Willemina Bussink-106

Willemina Bussink

 

Willemina was een eenvoudige boerendochter en kende weinig welstand. Ze was afkomstig uit Varsseveld. Ongeveer 13 kilometer buiten Doetinchem. Bijna drie uur gaans (lopen) dus. Varsseveld was toen een klein dorp waar ruim 100 huizen stonden. Het dorp had een kerk, verschillendewerkplaatsen, dorpsboerderijen en een school. Willemina was ten opzichte van de soldaat vrijwel zeker niet bekend met de ‘grote’ wereld. Soldaten waren geen lieverdjes. Het waren beroepsmilitairen die heel wat meer van de wereld hadden gezien dan een boerendochter uit Varsseveld.

 

Keuterboer Bussink

Het gezin Bussink woonde een stukje buiten de bebouwde kom aan de noordoost kant van het dorp Varsseveld. Op de wat hoger gelegen gronden. Hoe groot het boerderijtje was is niet met zekerheid te zeggen. Vermoedelijk was het een dagloners-boerderijtje. Een woonkamer met keukengedeelte en wellicht een kleine deel. Het huis met nummer 323 is waarschijnlijk de plek waar de familie Bussink heeft gewoond. Het huis heeft de naam het ‘Leemsker’ en is gelegen op het zogenaamde ‘Meulenveld’, genoemd naar een watermolen die daar destijds stond. Haar vader was gezien de plaats en afmeting van de bewoning volgens de kadasterkaart van 1832 vermoedelijk een wever/dagloner en moest hard werken voor de kost. Dat gebeurde voornamelijk bij de grotere boeren in de buurt.

Kaart Varsseveld.

Volgens de Varsseveldse historicus Gerard Bruil is huisnummer 323 de meest  waarschijnlijke woonplaats  van Wilm Bussink [118]. Op nummer 41 woonde Jan Leneman, de latere stiefvader van Willem Kwak [1226] en op nummer 38 Gradus Bussink. Bij huisnummer 635 staat de  Kwaksmölle.

Geboortebewijs Willemina Bussink

Schilderij ‘boerderij met vrouw’  van Jan van Vuuren (1871-1941)  museum Nunspeet.

Gemeentehuis Doetinchem ca. 1743

De boeren en zeker de kleinere boeren en dagloners van wie Willemina afstamde hadden het niet makkelijk. Landbouw vormde de basis van hun bestaan. De opbrengst was maar matig en veepest kwam veel voor. Met name in de periode van 1768 tot 1784 werd een groot deel van de veestapel weggevaagd. Het was zo erg dat de overheid zelfs biddagen uitschreef. De handel in vee lag vrijwel helemaal stil en de armoede nam schrikbarend toe. Ook hier waren de keuterboertjes weer de eersten die de klappen moesten opvangen. Zij probeerden altijd al een paar stuivers bij te verdienen met weven, manden vlechten, landbouwwerkzaamheden en het leveren van eek (eikenschors) voor de leerlooierijen en houtskool van elzenhout voor de metaalindustrie in Keppel. Maar dat werd in die tijd alsmaar minder. Ook de tabaksteelt werd ter hand genomen om de kost te verdienen. In de omgeving van Doetinchem werd ongeveer 6% van de totale Nederlandse opbrengst aan tabak verbouwd. In het seizoen 1778/1779  was dat voor Doetinchem ongeveer 776.000 pond.

 

Willemina is één van de negen, in de archieven teruggevonden, kinderen van Willem Bussink en Hendersken Geessink. Ze werd geboren op 27 november 1740. Dat ze uit Varsseveld kwam kon afgeleid worden uit de aantekeningen in de huwelijksakten van de broers van Willemina te weten Hendrik Jan Bussink en Gerhardus Bussink. Bij die akten staat vermeld dat het gezin van Wilm Bussink, een keuterboertje, uit het dorp afkomstig is. Het gezin stond laag op de maatschappelijke ladder net als circa 70% van de toenmalige Nederlandse bevolking.

 

Leefomstandigheden

De boeren hadden het in die jaren zwaar. Vooral voor dagloners als Bussink was het leven niet echt een pretje. Er was in die tijd sprake van grote standsverschillen en eenvoudige boeren hadden weinig mogelijkheden om hogerop te komen. Eens een arbeider altijd een arbeider. Ze trouwden meestal binnen hun eigen stand. De dagloners en keuterboertjes hielden zich in leven met de schamele opbrengsten van arbeid en hun boerderijtje. Vaak was er wat vee aanwezig. In de meest luxe gevallen een koe, maar vaker een varken, een geit en een paar kippen. Door de veepest van de afgelopen jaren was er waarschijnlijk wel een schaap op het kleine boerderijtje. Veel boeren stapten toen namelijk ook over op het houden van schapen. En ook een stukje grond voor het verbouwen van wat groenten was voorhanden. Op die manier was er, in moeilijke tijden, tenminste nog iets om te eten. Het grootse deel van het levensonderhoud van de dagloners en de keuterboertjes bestond uit de vaak magere opbrengst van de gewassen die ze teelden op hun eigen kleine stukjes grond en de kleine bijverdiensten als dagloner. Ze verrichtten alle mogelijke hand- en spandiensten voor de grote boeren en veel keuterboertjes werkten vooral tijdens de oogst als maaier. Ook kwam het wel voor dat de boertjes naar de grote markten in Doetinchem trokken om spullen te kopen of te verkopen. 

Keuterboer Wilm Bussink zal zeker niet voldoende te verhandelen gehad hebben om naar de markten in Doetinchem te trekken. Die had waarschijnlijk net voldoende te eten om zijn eigen gezin in leven te houden. Omdat geld schaars was werden de kinderen al vroeg aan het werk gezet. Meestal rond de leeftijd van twaalf jaar. De dochters gingen dan vaak aan het werk bij de grotere boerderijen. Tegen kost en inwoning. Op deze manier was er een mond minder te voeden en dat was mooi meegenomen. Ze werkten meestal veertien dagen achter elkaar en mochten in die periode een zondag naar huis en naar de kerk. Het is ook mogelijk dat Willemina in Doetinchem werkte als dienstbode bij één van de notabelen. Wellicht dat ze op die manier wat vaker dan de gemiddelde boerendochter op de markt kwam en daar Andreas tegen het lijf liep. 

Femielie

 

Webmaster Gerhard Kwak

 

Website van de Achterhoekse & Twentse families Kwak, Elschot, ten Thij en Goossen.

 

Neem contact op met:

 

Adres: Wielseweg 3-57, 3896 LA Zeewolde

Email: g.kwak@kpnmail.nl

 

© 2018 - 2020 Gerhard Kwak, Zeewolde.  All Rights Reserved