Bernardus Kwak - 65


Gezinsblad van Bernardus Kwak & Katharina Stahl

Bernard Kwak en Katharina Stahl

Huwelijksfoto ca. 1900

Bernard Kwak

Wervingsplakkaat

Rantsoen aan boord van de ss. Spaarndam

Brief uit Rotterdam

Passagiersbewijs Bernard

Kaart van Bernard uit New York.  Opvallend is de spelling van zijn naam als:‘Quack’.

‘Wat & Hoe’ is er al sinds 1863: de Vlugge Engelschman.

Engelse les

Tenementhouse (huurkazerne)

Brief Bernard met adres

De vader van Katharina Stahl [1564]: Georg Stahl [1572]

Steinwayfabriek in Astoria anno 1896

Toos [5] en Gerhard Kwak [4] met  kleinkind Beatrice Mahr-Martin  [1584] op bezoek bij de St.Joseph’s  kerk in Astoriain 2004

Roomskatholieke kerk St. Jozeph

Brief Bernard ca. 1900

Grafsteen familie Kwak

Op bezoek bij het familiegraf van Bernard Kwak op Calvary  Cemetery.
Vlnr: Ed Palm [1594], Beatrice Mahr en Toos Kwak-ten Thij [5].

Begraafplaatscertificaat

Trouwfoto van Joseph  Martin [1568] en Kate

Trouwakte Joseph en Kate

Joseph en Kate met de kleinkinderen in 1964. De namen zijn niet bekend


Restant woonhuis van Kate in Freeport

Kofferlabel

Johannes Bernardus (Bernard) Kwak [65], zn. van Bernardus (Bernard) Kwak [62] (Wegwerker) en Johanna Maria Hösing [63] (Zonder),

geb. te Winterswijk op 5 jun 1865, ged. RK te Winterswijk op 5 jun 1865,

ovl. (ongeveer 43 jaar oud) te New York [Verenigde Staten]

 

De begraafplaats is: Calvary Cemetery, St. Sebastian devision (Calvary No.3) Queens Boulevard entrance. Section 20, Range 9, Plot C, Grave 21. 

 

♥ tr. (resp. ongeveer 34 en ongeveer 35 jaar oud) [506] te New York [Verenigde Staten] circa 1900

met Katharina Stahl [1564], dr. van Georg Stahl [1572] (barkeeper) en Luise Guth [1573],

geb. circa 1 mei 1864,

ovl. (ongeveer 66 jaar oud) op 1 nov 1930

Katharina werd begraven vanuit het woonhuis van dochter Mrs. Martin. 33-18 Sixty-first street, Woodside.

 

Uit dit huwelijk 3 kinderen:

 

Maria Katharina (Kate) [1565],

geb. te Long Island City [NY] [Verenigde Staten] op 21 sep 1901, ged. te Long Island City [NY] [Verenigde Staten] op 22 sep 1901,

Coupeuse,

ovl. (72 jaar oud) te Long Island City [NY] [Verenigde Staten] op 21 apr 1974,

♥ tr. [507] (Burgerlijke Stand) te New York [Verenigde Staten] St. Joseph's Church L.I.C. NY,

kerk.huw. (resp. 22 en 36 jaar oud) (RK) te Ann Habor [Verenigde en Mary Enright Russell [1571],

geb. vermoedelijk te New York [Verenigde Staten] op 11 apr 1888, ged. te New York [Verenigde Staten] op 6 mei 1888,

Havensloep kapitein,

ovl. (81 jaar oud) te Astoria, New York [Verenigde Staten] op 12 okt 1969.

Uit dit huwelijk 4 kinderen.

 

George [1566],

geb. te Long Island City [NY] [Verenigde Staten] op 10 dec 1902,

ovl. (ongeveer 67 jaar oud) te Bellmore [NY] [Verenigde Staten] circa nov 1970,

kerk.huw. [508] te New York [Verenigde Staten]

met Josphine(Bunny) Friesenhausen [1569].

Uit dit huwelijk 3 kinderen.

 

Johanna [1567],

geb. te New York [Verenigde Staten] op 17 jan 1905,

ovl. (minder dan één jaar oud) te New York [Verenigde Staten] circa 27 jan 1905.

 

‘Luddevuddu’

Op een dag in 2001 kwam er, via een bevriende genealoog, een mailtje bij Gerhard Kwak binnen. Een zekere Miss Martin uit Atlanta in Amerika was op zoek naar een familie Kwak in de Achterhoek. Sindsdien is een groot deel van de nazaten van onze Johannes Bernardus Kwak [65] teruggevonden. Het contact is daarna  hersteld. Gerhard en Toos Kwak bezochten de familie in 2004 met als resultaat de onderstaande bijdrage van Melinda Martin. De vrouw van het achterkleinkind van Johannes Bernardus (Bernard) Kwak: TomMartin.

 

Johannes Bernardus (Bernard) Kwak werd geboren op de 5e juni 1865 in Winterswijk. Hij was het tweede kind en de oudste zoon van Bernardus Kwak en Johanna Maria Hösing. Op dezelfde dag nog werd hij gedoopt. Van zijn jeugd is weinig bekend alleen dat hij, omdat het gezin aan de grens woonde, vermoedelijk in Öding in Duitsland de lagere school heeft bezocht. Dat valt af te leiden uit de uitstekende manier waarop hij brieven in het oud Duitse schrift schreef.

 

Het enige wat we van hem weten is dat hij in oktober 1890 lid werd van de plaatselijke schutterij en aan al zijn verplichtingen had voldaan. De kennisgeving daarvan was nog in het bezit van onze Amerikaanse tak.

 

Meubelmakerijtje

Bernard vertrok begin januari 1893 naar Bocholt in Duitsland om daar met broer Willem een meubelmakerij te beginnen. Dat resulteerde uiteindelijk in een kleine werkplaats in Öding. Niet veel later gingen hun broers Herman en Gerhard ook naar Duitsland. Herman kwam uiteindelijk terecht in Hamburg als kleermaker. Gerhard ging aan het werk als vertegenwoordiger in Singer naaimachines.

 

Volgens de overlevering verliep de samenwerking tussen Willem en Bernard goed tot op het moment dat ze beiden hun oog lieten vallen op hetzelfde meisje: Elisabeth Wienken. Dat gaf  veel spanningen. Willem trouwde uiteindelijk met haar. Bekend is dat de moeder van Elisabeth vrijer Bernard niet zag zitten. Ze dacht dat hij tuberculose (TBC) had en ook een open wond door de trap van een paard werd niet op prijs gesteld en dus werd de omgang met de dochter verboden. Waarom ze dacht dat Bernard TBC had is niet bekend, maar de situatie was voor Bernard de reden om naar Amerika te vertrekken. Bernard is dus vanwege ‘luddevuddu’ (het woord komt uit het Westfaals dialect en betekent liefdesverdriet) naar Amerika vertrokken. Dat hij daar is toegelaten ontkracht in ieder geval de roddels, die zijn broer Gerhard vaak vertelde, dat hij vertrok vanwege TBC en de trap van een paard. Deze stelling is niet aannemelijk omdat toegang tot Amerika destijds op het vlak van de gezondheid zo strikt was dat hij dan naar alle waarschijnlijkheid teruggestuurd zou zijn.

 

Bernard vertrok, in november 1899, bij nacht en ontij via Winterswijk naar Rotterdam. Hij was toen 34 jaar. Volgens een brief die hij schreef vanuit Amerika en die verderop is afgedrukt heeft hij alleen broer Gerhard van zijn voornemen op de hoogte gesteld tijdens diens huwelijk op 12 mei 1899. Het is bekend dat hij zich, net voor zijn vertrek, nog een tijdje heeft opgehouden in de buurt van zijn ouderlijke huis. Hij durfde zijn ouders echter niet onder ogen te komen, omdat hij wellicht bang was dan toch tegengehouden te worden. Hij heeft van hen dus ook geen afscheid genomen. Emigreren was in die jaren namelijk vaak een vertrek voor het leven.

Emigratie

Bernard vertrok gezien de afstand, vermoedelijk per trein, naar Rotterdam. Een grotere stad dan hij tot dan toe ooit had gezien. Op het Maasstation werden de landverhuizers opgewacht door beambten van de Nederlandsch Amerikaansche Stoomvaart-Maatschappij (NASM) of functionarissen van de ‘commissie van Toezigt op den Doortogt en het vervoer van Landverhuizers’. Deze mannen waren herkenbaar aan een pet en aan een  insigne met de NASM-vlag. Ze zorgden er voor dat de landverhuizers in de vreemde stad behoorlijk ontvangen werden. In de buurt van de Wilhelminapier en de nabije omgeving was alles er op ingericht om de stroom van landverhuizers te ontvangen.


Er was een EHBO-gebouw, een kapel, desinfecteer-installaties en diverse landverhuizershotels. De grootse kon maar liefst 1800 emigranten herbergen. De beambten leidden de vreemdelingen naar logementen die een ‘acte van aanbevelingen’ bezaten. Deze logementen moesten hun tarieven in de gelagkamer ophangen zodat men kon zien wat de kosten waren. Daarmee probeerden de instanties te voorkomen dat de reizigers beduveld werden.

Veel van deze onderkomens waren verre van ideaal. Ze lagen vaak achter in het havengebied en dat was niet echt veilig. En ze waren berucht wegens het ontbreken van goede sanitaire voorzieningen. De kans op besmetting met een besmettelijke ziekte was dan ook niet gering. En die kon je maar beter niet oplopen, want voor dat je aan boord kon werd je door de dokter van de toezichts-commissie gekeurd. Je kwam als zieke de Verenigde Staten niet in en werd teruggestuurd. De NASM had dus weinig behoefte om een zieke aan boord te laten.


De overtocht

De reis was niet goedkoop. Dat varieerde van f 55, - tot f 70, - gulden. Naar huidige maatstaven is dat circa
€ 800,00.  Daarbij was een strikte scheiding tussen eerste klas reizigers, de tweede klasse, de gemiddeld  duizend landverhuizers aan boord en de bemanning van ongeveer honderd koppen. Het was ten strengste verboden om elkaar te bezoeken. De landverhuizers waren het slechtste af. Die werden met honderden in de ‘steerage’ (vooronder of tussendek) geplaatst en daar was het beslist niet comfortabel.


De Nederlandse landverhuizers hadden het daarbij nog het beste. Die zaten vooraan in het ruim op de beste en luchtigste plaatsen. Meer naar achter zaten Duitsers, Italianen, Fransen en Poolse joden. Behalve de rangschikking op nationaliteit werd er ook onderscheid gemaakt op verschillende groepen. Gehuwden bleven in de afdeling van de families, ongehuwde mannen woonden apart en helemaal voorin bevonden zich de maagden.

Er waren wetten die bepaalden dat de hoogte van dek tot dek niet minder mocht zijn dan 1,53 meter en dat iedere passagier een kooi moest hebben van minimaal 1,85 meter lang en 50 centimeter breed en dat daar een ‘verse en droge’ stromatras moest liggen en een deken. Verder was er per honderd tussendekspassagiers een ‘reukloos gemak’ (toilet) aanwezig. Maar daar hield het dan ook mee op. Ook was, sinds 1869, bij wet het landverhuizers-rantsoen voorgeschreven.

Bernard vertrok met de Spaarndam naar New York. In het scheepsmanifest staat hij te boek als ‘joiner’ (meubelmaker) en er staat ook dat hij in Amerika geen familie heeft. De vaartijd van Rotterdam maar New York duurde gemiddeld een dag of elf. De reis ging via de Franse haven Boulogne-sur-Mer. Daar gingen ook regelmatig landverhuizers aan boord vanwege de goede treinverbindingen die de haven had met Parijs. De NASM had hier eveneens eenlandverhuizershotel.

Vanuit Rotterdam schreef Bernard nog een kort briefje naar zijn broer Gerhard in Bocholt . Opvallend is dat hij deze brief in het Duits schrijft. Waarschijnlijk omdat hij dat al jaren gewend was en omdat deze brief dan ook door zijn schoonzus en moeder gelezen kon worden. Die waren beide Duitse van origine.


Rotterdam16-11-99

Lieber Bruder und Schwägerin, sowie allen Bekannten.

Ich bin wie Ihr sieht, jetzt in Rotterdam und geh in wenigen Stunden zur See. So werde ich Euch aus Amerika wieder schreiben, dass in Oeding für mich kein Ruh und Vergnügen war, hast du längst gewusst, denn ich will gleich so weit gehen, dass ich ganz unter Fremden bin.

Mein herzliches Lebewohl

Bernard


Vertaling:

Lieve broer, schoonzus, en alle bekenden.

Ik ben zoals jullie zien, nu in Rotterdam en ga binnen enkele uren naar zee. Ik zal jullie vanuit Amerika weer schrijven. Dat er in Oeding voor mij geen rust en plezier meer was hebben jullie al lang begrepen. Maar ik wil nu meteen zo ver weg gaan dat ik geheel onder vreemden ben.

Mijn hartelijk vaarwel
Bernard


Tijdens de reis werd gepraat met de andere landverhuizers. Er werd kennisgemaakt en niet zelden ontstonden er relaties die eenmaal in Amerika werden doorgezet. De kinderen vermaakten zich vooral met spelletjes en dans. 

Rond elf uur in de ochtend moesten de landverhuizers, wanneer het weer het toeliet naar het dek. Dan konden de matrozen met de waterslang en bezems de zaak schoon schrobben. Dan bleven de luiken een paar uur open staan voor extra frisse lucht. Bij slecht en ruw weer was de situatie niet best, want dan werd er maar matig schoongemaakt, omdat de matrozen zelfs met gevloek niet in staat bleken de passagiers naar buiten te krijgen. Er zat dan soms niets anders op dan de dekken te reinigen met zwavel want dan wilde iedereen wel naar buiten. Als het goed weer was, verbleven de landverhuizers meestal buiten op speciaal voor hen bestemde dekken. Het eten gebeurde aan tafels die waren opgesteld tussen de bedden.


Iedereen had de beschikking over een soort blikken bak die als bord dienst deed en verder had iedereen nog een kroes, een mes, een lepel en een vork. Deze materialen waren, evenals een deken op het bed, ter beschikking gesteld door de NASM. Ze bleven eigendom van de passagier. Op de zondagen was vaak het gezang van de psalmen door de open luiken te horen.

Voor het ontbijt was er koffie en twee stevige plakken witbrood met boter. Als avondeten was er bij de sneden brood met boter vaak kaas, stroop en soms ook wel een haring. Verder dronk men thee. Op doordeweekse dagen was het menu eenvoudig maar wel stevig. Vaak was er een stuk spek met daarnaast in de schil gekookte aardappelen. Op zondag was het allemaal een beetje uitgebreider. Dan stond er meestal soep, vers rundvlees, aardappelen en rijst met krenten op het menu. Alcohol was taboe. Het mocht niet meegenomen worden aan boord en was, in ieder geval voor de landverhuizers, aan boord niet te koop. Aan boord kon je eigenlijk alleen maar chocolade, eieren, sinaasappelen en enkele neutrale drankjes kopen. In de hogere klassen werd op verzoek wel bouillon geschonken maar die was er voor de landverhuizers alleen maar op doktersvoorschrift.


De dokter was aan boord een belangrijk personage. Volgens de Amerikaanse wet was hij verplicht aan boord. Hij diende bij de inklaringsquarantaine de passagiers gezond te verklaren. Voordat iedereen aan boord mocht, had hij de gezondheid al gecontroleerd en onderweg hield hij zijn passagiers nauwlettend in de gaten. Zonodig gaf hij ze nog een pokkeninjectie. Iedereen deed daaraan mee, want men was bang om anders Amerika niet in te komen. De dokter had de beschikking over een klein hospitaaltje van zes bedden voor de derde klasse.


Aankomst in New York

De Statendam waarmee Bernard reisde kwam 12 dagen later in New York aan op 28 november 1899. De slonzige en morsige landverhuizers die er door hun verblijf aan boord niet al te fris meer uitzagen, waren nu piekfijn gekleed en gewassen en stapten fris en monter rond. Evenals Bernard die ook zijn best gedaan zal hebben om er op zijn voordeligst uit te zien. Zo waren ze op hun best voor de quarantaine-dokter van Ellis Island die aan boord kwam. Die moest eerst alles geïnspecteerd hebben alvorens ze door mochten stomen naar de aanlegpier van de NASM in Hoboken. Ter controle moesten de landverhuizers langs hem en de scheepsdokter lopen opdat hij ze kon onderzoeken. Als de Amerikaanse arts toestemming had verleend stoomden ze op naar de pier en legden aan. Vervolgens mochten eerst de kajuitpassagiers (reizigers uit de eerste en tweede klas) van boord. De douane controleerde hier alle passagiers. De landverhuizers moesten daarna weer aan boord waarna de Statendam vervolgens naar Ellis Island voer. Dit eiland was speciaal aangelegd voor de ontvangst van immigranten van over de hele wereld. Het ligt voor de westkust van Manhattan en werd geopend op 1 janunari 1892. Het gebouwencomplex zou uitgroeien tot een waar fenomeen in de geschiedenis van de immigratie.


Ellis Island

Na de ontscheping op Ellis Island werden de emigranten opgevangen door de Amerikaanse Staatscommissie die zich bezig hield met de ontvangst van de nieuwe inwoners. Er volgde een uitgebreide medische inspectie en registratie. Van de doktoren die de inspectie uitvoerden werd gezegd dat ze in één blik konden zien of de immigranten wat mankeerden. Er werd vooral ook gecontroleerd op ernstige chronische ziekten, oogziekten die blindheid tot gevolg kunnen hebben, mentale ziekten of criminele achtergronden.


Als er niet al te veel problemen waren duurde een controle drie tot vijf uur. In de enorme ontvangsthal ‘de Registry Room’ wachtten de immigranten totdat ze voor de ambtenaar konden verschijnen die hun een aantal vragen stelde betreffende achtergrond en identiteit. Er moest een vragenlijst worden ingevuld met 29 vragen over de familienaam, de plaats van herkomst, het beroep en de immigranten moesten laten zien dat ze minimaal $ 25.00 bij zich hadden. Wie de gestelde vragen niet naar tevredenheid kon beantwoorden of geestelijke en/of lichamelijke gebreken had en zich verdacht gedroeg, kreeg een krijtstreep op de schouder en moest uit de lijn stappen voor nader onderzoek. De persoon in kwestie liep het risico weken op het eiland te moeten blijven tot alles was gecontroleerd of liep de kans teruggestuurd te worden. Ellis Island heette in de volksmond niet voor niets ‘traneneiland’. Meestal verliep de registratie en de keuring echter redelijk soepel en konden de meeste immigranten in New York aan wal. In de praktijk werd minder dan twee procent teruggestuurd. Het feit dat Bernard werd toegelaten ontkracht in ieder geval de stelling dat hijTBC of open wonden zou hebben.


NewYork

Veel immigranten bleven in eerste instantie in New York hangen om geld te verdienen om vervolgens door te reizen naar de binnenlanden om daar land te kunnen kopen. Tijdens de aankomst van Bernard in 1899 woonden daar toen al bijna 3.000.000 inwoners. Bernard heeft, voor zover bekend niet voor grond gespaard, hij is als meubelmaker aan het werk gegaan. Dat Bernard in New York bleef hangen is echter wel opvallend, omdat er in de omgeving van Grand Rapids in Michigan een bloeiende meubelindustrie bestond. Rond negentienhonderd werkten er maar liefst 6000 arbeiders in deze tak van industrie waaronder vele Nederlanders. Zij behoorden tot het werkvolk en hadden een redelijk inkomen vergeleken met de gemiddelde Amerikaan. In 1910 verdiende een arbeider in de meubelindustrie ongeveer $ 538.00 per jaar en dat was  $50 meer dan gemiddeld. Extra inkomen werd vaak nog behaald uit de opbrengst van de grond die ze bezaten net buitendestad. Veel immigranten warennaast meubelmaker vaak ook afkomstig uit de boerenstand en waren dus redelijker wijze op de hoogte van de landbouw.


Waarschijnlijk is Bernard in New York gebleven, omdat hij toen al in contact was gekomen met zijn latere echtgenote. Hij stuurde een kaart naar Nederland waarin hij liet weten nog geen vast adres te hebben, maar ze konden hem altijd ‘Postrestante, New York’ bereiken.


Het is vrijwel zeker dat Bernard zich heeft aangesloten bij de al aanwezige stadsgemeenschappen met een Hollandse of Duitse signatuur. Dat deed vrijwel iedereen. Anders was je helemaal verloren in een grote stad. Er werden getto’s gevormd door de verschillende groepen immigranten. Dat was alleen al nodig om zich verstaanbaar te maken. De meeste Nederlandse immigranten spraken namelijk niet eens Algemeen Beschaafd Nederlands maar hun eigen dialect. Engels beheersten ze vaak alleen van wat ze onderweg hadden opgestoken. Het schrijven in het Engels was helemaal een ramp, daar werden speciale schrijvers voor ingehuurd. Voor de gewone immigrant was het schrijven zo tijdrovend dat het schrijven van een ‘Engelschen brief’ synoniem werd voor ‘een middagdutje’.


De emigranten met een paar centen op zak hadden hooguit een Nederlands-Engels woordenboekje bij zich. Met deze uiterst beperkte woordenschat moesten ze aan de kost zien te komen.


Wellicht heeft Bernard ook wel gebruik gemaakt van dit woordenboekje dat in 1863 in Kampen al was uitgegeven.

Het heette ‘De Vlugge Engelschman, dé ‘handleiding om zonder onderwijzer in korten tijd Engelsch te leeren lezen, schrijven en spreken’. Het boekje was een voorloper van de boekjes ‘Hoe zeg ik het in het …..’ die we gebruikten voor dat de vertaal-apps op ons mobieltje hun intrede deden.


Het was heel populair en beleefde maar liefst 15 herdrukken. Het boekje heeft menig emigrant geholpen om zich beter te kunnen redden. In een honderdtal pagina’s maakt het de arme emigrant wegwijs. De inhoud is heel sterk gericht op hetgebruik van alledaagse woorden en hun uitspraak. In het boekje stonden zelfstandige naamwoorden, werkwoorden en eenvoudige voorbeeldzinnen vermeld in eenvoudig fonetisch schrift. Verder werden er nog wat speciale Amerikaanse karakteristieken op het gebied van de uitspraak aan toegevoegd en je moest je er vervolgens maar mee redden. Het boekje is nog in te zien bij het Nationaal Archief in Den Haag. Een mooie zin uit het boekje gaat over de Amerikaanse spoorwegen en luidt:

In emèr’ikee theer aar oon-li toe klaasses.” (In Amerika zijn maar twee klassen).


Prachtig fonetisch uitgewerkt. Zo’n zin nodigt uit om wat meer van de inhoud te laten zien.

De Engelsche taal op zichzelve is in al hare vormen zóó eenvoudig, dat het aanleeren ervan geene moeilijkheden kan opleveren. Slechts de uitspraak der woorden is nogal lastig, daar de letters en klanken meestal anders luiden dan hier te lande. Het Engelsch wordt, in zekeren zin, meer achter in den mond uitgesproken; de uitspraak heeft altijd iets gerekts. (…). En de meeste moeilijkheden baren de klinkers, alsmede de th(…)”,


aldus enkele citaten uit het boekje de vlugge Engelschman. Enkele spreekvoorbeelden:

♦ A als ee: name (neem), place (plees)
♦ I als ai: life (laif), bible (baibl), lion (lai’-un)
♦ U als joe: use (joez), tube (tjoeb)
♦ O als de korte o in schor en dor doch nog gerekter: horse (hôrss),
♦ Ay en ai als: day (dee), maid (meed)


“De th is een medeklinker, die voor den buitenlander in de Engelsche taal het moeilijkst is om goed uit te spreken. De th wordt hard of zacht gelispt. De zachte brengt men voort door de punt van de tong tegen de ondertanden te drukken en dan de z uit te spreken; de harde of scherp gelispte th wordt op dezelfde manier voortgebracht, met dien verstande, dat men de punt van de tong tegen de boventanden plaatst, en men trekke de tong spoedig terug (…). De klemtoon is een eigenaardige moeilijkheid in het Engelsch. (…) voor het gemak is in dit werkje de klemtoon door een ‘(apostrof) aangegeven (…). Een minder belangrijke klemtoon in  hetzelfde woord krijgt in een voorkomend geval twee apostroffen”.


Door het hele boekje heen worden woorden en teksten uitgelegd als in het voorgaande citaat. Daarbij worden bepaalde klanken in verschillende schrijfwijzen aangegeven om de klanken te verwoorden.


De ‘g’ van general (generaal) wordt in de uitspraakaanduiding bijvoorbeeld met een hoofdletter G (dzj) aangegeven. De uitspraak moet dan dus zijn dzjen’-ur-el. Verder worden de lettergrepen door een plat streepje van elkaar gescheiden. Het is werkelijk een heel eenvoudig instrument om de taal aan te leren.


Verdriet

De meeste immigranten woonden in de zogenaamde ‘tenement houses’ (huurkazernes) .Dat waren kleine appartementjes. Ze werden speciaal gebouwd voor de arbeidersklasse. Gas, licht, stromend water en goede ventilatie was nauwelijks voor handen. Het water werd gehaald bij de pompen buiten en daar werd ook gewassen. Het leven was er zwaar en ongezond. Bekend is dat er omstreeks de eeuwwisseling circa 8000 mensen per jaar stierven aan de ‘ tering’, een vorm van tuberculose. Het waren hoge bakstenen huizen met de brandtrappen aan de voorkant. Aan de achterkant waren kleine binnenplaatsen waar meestal de toiletten waren gelegen.

In verschillende Amerikaanse films kom je ze nog wel tegen en lijken ze heel apart en haast mooi. Niets is minder waar. Er waren gemiddeld vier appartementjes per verdieping en ze bestonden uit twee bedompte slaapkamertjes, een keuken met tafel en een woonkamer met een paar ramen. In de winter werd vaak in de keuken rond de kachel geslapen. Dan was het tenminste nog een beetje warm. In de zomer sliep men vaak op het dak omdat het dan binnen niet te harden was vanwege de hitte. Kortom kommer en kwel.


De huur van ongeveer $12.- per maand werd moeizaam bij elkaar geschraapt met meestal los werk. De vrouwen werkten als dienstmeid bij de gegoede middenstand of verrichtten naaiwerk. Het maken van een jurk bijvoorbeeld leverde, in die tijd, circa $3.- op.


Bernard had het de eerste tijd in New York niet gemakkelijk. In een overgebleven brief staat te lezen dat hij, tijdens het huwelijk van broer Gerhard, weliswaar heeft aangegeven te willen vertrekken maar hij vraagt vergiffenis voor de manier waarop hij dat heeft gedaan. Hij geeft aan dat hij lijdt onder de gedachte dat hij iedereen verdriet heeft gedaan. Een vast adres heeft hij nog niet.


Hij zal vermoedelijk bij Mr. August Kalbreier op Broadway 2580, in New York in de kost zijn geweest. Volgens de vermelding ‘in care’ (per adres) in zijn brief.


"New York den 22 /4 -1900

Lieber Bruder und Schwägerin
Meine erste Wort die ich an Euch zu richten hab ich um Verzeihung zu bitten, dass ich so von Euch gegangen bin. Ich erzählte es dir auf der Hochzeit, das ich fortgehen musste, aber Wilhelm sollte es nicht wissen. Drum habe es dir und auch zu Hause verschwiegen, bis zu letzt, da mir die letzte zeit kein Gelegenheit geboten ist meine Eltern Allein zu sprechen, bin ich nicht dazu gekommen. Die letzte Nachthabe ich noch längere Zeit beim Haus gestanden Ihr zu wecken, hatte ich mir vorgenommen, aber ich habe es nicht fertig gebracht(…).


Lieve broer en schoonzuster
Mijn eerste woorden die ik aan jullie wil richten is om vergeving te vragen, dat ik zo bij jullie ben weggegaan. Ik vertelde het je op de bruiloft, dat ik weg moest, maar Willem mocht het niet weten. Daarom heb ik het jou en thuis verzwegen tot op het laatst, omdat ik de laatste tijd geen gelegenheid heb gehad mijn ouders te spreken, ben ik er niet aan toe gekomen. De laatste nacht heb ik nog lang bij hun huis gestaan om ze te wekken, zo had ik me voorgenomen, maar ik durfde het niet”.


Bernard schrijft verder dat zijn broer Herman beledigd is omdat hij niet geschreven heeft. Maar hij verontschuldigt zich daarvoor vanwege het lijden dat hij moet ondergaan door het gemis van zijn lieve ouders, broers en zusters. Het breekt zijn hart zoals hij aangeeft. Hij vraagt broer Gerhard, aan wie hij de brief heeft gericht, om hem te informeren over de toestand thuis en bij zijn broer Willem in de meubelzaak in Oeding. Opvallend is tevens dat Bernard, ondanks de goede vermelding op de officiële papieren, zijn naam schrijft als Quack. De reden daarvan is niet bekend.


Bernard trouwt

Omstreeks de tijd dat Bernard in New York arriveerde, dreef de familie van zijn toekomstige vrouw een ‘boarding house’ (pension/kosthuis). Deze waren evenals winkels en cafés vaak gevestigd op de begane grond onder de tenement houses. Zijn aanstaande schoonvader Georg Stahl was de eigenaar/kastelein. Het is heel goed mogelijk dat Bernard daar heeft gewoond en zo zijn bruid heeft ontmoet. Het gezin Stahl vertrok uit Nunschweiler (D) omstreeks  20 september 1880 en arriveerde rond 9 oktober 1880 in New York.

Ze zijn terug te vinden in het scheepsmanifest van de SSRotterdam.


Bernard trouwde met Katharina Stahl. Ze werd geboren op 1 mei 1864 in Nunschweiler, gemeente Pirmasens in Beieren in Duitsland. Ze is de dochter van Georg Stahl en Luise Guth. Katharina deed haar eerste communie op 23 februari 1876 in de katholieke kerk aldaar en volgde de katholieke zondagsschool waar ze op 24 maart 1880 slaagde. De huwelijksdatum van Bernard en Katharina is niet exact bekend maar het moet gebeurd zijn ergens tussen december 1899 en september 1901.


Katharina Stahl was een godsvruchtige vrouw. Zo is over haar bekend dat ze lid was van de Rosary (rozenkrans) Society of St. Joseph's Church in Astoria. Op de derde oktober 1886 werd ze daarvan lid. De kosten voor het lidmaatschap bedroegen eenmalig $ 0,50 en maandelijks 10 cent. De Rosary is een gebedsgenootschap waarvan de leden voor elkaar en de wereld bidden. Iedereen die de juiste intenties heeft kan lid worden. Het is wenselijk dat veel mensen meedoen, want de kerk kent vele heilige aflaten toe aan diegene die daar voor bidt. De godsvrucht van deze jonge vrouw zal zeker gepast hebben bij Bernard die ook bijzonder godsvruchtig was opgevoed. Dat blijkt met name uit de overgebleven brieven die hij naar Nederland schreef.


Steinway

Bernard en zijn Katharina gingen na hun huwelijk, zo blijkt uit het bevolkingsregister, wonen op 517 Grand Avenue in het stadsdeel Queens te New York (Long Island City en Astoria zijn buurtschappen in dit stadsdeel). Nadat Bernard werk had gevonden bij de ‘Steinway factory’, de beroemde pianofabriek, betrokken ze een fabriekswoning. Deze woningen waren gebouwd rond de fabriek en waren twee verdiepingen hoog. Gebouwd op basis van een houten geraamte. De huizen waren voor die tijd heel comfortabel en boden ruimte aan twee families. Bernard werkte bij Steijnway piano’s als meubelmaker. In 1902 woonde het gezin op 179 Steinwaystreet. In 1906 -1907 op 239 14th ave. Het adres was dicht bij haar ouderlijk huis en bij de kerk waar ze bij waren aangesloten, de St. Joseph’s Catholic Church in Astoria. Bernard was een geschoolde meubelmaker en heeft meegebouwd aan de grote ingangsdeuren van deze kerk. Hij was een bekwaam vakman en verdiende voldoende om zijn gezin modaal te kunnen onderhouden.

Georg [1566] en Kate [1565] omstreeks1903 (links) en bij het aannemen vermoedelijk omstreeks1912(rechts)


Kate en Georg

Op 21 september 1901 werd dochter Maria Catherine (Kate) Kwak geboren. Opvallend is dat ze, voor zover bekend, niet werd vernoemd naar de moeder van de bruid maar wel naar de moeder van de de bruidegom. Dit in tegenstelling tot hun zoon Georg Bernard die, ruim een jaar later op 10 december 1902 wel werd vernoemd naar beide grootvaders: Georg Stahl en Bernardus  Kwak.

Hoe moeilijk de contacten vroeger vaak verliepen tussen Amerika en Holland blijkt uit een kaart die Hedwig Kwak-Möller schreef aan haar schoonzuster Katharina die vermoedelijk pas op op 09-07-1903 in New York aan kwam, maanden te laat gezien de Nieuwjaarswensen. Ze schrijft:

“Geachte onbekende Schoonzus Katharina

Ik stuur jou deze kaart en houd steeds in de gedachten eens nog een keer met jou kennis te maken. Ik stuur jou hierbij de beste gelukwensen voor ’t nieuwe jaar en wens je veel geluk en zegen en een lang leven zodat God ons misschien de komende jaren nog een keer samenbrengt, zodat we dan het nieuwjaarsfeest in familiekring samen kunnen vieren. Al hopende en niet versagende vervloeien vele jaren

Met groet en wens Hedwig”


Vanuit de overlevering en de teruggevonden brieven blijkt dat eigenlijk alleen enig schriftelijk contact heeft plaats gevonden tussen Bernard en zijn broer JohannesGerhard, de latere uitbater van hotel Germania in Winterswijk.


Brief Bernard circa 1900

tekst omgekeerd aan de bovenkant: Meine Adresse ist Mr. B. Kwak 305 15 th Ave Long Island City N.Y.  U.S.A. America. Bitte nicht mehr die alte Adresse von früher gebrauchen.


Gerhard probeerde de band te behouden en doet dat tevens door Bernard aan te stellen als peetoom van zijn oudste zoon Paul die werd geboren op 9 april 1900. Bernard bedankt voor het feit dat hij peetoom van Paul is geworden, maar het spijt hem dat hij helaas niet over kan komen. Hij zegt: 

“Verder willen jullie graag weten of er zich nog een gelegenheid voor doet dat ik naar jullie toe kan, het kan wel, maar alleen wanneer de middelen het toestaan, zou ik jullie graag snel bezoeken, maar het is hier  nu heel zwaar wanneer je een familie moet onderhouden. Vooral wanneer je daarbij door ziektes geteisterd wordt, Iets overhouden om te sparen is allemaal te moeilijk, hier in Amerika. Er is hier geen ziekenhulp. Dat alles is hier pet!(….”)

Hij vervolgt met:

“Verder hoorde ik dat het met Mina (Harmina [64] maar zo-zo gaat. Willem is weer getrouwd. (die familie ken ik) Hopelijk gaat het hem goed. Dina [71] gaat naar een pastoor en Maria komt weer thuis, maar hoe gaat het met Herman, van hem hoor ik niets. Ik heb hem ongeveer een jaar geleden teruggeschreven, waarop hij met een briefkaart heeft geantwoord en me getroost met een ‘spoedig meer’. Hopelijk gaat het goed met hem. Ik heb hem toen geschreven dat wanneer het daar niet zou lukken hij maar over moet komen. Maar dat ik iemand hierheen wil lokken, dat wil ik niet, want ik weet niet of het hem hier zou bevallen. Maar leven kan hij hier net zo goed als daar en beter trouwens, wanneer het daar niet wil lukken, was het me zeer aangenaam en fijn hier een broer te hebben, maar dat moet iedereen wel zelf weten.

Wat mij betreft ben ik, tot nu toe, wel getroffen door veel ongeluk, maar we zullen allemaal wel straf verdiend hebben. Hopelijk komen er voor ons snel betere tijden.

Jullie het beste wensend voor lijf en ziel verblijven wij jullie broer, zwager en schoonzuster enz.” B.Kwak en verder vrouw en kinderen Kathy,Georg“


Margaret Johanna overlijdt

Het derde kind Van Bernard en Katharina werd geboren op 22 februari 1905. Ze noemden haar Margaret Johanna. Uit de overgebleven schaarse brieven naar Nederland blijkt dat Katharina en de kinderen vaak ziek waren. Waar ze aan leden is niet echt bekend, alleen over het overlijden van hun derde kind Johanna is geschreven. In een brief naar Nederland schrijft Bernard dat zijn zoon Georg ernstig ziek is geworden en de jongste dochter heeft aangestoken. Ze overleed aan wondroos / belroos (erysipelas). Ze was nog te klein en te zwak en overleefde de ziekte niet. In dezelfde brief schrijft hij dat hij haar heeft genoemd naar zijn moeder. De kleine wordt begraven op Calvary Cemetery, Long Island City/Astoria in New York. Bernard is daarover zeer ontdaan en schrijft naar zijn broer Gerhard op12/3/1905:


“Lieve broer en schoonzus
Jullie schrijven hebben we in gezondheid ontvangen (namelijk in zoverre) omdat de ziektes voorbij waren, want we hebben deze winter ons deel weer beleefd. Net op het moment dat jij deze brief aan ons hebt geschreven is ons kindgestorven. De 17e januari was het geboren en alles met vrouw en kind was prima. Iedereen was heel blij omdat mijn vrouw zo goed te pas was, en het kind zo gezond en sterk, men had bijna iedere dag gezien hoe het groeide. En toen het kind ongeveer acht dagen oud was, is de kleine Georg ziek geworden door Earesepsis een boosaardige 'Rose' (gordelroos of bloedvergiftiging) zodanig dat de dokter zich er over verwonderde dat hij dat overleeft heeft. En toen hij weer gezond was, is de kleine Johanna ziek geworden aan dezelfde ziekte die Georg tevoren nog niet echt had doorstaan. De pijn die het kleine wurm heeft moeten doorstaan zijn gruwelijk want bijna het hele lijfje was opgezwollen en is, voor zover het gif nog niet was weg getrokken, na haar dood vrijwel helemaal zwart geworden.


Ik zou het jullie allang geschreven hebben maar het heeft zo’n pijn gedaan dat ik het kind verloren heb en tijdens de ziektes die ik in huis heb gehad had ik geen tijd. Ook wil ik nu nog aan vader en moeder schrijven.

Zoals voorheen opgemerkt hebben we op de 17-1 een klein dochtertje gekregen en hebben het naar moeder Johanna genoemd vandaar dat ik hoop op haar bijzondere voorspraak voor moeder aan de zoon van God. Want het moet een heerlijke engel geworden zijn, alhoewel onschuldig heeft het de Hemel nog moeilijk verdiend maar het verschrikkelijke lijden moet haar vast een heerlijke kroon hebben gegeven, want Jezus zegt toch: laat de kleinen tot mij komen. Dus Johanna zal niet tegengehouden worden. Dit zal de troost voor de ouders zijn.


Uit jullie schrijven ervoer ik verder dat de hele familie nog tamelijk gezond en wel is, wat me veel vreugde geeft. Dat vader tamelijk kinds geworden is, doet me pijn, maar omdat ik niet in staat ben iets voor hem te kunnen doen, verzoek ik iedereen hem zo goed mogelijk te verzorgen, zodat het goed met hem gaat. En wat hemzelf betreft hoop ik dat hij in de laatste jaren, voor datgene waarvoor hij nog boeten moet, God hem genoegdoening geeft voor het verlies van zijn verstand en gevoel, Zoals ik lees voelt moeder zich nog tamelijk dapper waarmee ik heel blij“ *


* Vermoedelijk is de brief nog langer geweest maar dat stuk is helaas niet teruggevonden in denalatenschap.


Bernard overlijdt

Bernard Kwak heeft niet lang geleefd. Op de 3e of 4e februari 1909 overlijdt hij 44 jaar jong. De reden van zijn dood is niet bekend. Zijn kinderen zijn dan acht en zeven jaar oud. Bernard is begraven op Calvary Cemetery, St Sebastian devision (Calvary No. 3) Queens boulevard entrance. Section 20, Range 9, Plot C, Grave 21. 


Katharina stond er toen alleen voor, maar ging zeker niet bij de pakken neer zitten. Hoewel het in die tijd voor een jonge weduwe moeilijk was, opende ze een kleine kruidenierswinkel. Het hielp haar een beetje uit de financiële problemen. Maar het was zeker geen vetpot. Vooral niet omdat veel gekocht werd op krediet, in die tijd een bekend fenomeen ook in Nederland, en er werd niet altijd afgerekend. Toch hield ze het hoofd boven water en was in staat haar beide kinderen naar school te laten gaan.


Dochter Kate verliet na de 8e klas de school en ging, als kleermaakster, aan het werk om haar familie te helpen onderhouden. Het gezin leefde toen op 312 15th Avenue in Astoria. Het vermoeden bestaat dat deze woning eigendom was van een van Katharina’s zussen. Toen de baan wat vastigheid gaf stopte haar moeder met het kruidenierszaakje.

Toen Kate haar opleiding had afgerond ging ze als kleermaakster aan het werk bij Bergdorf Goodman’s. Ook nu nog een respectabele winkel in New York. Ze maakte al heel snel naam en mocht zelfs privécollecties ontwerpen voor bekende klanten. Onder andere de destijds beroemde filmster Mary Pickford heeft eens een jurk van haar gedragen.


Kate trouwt

Kate bleef niet lang thuis wonen. Ze groeide op tot een echte schoonheid met blauwe ogen en blond haar. Kate was met haar 1,58 meter een stuk kleiner dan Joseph Francis Martin haar echtgenoot. Voor die tijd een grote forse man (1,77 meter) met eveneens blauwe ogen maar met zandkleurig haar. Hij was 13 jaar ouder. Ze hadden elkaar ontmoet tijdens een dansfeest. Ze trouwde met hem op 5 juli 1924 in de St. Jozefkerk (Long Island City NY) op 23-jarige leeftijd. Hij was de zoon van Patrick Martin en Mary Enright Russel. Moeder Katharina rept daarover in een brief aan Holland op 14 maart 1924. Deze brief heeft ze vermoedelijk geschreven naar aanleiding van een foto die ze had ontvangen vanwege het 25-jarige  huwelijksfeest van Johannes Gerhard Kwak en Hedwig Möller. De broer in Nederland waar de familie nog steeds contact mee had. De foto daarvan is nog in het bezit van de familie Martin. 


Kate was gek op dansen en partijtjes. Ze liep, volgens overlevering, over van de energie. Lange uren werken, uitgaan en’s morgens weer vroegmetde trolley naar het werk was allemaal geen probleem. Vrijwel haar hele leven is ze zo energiek gebleven. Ze had naast haar werk verschillende interesses. Zo was ze goed op de hoogte van de gebeurtenissen in de wereld en gaf ze veel om politiek. Erg ongewoon voor de vrouwen van die tijd. Al met al was ze heel geliefd. Joseph begon zijn werkzame leven op een koopvaardijschip. Ten gevolge van een ongeluk met een ankerketting verloor hij aan beide handen enkele vingers en dat maakte een einde aan zijn carrière bij de koopvaardij. Gedurende de grote depressie rond 1929 toen de aandelenmarkten wereldwijdinstortten, had hij her en der verschillende baantjes. Het gezin had het toen heel moeilijk.


Het tij keerde tijdens de Tweede Wereldoorlog. Gezonde mannen werden militair en gehandicapte mannen kregen de kans om de opengevallen plaatsen in te nemen. Hij kreeg toen werk als ‘harberbarge captain’ op de Hudson rivier. Een harberbarge is een soort platte aak voor het vervoer allerhande producten. Joseph was betrokken bij het vervoer van munitie en ander militair materiaal langs deze rivier. Hij hield van het werken op de rivier. In zijn familie wordt deze tijd nog steeds gezien als het beste wat hem ooit overkomen was. Na de Tweede Wereldoorlog werkte Joseph nog als chauffeur.


Katharina overlijdt

Tot aan haar overlijden op 1 november 1930 heeft moeder Katharina bij Joseph en Kate ingewoond. Dat was ook de bedoeling met de moeder van Joseph, maar zij overleed helaas enige tijd voordat ze trouwden. Katharina overlijdt aan kanker op 66-jarige leeftijd en wordt naast haar man Bernard begraven op Calvary Cemetry.

Begrafenisrekening en krantenknipsels naar aanleiding van het overlijden van Katharina


Onenigheid

Grootmoeder Katharina Kwak-Stahl was tijdens de laatste maanden van haar leven de aanleiding voor grote problemen in de familie. Volgens familieoverlevering kon of wilde broer Georg niet meebetalen aan haar levensonderhoud tijdens haar ziekte en zorgde op die manier voor onenigheid in de familie. Hij verdween helemaal uit beeld. Het is bekend dat hij trouwde met Josephine Friesenhausen. Haar roepnaam was ‘Bunny’. Het paar kreeg drie kinderen: Georg Bernard, Carol en Joan. Georg overleed vermoedelijk in 1970, ongeveer 67 jaar oud, in Bellmore/ New York. Van zijn kinderen is alleen bekend dat zoon Georg Bernard is gehuwd. Met wie is niet bekend. Het enige gegeven dat we weten is dat er uit dit huwelijk drie dochters zijn geboren. Amy Lisa, Debbie en Eileen. Tot op dit moment (2009) is er sporadisch contact met Amy en Debbie maar dat heeft nog niet tot meer informatiegeleid.


In de periode van 1925 tot 1935 kregen Kate en Joseph Martin vier kinderen, Eleanor Caroline in 1925, Beatrice Mary in 1928, Joseph Bernard in 1930 en Robert David werd geboren in1935.

Toen haar kinderen nog klein waren werkte Kate vaak buitenshuis. Ze borduurde gebreide kinderkleren voor Prancl Knitting Mills. Ze nam haar kinderen mee naar de fabriek en haalde de ongeborduurde kledingstukken op. Ze verfraaide pullovers, mutsen en andere kledingstukken. De kleding nam ze mee naar huis in een kar op vier wielen. Wanneer de kledingstukken klaar waren kruide ze die weer terug om een nieuwe voorraad op te halen. Wanneer er geld voor was dan nam ze de kinderen mee naar musea, parken, het strand, het Palisades Amusement Park en boottochtjes op de Hudson.


Ze was haar kinderen heel toegewijd en spoorde ze voortdurend aan om te leren. Zoals al gezegd had Kate een brede belangstelling. Ze stuurde de kinderen zelfs naar de andere kant van de stad omdat de ‘high school’ daar beter was dan bij hen in de buurt. Drie van haar kinderen bekleedden vooraanstaande posities in het schoolleven. Uiteindelijk mochten alleen de jongens doorstuderen: Joseph Bernard werd accountant en Robert David atoomingenieur. Voor de meisjes was gewoon geen geld aanwezig. Achteraf gezien is de familie nog steeds verbaasd hoe het paar dat allemaal heeft klaar gespeeld gezien de krappe financiën.

Op 12 oktober 1969 stierf Joseph aan een hartverlamming. Hij was 80 jaar. Hij stierf op de dag dat zijn kleinzoon de eerste heilige communie ontving. Hij werd bijgestaan door zijn eigen zoon die bij hem was toen hij stierf. Na zijn overlijden verhuisde Kate met haar oudste dochter Eleanor naar Freeport, New York. Ze overleed, zittend in haar stoel op 21 april 1974. Ze werd 73 jaar oud.


Het geloof

Het echtpaar Bernard en Katharina waren diep gelovige mensen. Tot op heden is het katholieke geloof voor hun afstammelingen nog steeds heel belangrijk. Alles zalig makend. Zo woont achterkleinkind Tom Martin en zijn echtgenote Melinda, die het Amerikaanse speurwerk naar de roots van de familie verichtte, in de Amerikaanse Biblebelt in de omgeving van Atlanta. Zij  beleven het katholieke geloof op een manier die wij  alleen nog tegen komen in de wijze van geloven in Staphorst. Zo ontvingen Gerard en Toos Kwak aan het einde van het bezoek dat ze in 2004 aan de familie brachten een speciaal kofferlabel van hun kinderen Frank Robert en Ann Marie. Daarop stond vermeld: “Gods direction is always best.” De ‘Lord’ zou in ieder geval meereizen  en ons beschermen op weg naar Nederland.

Femielie

 

Webmaster Gerhard Kwak

 

Website van de Achterhoekse & Twentse families Kwak, Elschot, ten Thij en Goossen.

 

Neem contact op met:

 

Adres: Wielseweg 3-57, 3896 LA Zeewolde

Email: g.kwak@kpnmail.nl

 

© 2018 - 2020 Gerhard Kwak, Zeewolde.  All Rights Reserved