Het gezin

Het gezin van Gerhard & Hedwig

Johannes Gerhard Kwak (boven)

en een gesteven manchet en boord

De enige‘ jachtfoto’. Gerhard tweede van links. De overige  personen zijn onbekend.

Advertentie van Gerhard in de feestgids die gemaakt werd voor  het huwelijksfeest van zijn zoon Gerrit [6].

Creosoot is een kleurloze of lichtgevende olieachtige  vloeistof, door distillatie uit  koolteer verkregen, met  bederfwerende eigenschappen.  Verdund met 99 delen water werd het creosootwater genoemd.

Vlnr. Nel, Agnes, Paula en Hetty

Dora Frieda Hedwig Möller (boven)

Recept voor Liebeskummer

De Derde Orde van Sint Franciscus staat ook bekend als de Franciscaanse Lekenorde.  Het is een orde van strikt evangelisch levende mannen  en vrouwen die geen kloostergeloften afleggen. Ze vormen een gemeenschap die gewoon in hun gezin blijven werken maar wel leven volgens de heilige Franciscus en Clara van Assisi. Trefwoorden voor hun levenswijze zijn: danken,  dragen en dienen; gebeden  meditatie; vrede, vreugde en vrijmoedigheid; aandacht voor de armen en de schepping;  eenvoud, soberheid en  broederschap.

Koffiemolen

Otitis externa

Weurden circa 1922

Zakje blauw

Wasteil en wringer

Badhuis aan de spoorstraat

St. Josephschool circa 1910

Melkboer Slotboom

Weurden.

Het pand links is slagerij Pecht. Tweede persoon van links is Gerhard Kwak sr.

Oma's hazepeper

Bowl met vruchten uit eigen tuin

Affiche Indische tentoonstelling in Arnhem 

Schaatsen op de Morse omstreeks 1900.

Toen Gerhard in 1907 naar Winterswijk kwam had het gezin vier kinderen. De tweede dochter Hedwig was, 105 dagen oud, gestorven op 20 januari 1904 in Bocholt. In Winterswijk werden er nog acht kinderen geboren. Gerrit, Hetty, Agnes, Paula, Nel, Karel, Frits en Alex. In 1922 op 18 november overleed de jongste zoon Alexander. Het kind was altijd al zwak want het leed aan ernstige verschijnselen van eczeem. Zoon Paul werd toen het bos in gestuurd om zijn vader te zoeken die was namelijk net op jacht. De ramp was compleet toen drie maanden later ook zoon Frits overleed. Het kind had een ziekte aan de ingewanden en lag heel veel te huilen. Uiteindelijk was het kind helemaal uitgedroogd en overleed. Bij zoontje Frits denkt men dat Coeliakie de uiteindelijke doodsoorzaak is geweest. Hoewel dat nu met 100 % zekerheid niet meer is te zeggen. Coeliakie komt echter wel in de familie voor. 

 

Lang zag het ernaar uit dat moeder Hedwig niet meer over de dood van haar kinderen heen zou komen. Jarenlang heeft ze niet meer gelachen. Vooral niet toen ook Karel stevig ziek werd. Gerhard had volgens zeggen: “om het genezingsproces te bevorderen”, alles wat maar aan Alexander en Frits herinnerde meteen weg laten halen. Er was echter een linnenkast op één van de kamers waarin een lade zat die altijd op slot zat. Nel vertelde dat daarin onder andere een klein ‘piepeendje’ zat, van de jongste kinderen, waar moeder regelmatig stiekem even naar ging kijken. Dat was alles wat ze gered had van de opruimactie van vader.

Links: Bidprentje Frits en rechts: notitie overlijden Alexander  in trouwboekje

Foto ter gelegenheid van het 25-jarige huwelijk van Gerhard en Hedwig (1924).

vlnr. achter: Ida, Gerrit, Paul, Otto en Maria

vlnr. voor: Hetty, Agnes, vader Gerhard, Karel, moeder Hedwig, Nel en Paula

Het gezinsleven van de Kwaks was harmonieus, maar vriendjes en vriendinnetjes om te spelen kwamen er eigenlijk nooit over de vloer. Daar was geen tijdengeenruimtevoor.Erwerdeigenlijkalleenmaargewerkt. De kinderen gingen altijd uit spelen. De ouders werden aangesproken als Papa en Mama. Alleen als moeder nodig was riepen Gerhard en de kinderen altijd ‘Ma’.

 

Pappa Gerhard

Hij was de baas in huis. Daar bestond geen twijfel over. Papa was een zeer dominante man. Zijn wil was wet. De opvoeding was dan ook zeer streng maar rechtvaardig. Nel verwoordde het aldus:

 

“We hadden een prachtige tuin. Met schommels een wip en alles wat ons hartje begeerde. Het was ons paradijs maar Pappa was de God.”

 

Over het algemeen hadden de kinderen liever een pak slaag van Mamma dan een standje van Pappa. Dat laatste kwam veel harder aan volgens dochter Paula. Met name de blik in de ogen schijnt daaraan ten grondslag te liggen. Gerhard vond dat alle dochters in de huishouding moesten. In zijn optiek waren de vrouwen er om te trouwen dus een goede opleiding was daarvoor niet echt noodzakelijk.

 

Pietje precies

Gerhard was een Pietje precies. Hij stopte en waste bijvoorbeeld zelf zijn sokken. Niemand mocht dat doen. Alleen hij kon dat zoals het hoorde. Als hij vanuit het café naar de tuin ging om kippen te voeren, dan gingen over zijn goede sokken eerst oude geitenwollen sokken en dan pas trok hij de klompen aan. Zo kwam hij altijd netjes weer in het café terug. Op zondag droeg hij altijd een zwart kostuum met perfect gestreken plooitjes-overhemd. De boord was rechtopstaand en gesteven. Dat laatste gebeurde door een speciale boordenwasser ergens in Winterswijk. Hij was in het bezit van verschillende hoeden. Als hij thuis kwam ging hij eerst naar boven om zijn overjas en hoed netjes op te bergen.

 

Muzikaal

Piano spelen was geen probleem. Gerhard speelde piano zonder ooit les gehad te hebben. Volgens dochter Nel was hij geen ster. Hij sloeg namelijk veel te hard op de toetsen. Daarbij had hij wel een goede zangstem. Zijn liefde voor dieren en de natuur was alom bekend en die gaf hij ook door aan de kinderen. Hij was een echt buitenmens. Hij ging ’s zondagsmiddags met de kinderen wandelen en vertelde dan veel over de dieren in het bos. Vooral de vogels hadden zijn aandacht. Daarnaast was hij gek op het fokken van kippen. Gerhard was een verstokte jager. Hij leerde iedereen schieten. Om de beurt mocht je, in zijn bijzijn, oefenen met de windbuks. De kinderen schoten dan op een stuk papier, met een roos, dat was bevestigd op de muur van de garage. Na verloop van tijd kon iedereen dan ook met de buks overweg. Hij ging vrijwel iedere week op jacht op de percelen die hij huurde in Kotten en Meddo. Hij had ook een eigen jachthond die hij zelf africhtte. Hij kwam regelmatig met wild thuis: konijn, haas, fazant, waterhoentjes, patrijs en soms ree. Dat was een bijkomend voordeel, want wild was goedkoper dan vlees van de slager. Hoewel je je moet afvragen hoeveel de pacht van de verschillende jachtgronden hem gekost moet hebben.

 

Denkbeelden

Gerhard had bepaalde denkbeelden waar hij niet van af te brengen was. Daarbij was de buitenkant vaak heel belangrijk. Zo kocht hij bijvoorbeeld altijd de schoenen voor de kinderen. Dat was een precies werkje dat hij blijkbaar alleen zelf goed kon doen. Hij liet schoenmaker Kimmels regelmatig aanhuiskomenmeteenstapelschoenenomtepassen.Nel:

“Doordat we schoenen droegen kon iedereen zien dat we het goed hadden. De andere kinderen kwamen altijd op klompen naar school. Wij niet. Later veranderde dat, onder invloed van de malaise, vrij sterk. Kimmels kwam niet meer. Toen bracht Germania geen weelde meer.”

 

Natuurgenezer

Vader Gerhard bezat veel kennis over de natuur. Hij wist van alles en nog wat over de geneeskrachtige werking van planten en kruiden en was altijd weer bezig met het beproeven van nieuwe medicijnen. En ook een zekere hang naar het ‘mystieke’ was ook hem niet vreemd, net als zijn vader Bernardus. Gerhard was uitstekend op de hoogte van de beschermende en geneeskrachtige werking die planten volgens de boerenbevolking hadden. De exotische kruiden kocht hij zelf in en de inheemse kruiden en planten vond hij in de eigen tuin of in de vrije natuur. Enkele van door hem gebruikte geneesmiddel waren:

 

     ♦ Kruidnagels of peperkorrels duwde hij in een holle tand. Dat verzachtte de pijn. Net zoals het stomen boven een

        aftreksel van ‘tandpienzaod’ (bilzekruidzaad).

     ♦ Salie prikkelde de spijsvertering. Daarbij was het zenuwversterkend, verlaagde het de bloeddruk en heelde het

        wonden.

     ♦ Boerenwormkruid of ‘pierenkroed’ was zijn wormafdrijvend middel. Van de bloemknopjes werd een aftreksel

        getrokken dat goed was voor het vee maar ook hielp tegen de buikpijn van kinderen.

     ♦ Tuinboonbast was een middel tegen wratten en eksterogen. Wat luguber, maar volgens zijn zeggen heel effectief,

         was het strijken van de wratten langs een lijk.

     ♦  Het melksap van de Stinkende Gouwe ging ontstoken ogen tegen.

     ♦ De vlierstruik leverde bloemen waarvan thee werd getrokken. Die thee ging koorts en hoesten tegen. Het sap

        van de vlierbes hielp uitstekend bij verkoudheid en griep.

     ♦ Problemen met de ogen werden verholpen door ze in te wrijven met ‘nuchtere (ochtend) spuug’ en brandwonden

        werden duidelijk minder erg door ze in te smeren met slaolie waar een rauw ei doorheen was geklopt.

 

Huismiddeltjes

Gerhard was altijd bezig met genezen. Zo moest iedereen die een ontsteking had met kamille behandeld worden. De kamille werd zelf geplukt en gedroogd en hielp volgens hem uitstekend. Bij uitslag gebruikte hij een zwarte (teer)zalf die goed moest intrekken. Nel:

 

“Je werd met de zalf ingesmeerd en vervolgens in een oud laken gerold. Daarin moest je de hele nacht blijven liggen. Je voelde je dan heel erg smerig. De volgende dag werd je dan afgeboend met groene zeep.  Pappa trok zelfs tanden en kiezen met de nijptang. Daarna ging in het gat een watje met creosoot. Mamma had ook een keer eczeem. Papa kreeg toen een huismiddeltje van vader Overkamp. De vader van de onderwijzer die toen in het hotel verbleef. De zalf maakte hij zelf".

 

     Eczeemzalf benodigdheden:

     ♦ 100 cc olijfolie

     ♦ Reuzel (zacht varkensvet) ter grootte van een walnoot

     ♦ 50 gram witte was van de apotheker

     ♦ 3 klimopbladeren (gewassen)

 

     Bereiding:

     Olijfolie, was en de heel fijn gesneden klimopbladeren samenvoegen. 5 minuten roeren en bewaren in een potje.

     Als de zalf te stijf is nog wat olie toevoegen. Zo vaak smeren als nodig. Vanwege de reuzel is de houdbaarheid

     gering.

     (origineel recept bij Thea Boelen-Kwak)

 

Iedereen in het gezin werd altijd door Gerhard betrokken bij allerlei aparte zaken als: kruiden zoeken, schieten, huizen kijken en het behandelen van zieke dieren. De gewone dagelijkse dingen leerden ze van Mamma Hedwig die naast haar werk in het hotel met heel andere zaken bezig was.

 

Mamma Hedwig

Hedwig was de rust en de goedheid zelf. Ze had donker haar en reebruine ogen, vertelde Nel. Hedwig was meestal eenvoudig gekleed maar zeer gesteld op mooie en vooral verzorgde kleren. Ze kon heel goed naaien en maakte veel zelf. Ze was een zorgzame vrouw die voor iedereen klaarstond. Niet alleen voor haar gezin maar ook voor de mensen in de buurt. Dochter Nel herinnert zich nog de keer dat overbuurman Kolstegge ernstig ziek was. Zo ziek dat men zand over de keien op de straat had laten strooien om het geratel van de karrenwielen te dempen. Regelmatig liep Hedwig naar de overkant om de man van versterkende soep te voorzien. Hedwig zong graag hoewel ze dat niet echt kon. Gerhard zei altijd: ”De kraai is weer bezig”.

 

Nel:

“Mama was naar Papa toe heel volgzaam maar toch ook wel doortastend. Ze had zeker haar eigen standpunten en was niet bang ze te uiten. Papa, die nog wel eens andere ideeën had om aan geld te komen, wilde op zeker moment naar Barneveld om een kippenfokkerij te beginnen. Volgens overlevering wilde V&D het pand kopen voor fl.40.000?. Dat heeft ze categorisch geweigerd en daardoor ging de verkoop niet door.”

 

Hedwig was lid van twee bekende vrouwenorganisaties. De vrouwenbond en de Derde orde van St. Franciscus. Van de laatste vereniging was ze zelfs een tijdlang voorzitster. Naast haar diepe religiositeit was Hedwig ook een heel romantische vrouw die veel liedjes, gedichtjes en straatzangerballades noteerde in een klein schoolschriftje. Bijgaand recept voor liefdesverdriet verwoordt dat heel mooi:

 

Recept für Liebeskummer         Recept voor liefdesverdriet

100 gr Liebesglück                       100 gr liefdesgeluk

50 gr Händedruck                         50 gr handdrukken

50 Pfennig Hofnung                      50 cent hoop

 

Fest schütteln, dieses dann mit kraft, dann 100 Küsse, rühre alles gut um. Giesz alles durch ein feines Siebchen und gib davon deinem Liebchen stündlich einen Löffel voll, dann wird er dich lieben wie toll.

( Stevig schudden, maar wel met kracht, dan 100 kussen. Roer alles goed om. Giet alles door een fijn zeefje en geef van dit mengsel je lief per uur een lepel vol. Dan zal hij van je houden als een dolle)

 

Verslaafd

Hedwig was helemaal verslaafd aan koffie. Na het eten bijvoorbeeld was ze altijd wat vermoeid. Ze zette dan drie kopjes koffie. Speciaal daarvoor had ze een klein rood geëmailleerd kannetje. Na de koffie haalde ze een kam door het haar en kon er dan weer tegenaan. Verder had ze de gewoonte om steeds op een koffieboon te kauwen. Die haalde ze dan uit de grote koffie molen op de gang.

 

Gerhard was een buitenmens maar Hedwig daarin tegen was in doen en denken een stadse. Ze schreef, als Duitse, niet goed Nederlands, dus Gerhard verbeterde al haar brieven. Zo schreef ze vaak aan zoon Gerrit met ‘beeste’ Gerrit in plaats van beste Gerrit. Als ze boos was dan viel ze vaak weer terug in plat Duits. Favoriete uitdrukkingen van haar waren:

 

♦ “Zum Kuckkuck noch ein mal”. - Dankjedekoekoek)

♦  “Liefde tut geen leed, zelfs as de neuze op de rugge steet.” - Liefde doet geen pijn. Zelfs niet wanneer de neus op de

    rug staat (je er niet uit ziet)

♦  “I’j könt m’j de poekkel herunter rutschen.”  - Je kunt me de rug af (op)

 

 Antwoord van de kinderen:

♦ “a’j onder bunt mo’j bremsen.” -  Als je beneden bent moetjeremmen.

 

Hedwig heeft haar hele leven achter de schermen klaar gestaan. Ze zorgde er voor dat de winkel, de keuken en het gezin draaide. Ze was de spil van het gezin. Samen met de dertien kinderen die ze baarde moet dat een behoorlijk karwei geweest zijn.

 

Hedwig was eigenlijk nooit ziek. Alleen een keer toen ze bij Ida op bezoek was in België. Dat was tijdens de geboorte van Clasien. Ze had toen een soort leverziekte. Tijdens het huwelijk met de handschoen van Mientje Peer, de vrouw van oudste zoon Paul, had ze belroos (wondroos), een voortschrijdende huidontsteking die gepaard gaat met blaasvorming. Die werd behandeld met zalf en pijnstillers. Het resultaat was een groot dik oor (otitis externa). Later kreeg ze dat ook aan het andere oor.

Gerhard met zijn onafscheidelijke sigaar en Hedwig in circa 1925

Dagelijks leven

De sfeer onderling was gezellig en goed ondanks het feit dat de kinderen, volgens overlevering, vaak nogal balorig en soms tegendraads waren. Vooral dochter Paula had daar een handje van. Moeder Hedwig verzuchtte menigmaal dat ze geen idee had waar ze zo’n rebelse dochter aan te danken had. Om gezin, hotel, slijterij en kruidenierswinkel goed te kunnen bestieren waren er duidelijke regels. Er werd thuis weinig gepraat. Daar hadden beide ouders gewoon geen tijd voor. Dat werd gewoon niet geleerd. Je had maar te doen wat er gezegd werd en verder moest je maar zien hoe je uit de problemen kwam. Vooral aan tafel werd er geen woord gezegd en hadden ze zich te gedragen. Ook moest alles opgegeten worden. Wanneer je ’s avonds het eten niet op had dan kreeg je het de andere ochtend weer voor je neus. Dus je wilde wel.

 

Caféverbod

Het belangrijkste in het dagelijkse leven was het caféverbod. Het was voor de kinderen absoluut verboden om in het café te komen. Ook moeder Hedwig kwam er weinig. Gerhard regelde daar de zaken. Papa, zoals de kinderen zeiden, wilde ze absoluut niet confronteren met het ‘zondige’ gedrag van de gasten. Zeker in de crisisjaren zal het er ook niet altijd even vrolijk aan toegegaan zijn. Wel kwam het voor dat de oudere jongens een moeder van huis moesten halen als vader zijn weekloon weer eens opgezopen had. Zoon Gerrit, de latere slager, was door de confrontatie met deze moeilijkheden geheelonthouder die alleen op de verjaardag van zijn vrouw Gerda één anisette (anijslikeurtje) dronk voor de gezelligheid.

 

Slapen

Om stipt 19.00 uur gingen de kleine kinderen slapen. Ze klopten dan altijd op de buffetdeur om aan te geven dat ze naar bed gingen. Als de kinderen gingen slapen dan moesten de gordijnen dicht. Dat waren rolgordijnen. Met de lamp aan speelden ze dan schimmenspellen voor de toekijkende buren. Toen hun vader erachter kwam was dit spel echter snel afgelopen. Gerhard kwam precies om 20.00 uur boven om te controleren of alles in orde was. De huisregels waren zo streng dat je bijvoorbeeld absoluut niet in je nachtpon naar beneden mocht komen. Wanneer de kinderen in bed lagen maakte Gerhard zijn ronde buitenom het pand om zijn bezit te inspecteren.

 

Werken thuis

Alle meisjes moesten in huis helpen. Iedere dag moesten ze aardappels schillen en groenten schoonmaken. Emmers vol. Papa controleerde altijd de dikte van de schil, want direct onder de schil zat volgens hem de meeste voeding. Dus er moest goed geschild worden. Dat was een enorm karwei dat dagelijks terugkwam.

 

De jongens zorgden de hele winter voor de aanvoer van kachelhout. Dat was een behoorlijk karwei want behalve het fornuis in de keuken waren er ook nog eens een stuk of drie kachels waarvan de voorraad aangevuld moest worden. Gestookt werd met steenkool, eierkolen, cokes, briketten en hout. Ook haalden zij het water uit de put. Vooralle niet dagelijkse karweitjes zoals het gras tussen de stenen weg pulken met een mesje, kreeg je een stuiver, die overigens wel in de spaarpot moest. Daar werd niet echt op gelet door de ouders want regelmatig namen de kinderen er geld uit om snoep te kopen. Ze kochten dan gelukstoffees: die waren niet alleen erg lekker maar er stond op het papiertje ook een wens die wellicht uit kon komen.

 

Het werken thuis was normaal gesproken aan een wekelijkse wetmatigheid gebonden. Je zou het een ‘rondje hygiëne’ kunnen noemen. De week zag er als volgt uit.

♦ De maandag was de wasdag. Er werd gewassen van ‘s morgens vroeg tot ’s avonds laat. Over het algemeen kwam eerst de witte was aan bod en daarna de bonte was, veelal in het zelfde water. Op die manier bespaarde je zeep en water. Het witte wasgoed werd op de bleek (grasveld) gelegd tot de andere dag.

♦ Op dinsdag werd de was van de bleek gehaald, nog weer eens doorgespoeld en op het linnenrek gehangen om te kunnen drogen. Ook werd wel de waslijn buiten gebruikt. Die werd eerst met een vochtige lap schoongemaakt en vervolgens werd het wasgoed met wasknijpers opgehangen op een manier dat er geen lelijke ophangplekken ontstonden. Aan het eind van de dag werd het wasgoed binnengehaald en werd het goed dat gestreken moest worden vochtig gemaakt en opgerold. Vochtig goed was makkelijker te strijken.

♦ Op woensdag werd de vochtige was gestreken en samen met de overige was  gevouwen. Van het gestreken wasgoed werden strakke stapels gevormd in de linnenkast.

♦ Donderdag was de versteldag. Kapotte kleding werd versteld en de sokken werden gestopt.

♦ op vrijdag werden altijd de bedden afgehaald en de matrassen en de peluw (langwerpig kussen) opgeschud. De bedden werden weer opgemaakt en de kussens kregen een schone sloop.

♦ De zaterdag was een drukke dag. Het erf moest worden aangeharkt en de stoep geveegd. De matten werden geklopt. Vaak werden op die dag de klompen geschuurd of de schoenen gepoetst. Aan het eind van de dag ging het hele gezin in de teil. Eerst de allerkleinsten en daarna de grotere kinderen. Meestal allemaal in het zelfde water. Ook dat bespaarde weer het nodige aan warm water. ’s Avonds als de kinderen in bed lagen gingen de ouders ook in de tobbe. Toen de kinderen eenmaal wat ouder werden wasten de grote meisjes zich op de eigen kamer. De grote jongens gingen naar het badhuis in de Spoorstraat en de vier kleinere kinderen gingen in de zinken teil in de huiskamer. Daar was het lekker warm. De teil stond altijd voor de trap naar de opkamer.

 

De zondag stond in het teken van het kerkbezoek, samen lekker eten en in de middag gingen ze vaak wandelend of op de fiets met z’n allen naar oma Kwak en haar zoon Hendrik in Kotten of gingen ze langs bij Kwaksmölle van Ome Frans te Brömmelstroet en tante Marie. In latere jaren gingen ze ook vaak naar Hendrik, die toen was getrouwd met Mi-je Schurink in Meddo. Ook bezochten ze regelmatig opa en oma Möller in Bocholt. Daar gingen ze dan op de fiets en als er geld voorhanden was soms met de trein naar toe. Ook bezochten ze daar regelmatig Oom Hugo, de broer van Hedwig Möller en zijn vrouw Fina.

 

Dagritme

In alles was het huishouden heel stipt. Het ontbijt was iedere morgen stipt om 07.00 uur. Tijdens het ontbijt werden vaak boekweitpannenkoeken gegeten. Daarin werden volop eieren verwerkt. In de herfst waren er vaak pannenkoeken met appels uit eigen tuin. Ook waren er regelmatig gebakken aardappels met spek. Om 08.30 uur moest iedereen naar de kerk en daarna naar de St. Jozefschool. De oudere kinderen, die nuchter moesten blijven omdat ze ter communie gingen, kregen een pakje brood mee dat ze op school mochten opeten.

 

Eten

Elke middag om 12.00 uur blies de textielfabriek het etensuur. Dan wist iedereen dat er warm gegeten kon worden. De familie at steeds warm om 12.15 uur. Om de beurt moesten ze de tafel dekken en afwassen. Als de kinderen daarna naar school gingen kregen ze vaak een handje rozijnen uit de grote voorraadton uit de kruidenierswinkel. De gasten kregen stipt om 18.00 warm eten.

 

Voor moeder Hedwig was de dagelijkse warme maaltijd een heel werk. Ze kookte ’s middags voor het gezin en ’s avonds weer voor de gasten. Daarbij moet je bedenken dat alles dag in dag uit weer opnieuw moest worden klaargemaakt. Het bewaren van eten was nauwelijks aan de orde. Koelkast of diepvries was niet voorhanden. Alleen een kelder maar daar waren de omstandigheden ook niet optimaal. Groenten werden ingemaakt in stenen potten met een natte doek er over. Dan bleven ze langer vers. De boter was gezouten om bederf tegen te gaan. Zuurkool werd bewaard in een vat of in Keulse potten. Wel hadden ze iedere dag verse melk. Daar kwam melkboer Slotboom mee langs de deur. Hij bracht iedere dag 10 liter. Door het snelle scheppen met de literkan kwam je, per liter, altijd wat te kort. Daarom kreeg je na de tiende liter altijd nog een schepje na.

 

Door de week kwam er meestal een stuk verse worst, klapstuk of een karbonade op tafel. Dat vlees werd, net als het kalfsvlees, altijd gehaald bij de eigen slager Adolf Meijler aan de Misterstraat 44, maar voor een goed stuk worst en vleeswaren gingen ze altijd naar spekslager Te Roller,eveneens aan de Misterstraat 8. Bij buurman Pecht en Snijders kwamen ze nooit. Die hadden in de ogen van Gerhard Kwak niet de juiste kwaliteit. Alleen in noodgevallen mochten ze, voor een onverwacht aangekomen gast, een stuk rundvlees bij Pecht halen.

 

Vaak stond er ook kippenvlees op het menu. Dat kwam vooral door de grote hoeveelheid kippen die door Gerhard werden gefokt. Hij was zelfs in het bezit van twee broedmachines om de eieren uit te broeden. De kippenstapel telde vaak meer dan 200 kippen. Deze activiteiten zorgden toen voor extra verkoop in de winkel, maar later ook voor extra inkomsten toen het hotel was verkocht. De eieren werden toen aan een Duitse opkoper verkocht. Na een maand of twee werden de kuikens bekeken en de mannetjes van de vrouwtjes gescheiden. De hennetjes mochten opgroeien en voor eieren zorgen maar de haantjes werden geslacht. Iedereen kreeg dan een heel haantje op zijn bord. Het slachten en plukken deed Gerhard zelf. Het bakken gebeurde door Hedwig en die serveerde de haantjes met appelmoes en sla. Ook werd er vaak kippensoep gegeten. Als er een oudere kip gegeten werd zaten er soms nog hele eieren in.

 

Regelmatig was er wat betreft het fokken van kippen ernstig verschil van mening met schoonzoon Herman Forrer, volgens menigeen de expert, omdat hij een paar jaar pluimvee en pluimveeziekten had gestudeerd in Utrecht. In een latere briefwisseling wordt dit gegeven nog een keer op een pijnlijke manier aangekaart.

Het was de Duitse firma Weck die rond 1900 een compleet ‘thuis-weckpakket’ op de  markt bracht. Het bestond uit  glazen flessen met deksel,  speciale rubberen sluitringen,  een weckketel met speciale houder om de hete potten er uit te halen en een thermometer die via een gat in het  deksel de temperatuur kon  opnemen. Dit pakket werd  zo’n succes dat de naam van de firma tot op heden wordt  gebruikt als de gebruiksnaam. 

 

Ook werd er veel van de rijke opbrengst van de moestuin ingemaakt. Verschillende groenten en vruchten werden meteen als ze rijp waren verwerkt. De kelder stond dus regelmatig boordevol weckflessen. Het was een manier van conserveren (steriliseren) van voedsel die vooral na de Eerste Wereldoorlog belangrijker werd. Dat werd veroorzaakt door de landbouw-huishoudcursussen die steeds vaker werden gehouden. Regelmatig moesten de weckflessen gecontroleerd worden. Dat gebeurde door heel voorzichtig aan het rubberen lipje van de afsluitring te trekken. Wanneer er meteen een gesis hoorbaar was of er een luchtbel ontstond dan moest de inhoud van de pot meteen gegeten worden om bederf te voorkomen. De ingeweckte voorraad was voor menig huisvrouw een rijk bezit. Het is heel aardig om te weten dat er nooit geweckt werd wanneer de huisvrouw of een van de andere meewerkende vrouwen ongesteld was. Bang als men was dat het wecken dan zou mislukken.

 

Visopvrijdag

Vrijdag was de vleesloze dag. Daar werd vanwege het katholieke geloof streng de hand aan gehouden. In het dorp was geen visboer. Meestal kwam de viskar langs. Daar kochten ze bakbokking compleet met hom en kuit. Ook aten ze veel schelvis en kabeljauw.

 

Eten op zondag

Het eten op de zondag was ingebed tussen de kerkdiensten. Soep was vast pandoer. Die werd getrokken van een stuk klapstuk van het rund. (klapstuk is het stevige vlees van de ribbenkast). De soep stond meestal achteraan op het fornuis op het sudderplaatsje. Groot voordeel was dat je dan ook voor de aankomende gast in het hotel steeds een stevige pot soep had staan. Natuurlijk ontbraken de soepballetjes niet. Er stond altijd appelmoes op de tafel en in de zomer was er sla als groente en in de winter kool uit eigen tuin. Gekookte aardappelen waren een vast onderdeel van de dagelijkse warme maaltijd.

 

Op zondag stond er in de zomer altijd kalfsvlees op het menu. Dat was de vaste zondagtraktatie. De kinderen waren er gek op. Vooral op het gare witte vet dat zich zo mooi van het vlees liet trekken waarna het opgegeten werd. De kinderen noemden het: ‘trekvet’. In de winter stond er vaak wild (haas,en konijn) op het menu dat door Gerhard zelf werd geschoten. Het wild werd daarna door hem zelf geslacht en klaargemaakt waarna Hedwig er in de keuken mee aan de slag ging. Met name de hazepeper was een van haar klassiekers. Als Gerhard op jacht ging en niet op tijd thuis was voor het eten dan werd de pan met zijn warme maaltijd in een deken gewikkeld en in het bed geplaatst. Dan bleef het lekker warm. Hedwig was een ware meesteres in het vervaardigen van toetjes. Er was variatie volop:

 

♦  Rijstepap van in de melk gekookte rijst.

♦  Jan in de zak: rijst met krenten en rozijnen in water gekookt.

♦  Griesmeel.

♦  Karnemelkse pap met pruimen en roggebrood.

♦  Sagopap met suiker.

♦  Custardpap of pudding.

 

De puddingen die na het koken opstijfden werden meestal geserveerd in een schaal in de vorm van een halve varkenskop. Vaak werd er uit de winkel een kan met ingedikt zwarte bessensap gehaald om het toetje extra lekker te maken.

Thuisvermaak

 

Tijdens de grote feestdagen werden er veel spelletjes gedaan en er werd regelmatig gekaart. Er werd gespeeld om centen. De grootste atttractie daarbij was pinda’s eten. Die werden in een grote schaal op tafel gezet en iedereen dopte zijn eigen pinda’s. De bekende spelletjes waren: Winterswijks pandoeren, zwarte Peter trekken, dobbelen en kruisjassen. Ook werd er veel gelezen. De feestdagen werden uitbundig gevierd. Vooral de festiviteiten rond Pasen en de Kerst waren belangrijk . Uiteraard met kerkbezoek maar ook met de daarbij horende tradities. Een ware traktatie op feestdagen en verjaardagenwas de bowl. Een mix van wijn en vruchten die werd opgediend in een prachtige gegraveerde schaal met bijbehorende glazen kopjes. De vruchten kwamen in de zomer zo uit de tuin en werden vaak aangevuld met ingemaakte vruchten. De kinderen waren er gek op, waarschijnlijk vanwege  de wijn die de drank net dat beetje extra gaf.

 

Uitgaan

Wanneer het gezin voor speciale gebeurtenissen uitging, zoals destijds naar de bruiloft van Mientje Peer, dan kregen alle kinderen een nieuwe witte zakdoek. Dat hoorde zo volgens Gerhard. De kinderen gingen vaak met moeder Hedwig naar Arnhem. Hedwig was als ‘stadse’ dol op Arnhem. Bij gelegenheid ging ze dan ook met de meisjes naar Arnhem om er kleren te kopen. Voornamelijk bij C&A. Dat was nog enigszins betaalbaar. Ze vertrokken dan om 06.15 uur met de trein. Nel vertelde ook dat ze op een keer naar de Indische Tentoonstelling (ITA) waren geweest. Die werd in Arnhem in Sonsbeek gehouden. Zo konden ze kennismaken met het leven van Paul die toen al in Nederlands-Indië werkte.

 

De jongelui gingen vroeger dansen in het parochiehuis. Ook gingen ze naar dansles. Niet naar de Joodse leraar Meijler, want dat kon je als goed katholiek natuurlijk niet maken. Ze gingen naar een katholieke dansleraar. Het dansen gebeurde veel bij Wamelink. Ook toen waren de ondeugendheden niet van de lucht. Zo is bekend dat Agnes door het verschil in leeftijd pas om 24.00 uur thuis moest zijn. Wel was ze verplicht de jongere Nel om 23.00 uur naar huis te brengen. Die mocht niet alleen over straat. Veel hielp het niet want die vertrok via de achterdeur weer net zo hard naar het dansfestijn. In die zin is er dus weinig veranderd met de gehoorzaamheid.

 

De controle op vriendjes door Gerhard was heel streng. Als ze op bezoek kwamen dan zat hij meestal achter de krant waar hij met zijn sigaret een gaatje in gebrand had. Dan kon hij het stel in de gaten houden. Ook was het algemeen bekenddat hij brieven van Agnes naar vrijer Wim eerst stiekem las. Hij wilde controle over alles.

De kolk bij Den Helder als zwembad

 

Zwemmen

De jongens gingen altijd zwemmen in de ‘Slingebeek’ en ‘de Puls’, een kolk in Winterswijk. Deze kolk was toen het bassin voor het voedingswater van de locomotieven van de Hollandse IJzeren Spoorweg Maatschappij (HIJSM). Ook zwommen ze vaak achter de watermolen in Den Helder. Die kolk was sinds 1910 in gebruik als een soort zwembad. Om het bad was een schutting geplaatst om de baders voor nieuwsgierige voorbijgangers te beschermen. Het zwembad was eigenlijk bedoeld voor arbeiders. Voor hen was het de enige, voordelige, plek om eens helemaal schoon te worden. De leiding van het bad was in handen van de Winterswijkse Zwemvereniging (WZV). In de loop van de jaren kwamen er problemen. Het bad werd te klein en er waren te weinig badhokjes. De toestroom van badgasten was vaak zo groot dat het zelfreinigende vermogen van het beekwater niet meer voldoende was. De gemoederen liepen soms hoog op als het om het zwemmen bij den Helder ging. Zo zei de voorzitter van de gemeenteraad, burgemeesterG.A.van Nispen:

“Het is toch in strijd met de zedelijkheid, dat men daar (bij Den Helder) zo naakt rondloopt.”

Hij was eigenlijk van plan het zwemmen op een goede dag te verbieden. Hij steunde daarbij mede op een rapport uit 1916 dat vermeldde dat gezien de gevoelens ter plaatse het baden en zwemmen voor het vrouwelijke geslacht volkomen uitgesloten zou zijn.

 

Schaatsen

Schaatsen was in de winter een favoriet tijdverdrijf. Wanneer je de verhalen dan ook hoort dan waren de winters een stuk kouder dan nu met de opwarming van de aarde anno 2008. Die verhalen zullen ook te maken hebben met de niet geïsoleerde huizen. Daar waaide de wind door de kieren en spleten en van centrale verwarming was nog geen sprake. Met een kruik naar bed was weelde en de regel wanneer het extra koud was. Door de sneeuw en de vrieskou raakten hele dorpen en buurtschappen geïsoleerd en het kwam regelmatig voordat oren, neuzen en vingers bevroren raakten. Met name de winter van 1942 was een absoluut record. Toen werd in Winterswijk op 27 januari de koudste temperatuur van Nederland gemeten. Althans voor zover het waarnemingen van het K.N.M.I. betreft. Het vroor toen maar liefst 27,4°C.Daarnaast telde deze winter 46 vorstdagen en maar liefst 28 ijsdagen.

Schaatsen konden de kinderen op een ondergelopen stuk land De Morse genaamd. Deze ijsbaan lag achter hotel Germania. Op drukke dagen werd daar door vader Gerhard ook koek en zopie verkocht. Vanwege zijn werk met de koek en zopie mochten zijn kinderen daar gratis schaatsen. De opgave  voor de wedstrijden en de prijsuitreiking vonden in Hotel Germania plaats.

 

Foto beneden: Reclame in de courant voor het ijsfeest.

De kinderen gaan het huis uit

Naarmate de kinderen ouder werden gingen ze één voor één het huis uit. De meisjes gingen uit werken in de huishouding of bij een hotel. Dat gebeurde vaak al heel vroeg. Zo is bekend dat Agnes al op 12-jarige leeftijd uit werken werd gestuurd. Dat was volgens Gerhard niet meer dan normaal. Meisjes moesten werken. Ze vertrokken allemaal in de richting van Arnhem. Vermoedelijk omdat moeder Hedwig daar de beste families en gezinnen voor de kinderen kon vinden. Het was de dichtstbijzijnde grote stad. Daar trok iedereen uit de Achterhoek vaak naar toe. Bij de sollicitatie ging Hedwig altijd zelf mee. De zoons daarentegen moesten allemaal een eigen zaak hebben. Dat gaf, in de ogen van Gerhard een bepaalde standing. Daarbij zou de oudste, Paul, het hotel overnemen. Uiteindelijk kwam daar kwam niets van terecht, omdat Paul niet met zijn vader kon samenwerken. Paul ging zijn eigen weg en trad in dienst bij de Bataafse Petroleum Maatschappij (BPM). Hij maakte kennis met de olieboorders die in het buitengebied van Winterswijk naar gas en olie aan het boren waren. Deze boorders overnachtten onder andere  in HotelGermania.

 

familiefoto ter gelegenheid van het huwelijk van Otto en Cato in 1932:

Achter: Agnes, Karel, Gerrit, Nel.

Tweede rij: Herman Forrer [207] met Joop [209], Ida met Frits [212], Hetty, Maria, Otto & Cato Bolder [222] ,Paula, Mientje Peer [387] en Paul met Willy [390].

Zittend: Gerhard Kwak & Hedwig Kwak-Möller.

 

De andere jongens werden naar bazen gestuurd waar ze het vak konden leren. Otto vertrok naar Lichtenvoorde en ging werken bij het transportbedrijf Dusseldorp. Hij kwam in 1926 weer naar huis om een fietsenzaak naast het hotel te beginnen. Gerrit werd slager en werkte achtereenvolgens in Lichtenvoorde, Gaanderen, Pannerden en Zaltbommel. Hij begon in 1934 een slagerij schuin tegenover het hotel. Karel ging uiteindelijk werken bij de Tricottextielfabriek.

 

Naar later bleek heeft Gerhard vrijwel iedereen geholpen met een financiële ondersteuning. Het resultaat was dat hij op latere leeftijd zelf geen cent meer over had en door enkele kinderen werd ondersteund met een paar gulden per week. De meeste kinderen hadden daar echter geen geld voor omdat ze zelf niets hadden. In de laatste jaren voor de Tweede Wereldoorlog werd Gerhard stevig ondersteund door zoon Paul. Deze maakte geld over vanuit Nederlands-Indië. Het was wel de bedoeling dat een deel van dat geld uiteindelijk terugbetaald zou worden. Er zijn door Gerhard, onbedoeld, grote missers gemaakt in de manier waarop hij de kinderen hielp. Met name de ‘regelingen’ rond de hypotheek op het hotel leidden in latere jaren tot forse ruzies in de familie.

Femielie

 

Webmaster Gerhard Kwak

 

Website van de Achterhoekse & Twentse families Kwak, Elschot, ten Thij en Goossen.

 

Neem contact op met:

 

Adres: Wielseweg 3-57, 3896 LA Zeewolde

Email: g.kwak@kpnmail.nl

 

© 2018 - 2020 Gerhard Kwak, Zeewolde.  All Rights Reserved