuring stelde niet veel voor. Gezocht werd naar: ‘kloeke, weerbare en aanzienlyke manscappen’. Recht van lijf en leden en goed uit de kluiten gewassen. De lengte van de gewone soldaat was ongeveer 5 voet en 4 duim (Rijnlandse maat). Dat is ongeveer 1.65 meter. De minimumleeftijd mocht niet lager zijn dan 18 jaar. Ouders en voogden konden toestemming geven om daar van af te wijken in het geval de jongemannen nog maar 16 of 17 jaar waren. De betrokkenen moesten dan wel robuust en sterk genoeg zijn.“Om de fatigues (vermoeidheid) uit te staan.”

 

Soldij

Voor het salaris hoefde je geen soldaat te worden. Het is waarschijnlijk dat het inkomen lager lag dan dat van een dagloner,die ongeveer 165 gulden per jaar verdiende. Een soldaat beurde ongeveer 100 gulden per jaar. Het salaris was overigens wel afhankelijk van de rang en het legerkorps waarin werd gediend. Gardesoldaten bijvoorbeeld werden beter betaald. De soldij werd gewoonlijk per 42 dagen uitbetaald en bedroeg:

 

♦ Garde: ruiter met paard f 45- 0-0

♦ Garde: soldaat f 13- 0-0

♦ Gewoon voetvolk soldaat f 12- 5-0

 

Het grote voordeel van het soldatenvak was het ‘gegarandeerde’ inkomen en dat maakte dienstneming aantrekkelijk. Daarnaast was het nogal eens mogelijk om doorbijwerken, vooral in dewintermaanden, en betalingen voor extra loonwachten (het tegen betaling overnemen van de wacht van iemand anders) een centje bij te verdienen. En dan hebben we het niet over bijverdiensten in de vorm van plunderingen in tijden van oorlog. In de 18e eeuw kwamen deze echter beduidend minder voor dan in de voorgaande eeuwen.

 

De medische verzorging

De medische behandelingen werden verzorgd door chirurgijns. Zij ontleenden hun kennis aan ervaringen uit de praktijk. De meest voorkomende ziekten onder de soldaten waren: tuberculose, roode loop (dysenterie) en syfilis. Gewonden overleden vaak aan tetanus. Op Walcheren hadden de soldaten veel last van malaria. Een chirurgijn werd gevreesd. Hij was de man die naast ziekten ook zweren, gezwellen, botbreuken herstelde, verrotte kiezen trok en ledematen amputeerde. Meestal dronken de mannen zich helemaal klem voordat ze naar hem toe gingen want een behandeling was, zonder echte verdoving, geen pretje. Kennis van geneeskrachtige kruiden was van het grootste belang en was dan ook bij veel chirurgijns aanwezig. Ze hanteerden het standpunt dat de Here God aan iedere plant een vorm meegaf waaraan de werking van de plant of een onderdeel viel af te lezen. De zaden van het bilzekruid hebben een vorm die lijkt op een kies en daarom werd dan ook aangenomen dat ze wel zouden helpen bij kiespijn. De zaden werden vooral gebruikt om de zaak te verdoven als een kies getrokken moest worden. Toen er eenmaal chloroform was uitgevonden verdween het gebruik van het kruid.

 

Het soldatenleven

De infanterie trok te voet door het land. Bepakt en bezakt liepen ze vaak meer dan 20 km per dag. Volgens de reglementen hadden ze, per soldaat, recht op één kan bier, twee pond brood en een kwart pond boter of spek per dag. Een ruiter kreeg voor de voeding van zijn paard hooi en stro. Het trekkende leger werd vergezeld door een minstens zo groot leger, de legertros genaamd, bestaande uit burgers. Veelal waren het vrouwen of vriendinnen en verwekte kinderen. En dan waren er nog de slagers, bakkers, handelaren en hoeren die niet bij de troepen weg te slaan waren. Ze zwermden er om heen en hielden zich in leven door voor de soldaten te wassen, te koken, uniformen te herstellen en ze verzorgden de zieken en gewonden. Ook werd er levendig gehandeld in tabak, bier en andere levensbehoeften. De bekendste persoon die mee trok was de marketentster, de vrouw die verversingen aan de trekkende legers verkocht.

 

Levensonderhoud

Soldaten moesten veelal zelf in hun kost (onderhoud) voorzien. In de steden werden ze ondergebracht in woonhuizen en in tijden van oorlog in gevorderde gebouwen. Vaak woonden ze, door plaatsgebrek in de garnizoenssteden, in de directe omgeving bij boeren. Dat maakte het aan de kost komen al wat makkelijker. Bij inkwartiering hoefden ze niets te betalen alhoewel ze geen hoge eisen konden stellen. Vaak hadden ze per twee soldaten maar recht op één bedstede. Wanneer ze onderweg waren dan sliepen ze gewoon onder de blote hemel of in een boerenschuur. Als ze door oorlogshandelingen bij een boer werden ingekwartierd dan moest die ook voor het eten zorgen. Bijkomende zorg was hoe hij zijn vrouw,dochters en de meiden bij de soldaten weg kon houden, want het waren geen lieverdjes.

 

Uniform

Het uniform dat Andreas droeg ontstond circa 1600 vanuit de bestaande burgerkleding. Voor die tijd zorgde de soldaat voor de eigen kleding en bewapening. Dat had vooral consequenties voor de herkenbaarheid op het slagveld. Het was een ratjetoe waar in het hevigst van de strijd niemand wijs uit kon worden. In de begintijd van het Staatse Leger veranderde dat. De soldaten waren toen niet in dienst van de regering maar van de kolonel die aan het hoofd van het regiment stond. Deze regimenten werden ingehuurd.

 

De kolonel was eigenlijk veel meer een zakenman dan een soldaat. De dagelijkse leiding liet hij over aan de luitenant-kolonel die wel militair was. Het Franse woord lieutenant betekent plaatsvervanger. De militairen in het regiment waren dus in dienst van de kolonel die dan ook voor de diensten van zijn regiment werd betaald. Hij betaalde zijn soldaten uit. Als zakenman probeerde hij daar wat aan te verdienen. Vandaar dat hij kleding en bewapening uit de eigen handelsvoorraden leverde. Om zijn soldaten te kleden kocht de kolonel grote partijen stof en nam een kleermaker in dienst om de uniformen te maken. De soldaten werden om dat te kunnen betalen gekort op hun soldij.

 

In het midden van de 18e eeuw werd het uiterlijk van de uniformen sterk door Engeland beïnvloed. Ze bestonden uit linnen of baai. Baai was een dik en grof wollen weefsel, op molton lijkend flanel, dat vaak ook gebruikt werd voor onderkleding, vrouwenrokken en hemden. Door de activiteiten van de kolonel had iedereen hetzelfde uniform aan. Daardoor ontstond een groeiend saamhorigheidsgevoel, een verbeterde herkenbaarheid van de eigen troepen en natuurlijk ook van de deserteurs. Uiteindelijk werden beide partijen er beter van. De kolonel verdiende een extraatje en de soldaat was veel beter gekleed. Bijkomend voordeel was dat goed geklede troepen angst in boezemden. De dagelijkse kleding bestond in de 17e eeuw uit een hoed met een brede rand en een ‘rok’. Dat was een jas die tot de knieën reikte. De jas werd gedragen over een vest, meestal met mouwen en een korte broek tot net onder de knie. De kleur was overwegend wit. Ook slobkousen behoorden tot de standaard plunje. Tijdens de lange marsen hadden de troepen echter last van de lange jas. Vandaar dat de voorpanden van de jas naar achteren werden geslagen en op de rug werden vastgezet. In latere jaren werden deze flappen er gewoon afgesneden en ontstond, in ruwe vorm de rok, zoals we die nu nog kennen bij het rokkostuum.

 

Iemand die zich dus tegenwoordig in rok of jacquet kleedt stapt dus eigenlijk in het oude tenue van een soldaat. De jas veranderde nog meer, want de mouwen van deze jassen waren toen veel langer en dat was onhandig tijdens de gevechten. Ook deze werden dus omgeslagen en vastgezet. Tegenwoordig zien we als overblijfsel nog steeds knopen op de mouwen van een colbert. Datzelfde gebeurde ook met de staande kragen uit die periode. Bij het omslaan van de mouwen, kragen en rokpanden werd de voering zichtbaar. Deze voering was bevestigd met knopen en was eveneens zichtbaar bij de mouwen, de kraag en de borstpanden. Doordat de uniformen van de manschappen overwegend blauw waren werd de voering in verschillende kleuren uitgevoerd. Aan de kleur van de voering en de vorm van de lissen was vaak zichtbaar tot welk regiment de soldaat behoorde. Lissen zijn trouwens een overblijfsel van de stroken lint die vroeger om de knoopsgaten heen werden genaaid om uitscheuren door de zware metalen knopen te voorkomen. Toen de legerleiding later de keurtroepen extra fraai wilde uitdossen werden deze linten in een opvallende kleur uitgevoerd en sterk vergroot. Omwille van de symmetrie werden er eveneens valse lissen opgezet. Onder de jas droeg men meestal een hemd van neteldoek. Het woord netel is afkomstig van brandnetel. Het is grof geweven materiaal dat te vergelijken is met het huidige kaasdoek.

 

De soldaten, dus ook Andreas, trokken meestal rond in de kleuren van het legerkorps waarbij ze waren aangesloten. En die uniformen waren best mooi om te zien. Donkerblauw met de fel afstekende kleuren van de voering. Heel indrukwekkend. Kortom een verschijning waar menig meisje en zeker een eenvoudigboerendochterbestvanonderdeindrukwas. Dehoed De grote hoed bood een goede bescherming tegen de weersomstandigheden en daarnaast leken de dragers veel groter en boezemden op die manier meer ontzag in. Maar toen de geweren in opkomst kwamen vormden de grote randen juist een belemmering. Daarom werden de randen van de hoed om geslagen naar één of meerdere zijden. Op die manier ontstond dus de steek die in de jaren daarna weer werd opgenomen in de burgermode. In onze tijd wordt de steek nog gedragen bij ceremoniële uniformen van ministers, kamerleden en diplomaten. Maar ook koetsiers en doodgravers in de jaren vijftig van de vorige eeuw gebruikten de steek.

 

De breedgerande hoed had een ronde ‘kokarde’ als onderscheidingsteken. De kokarde was nodig omdat heel vroeger aan het uniform nog niet te zien was bij welk legeronderdeel een soldaat hoorde. Het versiersel had dan ook vaak de kleuren van de kolonel-eigenaar van het regiment waarbij de soldaat diende.

 

Bewapening

De bewapening bestond uit musketten en pistolen. Het waren voorladers die je afvuurde door een brandende lont bij het zundgat (gat waardoor de vlam bij het kruid kon komen) te brengen. 

De wapens waren zwaar en moesten ondersteund worden door een speciale standaard; een fourquet. Ook werd er gebruik gemaakt van haakbussen. De lont van deze wapens was aan de haan bevestigd. Door het overhalen van de trekker werd het vuur vervolgens bij het zundgat gebracht. Deze wapens waren lichter en hadden een kleiner bereik.

 

Taak van Andreas

Vast staat dat Andreas werkte in Doetinchem. Hij behoorde als soldaat tot de vaste bewaking van de stad. Hij hield de wacht bij de poort om te controleren wie er in en uit ging en hielp vermoedelijk bij het innen van de accijnzen. Ook had hij mogelijk een tak bij de bewaking van de stad tijdens de vele markten. Daar moest nodig de orde worden bewaard. Het bewaken van de stad was in die dagen absoluut noodzakelijk. Want er kwam van alles binnen. De boerenbevolking, handelaren, hannekemaaiers, Hessen en ander gespuis. Al met al was er voor Anreas werk genoeg aan de winkel. Vooral omdat het er vroeger behoorlijk ruwe aan toe ging dan tegenwoordig. Toch heeft hij ook tijd gehad voor het nodige vertier, want hij heeft in die periode boerendochter Willemina Bussink [106] aan de haak geslagen. 

Andreas trouwt

 

Omdat de regimenten frequent wisselden was de binding met de bevolking niet erg groot. Het was dan  ook niet zo eenvoudig om met elkaar in contact te komen. Hoe Andreas Willemina werkelijk heeft ontmoet zal altijd een raadsel blijven. Toch is het aardig om er eens over te filosoferen. Wetenschappelijk is dat niet verantwoord maar het is wel leuk. Er zijn twee mogelijkheden. De romantische mogelijkheid en de harde werkelijkheid. Het is mogelijk dat Andreas zijn Willemina op één van de markten heeft ontmoet. Markten waren namelijk bij uitstek de uitgaansdagen van het ‘jonge volk’. Als dat zo is dan is de kans groot dat de ontmoeting heeft plaatsgevonden tijdens de jaarmarkt rond de paasdagen in 1763. Pasen viel toen op 3 april 1763. Daar waren de contacten tussen de dorpelingen uit de wijde omgeving en de soldaten uit het garnizoen wellicht wat losser in het licht van de feestelijkheden. In ieder geval moet het voor Willemina een feest geweest zijn om naar de grote stad te trekken. Dat klinkt allemaal heel romantisch maar de  werkelijkheid is waarschijnlijk heel wat nuchterder.

 

De ontmoeting

Andreas ontmoette zijn Willemina dus naar alle waarschijnlijkheid tijdens haar werk. In de stad is dat gemakkelijk te verklaren omdat hij daar wacht liep. Dan loop je elkaar wel tegen het lijf. Werkte Willemina echter bij een boer dan is het mogelijk dat Andreas bij een ‘grote’ boer was ingekwartierd. Soldaten werden namelijk, zeker bij het ontbreken van een kazerne vaak ingekwartierd bij boeren in de directe omgeving. Ook werd er vaak toegestaan dat ze bij deze boeren wat bijverdienden wanneer ze geen wacht hadden. De soldaat moest daarvoor wel een vergunning hebben die hem toestond op, maximaal, zes uur gaans van de stad te gaan werken. Militairen werden door de boer en de regels van het platteland liever op een afstandje gehouden. Maar de stoere soldaten lieten een struise boerendochter niet zo maar lopen. Ze waren wellicht op zoek naar een relatie of het was pure wellust. Gezien de reputatie van de toenmalige militairen zal het laatste wel het geval zijn. In ieder geval raakt Willemina in verwachting en moet trouwen. Het is aan te nemen dat ze naar huis is gestuurd om te bevallen. Haar werkgever zat beslist niet te wachten op complicaties. Door haar zwangerschap, gewild of ongewild veranderde het leven van Willemina dramatisch. Ze stapte buiten de gebaande paden en dat maakte het voor haar niet makkelijker. Ze trouwde buiten haar stand en dan ook nog met een ‘vrömde’ (vreemde) en ze werd gedwongen om weer naar huis terug te gaan. Daar had ze een dak boven haar hoofd maar daar was waarschijnlijk alles meegezegd.

Huwelijksregister Doetinchem 1754


Aan trouwen wordt waarschijnlijk niet direct gedacht. Dat blijkt uit het feit dat de aankondigingen voor het huwelijk pas na de geboorte van Antonij, op 15 januari 1764, plaatsvinden. Namelijk op 11, 18 en 23 maart 1764. Het eigenlijke huwelijk is op 28 maart 1764. Om te kunnen trouwen was het verplicht om het voornemen drie keer in de kerk te laten afkondigen. Daarnaast was er toestemming nodig van de kapitein. Dat gebeurde schriftelijk door middel van een consent (briefje). Dat Andreas en Willemina uiteindelijk zijn getrouwd zal wel te maken hebben gehad met het feit dat hun zoon Antonij dan gewettigd was en wellicht wilde het leger geen problemen met de bevolking en gaf daarom toestemming. Daarbij komt nog dat de kerk ook zeker een vinger in de pap zal hebben gehad.


Buitenechtelijk kind

In eerste instantie was onze voorvader Antonij dus een buitenechtelijk kind. Niet ongewoon in die tijd. Desondanks was het een grote schande wanneer je als ongehuwde moeder in het leven stond. In het doopboek staat de naam van vader Andreas echter wel genoteerd. Hij was dus niet onbekend. Wellicht heeft de vroedvrouw Willemina de naam ontfutseld tijdens de steeds heviger wordende barensweeën. Zij was vroeger namelijk verplicht om achter de naam van de vader te komen wanneer deze onbekend was. Het zogenaamde ‘afvragen’. Tijdens de bevalling kon dat natuurlijk het beste want dan was de weerstand meestal het laagste.

Geboorteakte (grote foto) van Anthonij [96] in het doopboek van de Nedederlands Gereformeerde 

Gemeente Varsseveld 1730 - 1771

 

Al snel is Willemina weer zwanger en na ruim een jaar wordt op 25 april 1765 haar tweede kind Willem geboren. Lang is het jonge paar niet bij elkaar geweest.

 

Willemina overlijdt

Enkele maanden later overlijdt Willemina op 3 november 1765 op 24-jarige leeftijd. Zoon Antonij is dan nog geen twee jaar en Wilm is nog maar zes maand oud. Het is niet bekend waaraan Willemina is overleden maar in die dagen was sterven op jeugdige leeftijd zeker geen uitzondering. Vooral niet vanwege de grootschalige besmettelijke ziekten die regelmatig voor kwamen. Zo stierven veel moeders direct na de bevalling aan ‘kraamvrouwenkoorts’. Ook stierven veel jonge kinderen aan specifieke kinderziekten als mazelen en roodvonk. Bij uitbarstingen van deze ziektes werden niet zelden waarschuwingsborden bij de huizen geplaatst, een poging om zo een eventuele besmetting in te dammen. Een veel voorkomende ziekte was de 'roode loop'. 

De ‘roode loop ’

 

Gelderland werd meermaals geteisterd door de ‘rode- of bloedloop’ (dysenterie). Roode loop is een ernstige darminfectie die vaak de dood tot gevolg had. Een zekere Rector Huender geeft in 1779 de volgende beschrijving:

 

“De waare kentekens van de besmettelijke Rooloop zijn gedurige afgangen van dunne, slijmerige, stinkende gisten en eijndelijk bloedige stoffen, met geweldige krimpingen en pijnen in den buik, en hevige persingen op den afgang en het water, voorafgegaan van en gepaard met walgingen, brakingen, groote opblaazingen van de maag en darmen, geweldige benauwtheden, koude rillingen, pijn in de lenden, met een groot en schielijk verlies van kragten.”

 

De mensen kregen buikloop met een ontsteking aan de darmen en hadden zware krampen. De ontlasting was door inwendige bloedingen rood gekleurd. Vandaar de naam roode loop. Een sterfte van 5% van de bevolking was heel gewoon. Zo gauw een epidemie uitbrak moest dat gemeld worden aan het Hof van Gelre zodat vanuit daar meteen maatregelen genomen konden worden. Dat was ook wel noodzakelijk, want deze zeer besmettelijke darmaandoening verspreidde zich als een lopend vuurtje. Door het Hof werd dan een arts aangesteld en er werden maatregelen genomen om verspreiding tegen te gaan. Een maatregel was bijvoorbeeld dat de overledene aanstonds gekist moest worden en binnen twee dagen, zonder enige ceremonie of lijkstatie (begrafenisstoet), op een behoorlijke diepte begraven moest worden. Hoe de ziekte te genezen was was op dat moment nog niet bekend.

 

De heftigste uitbraak was een aantal jaren na het overlijden van Willemina namelijk van 1779 tot 1783. Uit die tijd is bekend dat timmerman Wander Kossink uit het buurtschap Ratum bij Winterswijk, die kisten maakte voor de armen, klaagde dat hij het werk niet aankon en dat terwijl de overheid had beslist dat de lijken zo snel mogelijk begraven moesten worden.

De kinderen blijven achter


Door het overlijden van Willemina ontstond er voor Andreas een ernstig probleem. Zijn vrouw was overleden en hij was waarschijnlijk nauwelijks in staat om voor de kinderen te zorgen. We kunnen gevoeglijk aannemen dat Antonij verbleef bij de grootouders Wilm Bussink en zijn vrouw Hendersken op de boerderij. Dat is gebaseerd op het feit dat er over maar een paar kleine aanwijzingen te vinden zijn in de boeken van de Diaconie (kerkelijke dienst voor de uitoefening van barmhartigheid). Geen enkele aanwijzing voor wat betreft het betalen van kostgeld. Als dat was gebeurd dan was zijn adres bekend geweest. Er komen alleen een paar aantekeningen voor van vergoedingen voor kleine gebruiksvoorwerpen als klompen en kleding.


Van Wilm is iets meer bekend. Volgens het archief van de Nederlands Hervormde kerk in Varsseveld is hij, één dag na het overlijden van zijn moeder, op 4 november 1765 ondergebracht bij schoenmaker Jan Leneman aan het kerkplein (kadaster no. 41) in Varsseveld. Leneman is gehuwd met Jante Brussen en had, voor zover bekend, twee kinderen. Schoenmaker zijn was geen weelde. De bovenlaag van de bevolking, die zich schoenen kon permitteren, was niet al te groot en er waren meerdere schoenmakers in het dorp. Het was voor hem, economisch gezien, interessant om een kind te adopteren. Wellicht was Leneman de man die Wilm voor het laagste bedrag wilde verzorgen. Door de diaconie werd namelijk steeds gekeken naar de voordeligste oplossing.


Voor Leneman zelf was het voeden van een vierde mond niet het grootste probleem. Van de vergoeding hield hij wellicht nog wel een paar centen over. Na een aantal jaren komt echtgenote Jante te overlijden en trouwt Jan Leneman met de jongere zuster van de overleden Willemina Kwak-Bussink: Berentjen [121]. In het trouwboek van Varssevelduit 1779 staat:


“08.08 Op attest van Velp alhier getrouwd. Hendrik Jan Leneman, w.v. Jante Brussen, en Berentjen Bussink, d.v. Willem Bussink, beide uit Varsseveld, hebbende de laatste ruim een Jaar te Velp gediend, zijn alhier de 15 julij in wettige ondertrouw opgenomen; en den 18 en  25 dito, en 1aug. Onverhinderd alhier geproclameerd.”


Daarna worden uit de relatie tussen Jan en Berentjen nog drie kinderen geboren. Het gezin Leneman wordt nog steeds door de Diaconie ondersteund voor wat betreft de kosten van Wilm. Van deze financiële ondersteuningen zijn gedurende twaalf jaar meerdere aantekeningen in de archieven terug te vinden. In eerste instantie staat hij in de archieven als ‘het kind van Willemina Bussink’.

Vermeldingen in de kasboeken van de Diaconie van Varsseveld:

 

♦ 1771: De naam Willem Quak staat voor het eerst in de boeken vermeld. Naast het kostgeld wordt er

   melding gemaakt van de vergoeding van hemden, kousen, schoenen en mutsen. Op twaalfjarige leeftijd

   stoppen de vergoedingen. Vermoedelijk omdat Wilm toen aan het werk ging.

♦ 1765: De 4 November het kint van Willemina Bussink bestaat bij Jan Leneman’sweeksvoor15stuivers.

♦ 1766,: 1771, 1773, 1775, 1776. Betalingen van ‘Costgeld’. De betalingen geschieden per kwartaal of per

   half jaar.

♦ 1767: Voor het maken van een Roksken en Schorteldoeksken (voorschoot of schort) voor ’t kint  van

   Willemina Kwak f-.3.-.

 

Het rokje en de bijbehorende schort werden door jongens en meisjes gedragen  tot ze zindelijk waren. Pas daarna kregen de jongens echte mannenkleren.

 

School

Tussen jeugd en volwassenheid is van beide kinderen, buiten de aantekeningen van ondersteuning, niets te vinden. Wel is van beiden bekend dat ze konden schrijven. Ze zullen dat geleerd hebben op de school die in eerste instantie was gevestigd in de toren van de kerk en later werd verplaatst  naar de buitenkant van het dorp.

 

Schoolmeester was destijds Jan Derk Ebbink. Een meester die bekend stond om zijn mooie handschrift. Ebbink was maar liefst 68 jaar aan de school verbonden. In latere jaren werd hij bijgestaan door ondermeester Jan Ebbink, zijn zoon ( bron: oud archief Varsseveld). Dit lange dienstverband strookte niet met de gangbare levenswandel van de toenmalige meesters in het algemeen. Afgezien van hun bekwame hand van schrijven waren de beschikbare kennis en vaardigheden niet echt hoog en was er op de levenswandel vaak veel aan te merken. Al met al waren meesters vaak geen opvoedkundigevoorbeelden.

De kinderen leerden naast lezen en schrijven ook de grondbeginselen van de gereformeerde (hervormde) godsdienst en het zingen van psalmen. Rekenen zat niet in het lespakket. En aardrijkskunde en geschiedenis kende men niet. Maar de meester vertelde wel vaak een spannend verhaal aan het einde van de dag. De kosten waren niet onaanzienlijk. De ouders betaalden vier stuivers per maand voor het lezen en zes stuivers om schrijven te leren. Voor het rekenen moest maar liefst 12 stuivers per maand betaald worden. Al met al geen geringe bedragen. Arme kinderen mochten de school in principe gratis bezoeken.

 

Aan de meeste scholen stond maar één leerkracht en ze hadden ook maar één lokaal ter beschikking. De kinderen zaten op de grond en alleen voor de schrijvers was er een tafel. Vaak namen de kinderen zelf stoven en turf mee om zich warm te houden in de winter. Er was geen verlichting, dus de schooltijden werden aangepast aan de seizoenen. De kinderen gingen meestal naar school van oktober tot maart. In de zomer werkten ze meestal thuis op het land en was er van onderwijs geen sprake. Het onderwijs was hoofdelijk en niet klassikaal. De leerlingen gingen dus steeds naar de meester toe om overhoord te worden. Het lawaai was enorm want de kinderen leerden hardop en de oudere kinderen overhoorden de jongeren. De meester regeerde met harde hand waarbij de plak en de roede veelvuldig gebruikt werden. De schooltijd duurde per dag ongeveer zes uur  met een ruime middagpauze. Er was geen leerplicht dus de ouders konden de kinderen zo vaak thuis houden als ze wilden omdat kinderen in de praktijk gewoon volwaardige arbeidskrachten waren.

 

De meeste kinderen gingen na een aantal jaren niet meer naar school. Ze moesten aan het werk. Hun bijdrage was hard nodig om een arm gezin in stand te houden. De kinderen van de notabelen gingen vaak langer naar school. Zo waren er Franse scholen waar naast het basispakket Frans werd  gegeven of de Latijnse school speciaal voor jongens die door wilden studeren.

 

Antonij gaat naar Silvolde

Antonij wordt op 18 april 1785 ingeschreven in het lidmatenboek van de  Nederlands Hervormde kerk in Varsseveld door dominee Willem Becking. In hetzelfde boek wordt tevens vermeld dat hij op 22 april 1794 naar Silvolde vertrekt en daar als lidmaat wordt ingeschreven. Op 16 februari 1794 trouwt hij aldaar met Henderina Kuiperij. 

 

Zijn broer Wilm blijft in Varsseveld. Hij trouwt en bouwt halverwege Varsseveld en Terborg een hutje op de hei.

 

Verdwijning van vader Andreas

 

In de annalen vinden we alleen nog een aantekening dat Andreas zou zijn overleden voor het huwelijk van zoon Antonij (notitie bij huwelijken Varsseveld 1757-1783 GA. Vars). Maar officiële aktes omtrent woon-, verblijfplaats of overlijden zijn er niet. Nergens is, tot op heden, een aantekening van vader Andreas Kwak te vinden. Je zou toch zeggen dat hij als vader in beeld blijft. Uit het feit dat Wilm naar schoenmaker Jan Leneman gaat en dat ook Antonij via de bedeling zo nu en dan wordt ondersteund blijkt echter dat er van zijn zorgen, gewild of ongewild, niet veel terecht is gekomen. Jan Leneman overleed, 86 jaar oud, op 22 april 1815. Zijn tweede vrouw Berentjen overleed op 16 november 1829 in het ‘armenhuis’  (huisnummer 355 in Varsseveld). Ze is dan 84 jaar.

 

Wellicht is Andreas verder getrokken met zijn legerkorps. Meestal trok een korps iedere drie jaar verder. En van de bewegingen van deze korpsen is vrijwel niets bewaard gebleven. Het waren vaak complete volksverhuizingen die in het voorjaar begonnen en soms wel enkele maanden duurden. Vaak trokken vrouwen en kinderen dan mee en bleef het gezinsleven in takt. Zonder vrouw zal dat voor Andreas een ondoenlijke zaak zijn geweest en heeft hij zijn kinderen in goede handen achter gelaten.

 

Vermoedens

In de afgelopen jaren hebben de onderzoekingen naar de verblijfplaats van Andreas her en der in het land plaatsgevonden. Er zijn verschillende oproepen geplaatst in genealogische tijdschriften als: Genealogie, van het Centraal Bureau voor Genealogie (CBG) en het Oostgelders Tijdschrift voor Genealogie en Boerderijonderzoek (OTGB). Ook de eigen website: www.kwak-kwak.nl en andere genealogische zoeksites vermelden, sinds jaar en dag, de zoekactie. Daarnaast zijn tientallen archieven bezocht. Daar werden meters papier en honderden fotofiches doorzocht met als uiteindelijk resultaat een paar vage vermoedens. Summiere aanwijzigen werden gevonden in de gemeentearchieven  van Amsterdam en Utrecht. Op zich hoeft dat niet vreemd te zijn. Op de eerste plaats is de naam Kwak in het Westen van ons land in die tijd niet onbekend en op de tweede plaats was Andreas, als hij er bijvoorbeeld tussenuit geknepen is, niet zo eenvoudig weer te vinden in een grote stad.

Geboorte-inschrijving van Antonia  Quak in Amsterdam

 

In Amsterdam komt een zekere Andries Quak voor. Verdere gegevens ontbreken helaas. Het vermoeden dat het onze Andreas zou kunnen zijn ontstaat vanwege het gegeven dat deze Quak met ene ‘Antonia de Heer’, samen is en een dochter Antonia laat dopen. Deze Anthonia zou afkomstig zijn uit Didam. Dat is de enige link met de Achterhoek. In het gemeentearchief van Amsterdam houdt het daarmee op. Ook in Didam is niets te vinden.

 

In het gemeentearchief van Utrecht liggen wat meer gegevens. Ene Andries Kwak heeft daar eveneens een relatie met Anthonia (nu met h) de Heer. Gezien de informatie geen dame van onbesproken gedrag. Of het dezelfde is als de Anthonia uit Amsterdam is niet bekend. Van haar staan 4 kinderen in de boeken. Geertruid en Marcelis hebben als familienaam: De Heer. Marcelis staat te boek als het derde buitenechtelijke kind van zijn moeder en wordt na 4 dagen begraven als Marcelis Kwak. Twee andere kinderen: Johanna en Andries dragen officieel wel de naam Kwak. Uit het doopregister blijkt dat de moeder is gestraft door de kerkeraad. Wellicht dat door gedegen speurwerk nog een aanknopingspunt wordt gevonden.

Vermelding van Andries Kwak en Anthonia de Heer bij het huwelijk van AndriesKwak, knopenmaker, met Christina Monnee.

 

De nazaten van de Andries uit Utrecht zijn wel te volgen, maar dat heeft niet veel zin omdat er geen enkele verbinding is gevonden met de Achterhoek en onze eigen Andreas. Aan mijn navolgers de taak om daar alsnog een verband te vinden.

Femielie

 

Webmaster Gerhard Kwak

 

Website van de Achterhoekse & Twentse families Kwak, Elschot, ten Thij en Goossen.

 

Neem contact op met:

 

Adres: Wielseweg 3-57, 3896 LA Zeewolde

Email: g.kwak@kpnmail.nl

 

© 2018 - 2020 Gerhard Kwak, Zeewolde.  All Rights Reserved