Hotel Germania

Hotel Adlerhof / Germania

Advertentie verkoop Adlerhof 1907

Onder de boog hotel Germania 1898. Ereboog ter gelegenheid van de kroning van koningin Wilhelmina.

winkels in Winterswijk in 1910:

 

15 slagers

33 bakkers

52 kruidenierswinkels

8 barbiers

15 klompenmakers

3 zadelmakers

3 Hotel-enstalhouders

14 manufacturiers

21 kleermakers

13 schoenmakers

2 sigarenmakers

17 IJzersmeden

17 schilderspatroons

6 horlogemakers

32 aannemers

7 fietsenmakers

Einde van de werktijd bij de Tricotfabriek in Winterswijk. 

Dochter Nel Beenink-Kwak bleek een onuitputtelijke bron bij het beschrijven van hotel Germania (foto 1934)

Maedler passage Leipzig

Kruidenierswinkeltje Orvelte

Oude grammofoon

Het huidige golfbiljart heette  vroeger Russisch biljart. Het spel wordt gespeeld door twee spelers die ieder beschikken  over vijf ballen. Het is de  bedoeling om

de vijf speelballen in het tegen-overliggende gat van de tegenstander te spelen.

Nieuwe riolering en water in 1922

Oud kolenfornuis

Koetsiersglaasjes

Advertentie

Nieuw Winterswijksche Courant

13 augustus 1929

Adlerhof was één van de drie hotels annex stalhouderijen in Winterswijk. De eigenaar was H.H.Willemsen. De vergunning van dit hotel is aanwezig sinds 1 mei 1881. Na het overlijden van Willemsen werd de zaak voortgezet door zijn weduwe Bernardina Geertruide Hilbers. Later kreeg dochter Gerarda Hendrika Willemsen de vergunning.

 

De eerste aanzet voor Adlerhof was de bouw van een woonhuis aan het Weurden. De eerste aantekening (5maart1885) in de kadastrale gegevens van Winterswijk betreft de aanvraag voor de verandering van de dakgoot van deze woning door de eigenaresse de weduwe H. Willemsen-Hilbers. De tweede aantekening zien we op 1 maart 1890. Dan verzoekt de weduwe om naast de woning, op de plaats van een oude schuur, een tweede woning te mogen bouwen. Dat wordt toegestaan. Een paar jaar later komt het pand, zoals Johannes Gerhard Kwak het kocht, tot stand vanwege een grootscheepse verbouwing. De weduwe laat namelijk de beide woningen tot één geheel maken door het plaatsen van een volledig nieuwe voorgevel. Oorspronkelijk bestaat het hotel, zoals wij het kennen, dus uit twee aparte van elkaar gescheiden woonhuizen te weten: Weurden 41 en Weurden 43. Na de verbouwing is daar aan de buitenkant niet veel meer van te zien dan dat er twee ingangen zijn.

 

Gezicht vanaf de Wooldseweg. Het witte pand aan het einde van de weg in het midden is hotel Adlerhof.

 

In de kadastrale gegevens van 15 mei 1893 staat dat de weduwe Willemsen is overgegaan tot de stichting van een woon- annex koffiehuis. In de linker helft van het pand op Weurden 43 komt het koffiehuis, dat uitgroeit tot een klein hotelletje en op Weurden 41 is het woonhuis met aan de rechterkant de stalhouderij. Jaren later besluit Gerarda Hendrika Willemsen over te gaan tot de verkoop van het pand. Adlerhof wordt dan aangeboden in de Winterswijkse courant op 22 juli en 5 augustus 1907. De advertentie vermeldt onder andere dat het gaat om een, enkele jaren geleden, nieuw gebouwd hotel en café op goede stand. Achter de statige voorgevel bevinden zich, volgens de advertentie, twee nette woningen, een flinke stalling, een grote tuin en een weiland. Samen groot 38.03 aren. Het pand heeft een grote gelag- en biljartkamer, zitkamers, keukens en kelder. Boven bevinden zich totaal negen kamers en een grote zolder.

 

Niet veel later lezen we in de krant dat de verkoop is aangehouden. De reden daarvan is onbekend maar het is niet onmogelijk dat Gerhard heeft aangegeven het pand wel te willen kopen maar dat hij heeft aangegeven de woning ‘vrij van huur’ te willen betrekken. Uit de advertentie blijkt namelijk dat er in het pand nog een medehuurder aanwezig was. Op 12 oktober 1907 vertrekt Gerhard Kwak met zijn gezin uit Bocholt en huurt Hotel Adlerhof. Het hoteladres is: Winterswijk A501. Later wijzigde het adres in A 645. Tegenwoordig is het adres: Weurden nr. 41 in Winterswijk. De oppervlakte van de grond besloeg de hele hoek van het Weurden en de huidige Huininkmaatstraat. Deze laatste straat was er overigens toen nog niet. Het pad dat er lag heette toen de Morsesteeg.

 

De definitieve aankoop van het hotel en de bijbehorende gronden vindt plaats in 1913. Dat blijkt uit de kadastrale legger 5792 van Willemsen. Het betreft de nummers J1991 (weiland), en de beide huizen K2152 en K2225. Hij wijzigde meteen de naam in hotel Germania. Wellicht uit eerbetoon aan zijn Duitse periode of als eerbetoon aan het geboorteland van zijn vrouw.

 

Economische situatie

Het aankopen van de Adlerhof was toen, economisch gezien, geen gekke al te gekke stap. Winterswijk was een overwegend agrarische gemeente maar bezat belangrijke industriële activiteiten. De plaats was in die jaren het middelpunt van spoorlijnen naar alle streken. Er waren spoorverbindingen met Enschede, Zutphen en Arnhem en met Essen en Bocholt in Duitsland. Er woonde veel personeel van de spoorwegen en de grens was niet echt een barrière. Er was een bloeiende textielindustrie. Alleen daarin al werkten meer dan 1000 mensen. Daarnaast waren er elf korenmolens, machinefabriek Nijhuis, ettelijke houtzagerijen, een exportslachterij voor varkens en zes steenfabrieken. Ook was er een bloeiende handel in ‘mijnhout’. Dat zijn houten balken waarmee de mijngangen werden gestut. Daarnaast werd er in de buitengebieden gezocht naar kolen, zout en olie. Al deze activiteiten maakten de economische vooruitzichten van Winterswijk aantrekkelijk. Het inwonertal was sinds 1890 enorm gegroeid en er woonden op dat moment ongeveer 10.000 mensen. Mede door de sterke groei had de middenstand zich behoorlijk uitgebreid en was er zeker ook behoefte aan goede logementen en hotels.

 

De meest bekende winkelstraten zijn: de Wooldstraat, de Misterstraat, de Ratumsestraat en de Meddosestraat. De straten komen samen op het centrale marktplein waar deJacobskerk staat. In het verlengde van de Wooldstraat ligt het Weurden waaraan hotel Adlerhof is gelegen. De hoofdstraten worden onderling verbonden door ‘gängskes’ (gangetjes), smalle paadjes waardoor je snel van de ene naar de andere straat kon komen. In de avonduren waren deze straatjes heel geliefd bij vrijende stelletjes. Veel van de handwerkslieden oefenden een deel van hun werk aan de straatkant uit en dat verlevendigde het beeld nogal. Er was bedrijvigheid genoeg. ’s Morgens vroeg al de fabrieksarbeiders die naar hun werk gingen en later op de ochtend de dienstmeisjes, klerken en schoolkinderen. Afgewisseld met een bonte mengeling van slagersknechten, de kolenboer, de olieman, de bakker met zijn kar en de melkboer. 

De Eerste Wereldoorlog

Niet lang na de aankoop van hotel Germania raasde de Eerste Wereldoorlog over Europa. Op 28 juli 1914 kwam het bevel van de algehele mobilisatie van het Nederlandse leger. Alle kerken luidden toen om drie uur ’s middags de noodklok. Vanuit het hele land vertrokken de dienstplichtigen naar hun mobilisatiebestemming. Iedereen was doodsbang. Europa werd als het ware overspoeld met oorlogsverklaringen en mobilisaties.Gelukkig werd Nederland niet in het geweld betrokken maar door de oorlog werd het maatschappelijke verkeer in de hele Achterhoek totaal ontwricht. Eerst werden de landsgrenzen volledig afgesloten maar die werd na een aantal dagen toch weer geopend om de Nederlandse grensgangers die in Duitsland werkten door te kunnen laten. Dat verkeer nam alleen nog maar toe, want door het aantal opgeroepen soldaten en ook gesneuvelden aan Duitse kant nam de vraag naar arbeids krachten sterk toe.

Volgens zijn kinderen had Gerhard in de oorlog nog redelijk goed geboerd. Ondanks alle perikelen had hij de moed niet laten zakken en op alle mogelijke manieren zaken gedaan. Hij verkocht drank en rookwaren, handelde in fietsen en naaimachines, fokte kippen en verkocht kippeneieren. Hij pakte alles aan als het maar geld opbracht. Hij had zelfs een nieuwe danszaal laten bouwen achter zijn hotel op de plaats van het terras. Toen de grenzen na de oorlogofficieel weer open gingen bezocht hij eens per jaar de Messe in Leipzig om inspiratie op te doen. Hij bracht dan altijd kleine cadeautjes mee voor de kinderen.

 

Kruidenierswinkel

Eén van de ideeën, zo lezen we in de kadastrale gegevens van Winterswijk was het inrichten van een kleine kruidenierswinkel. Op 30 juli 1913 vroeg hij om dat te realiseren een vergunning aan om het rechter gedeelte van het pand (Weurden41) te mogen verbouwen tot winkel. Omdat hij in zijn pand ernaast een café exploiteerde, kreeg Gerhard van de gemeente te horen dat de verbouwing zodanig moet gebeuren dat winkel en café binnenshuis ‘geen gemeenschap hebben’ zoals zo mooi staat vermeld in de bouwaanvraag. De horecavergunning stond dat namelijk niet toe. De bouw werd gerealiseerd door werkbaas G. te Brummelstroete. Om voldoende ruimte voor de winkel te maken werden de twee kleine kamertjes in het voorhuis en de daarnaast gelegen stukken gang aan elkaar getrokken. In de winkel die zo ontstond ging Hedwig kruideniers- en aanverwante waren verkopen. Een ruim begrip want ook de Singernaaimachines werden geshowd. De klanten kwamen binnen door de rechter voordeur. Erg lang heeft deze winkel echter niet bestaan. Niet zo vreemd gezien de meer dan 50 kruideniers die Winterswijk toentertijd telde. Omstreeks 1923 werd de winkel opgeheven en werd er een sigarenzaak van gemaakt.

 

Hotel

Ook het hotelgedeelte van het pand op Weurden 43 kwam aan de beurt want nog geen jaar later vroeg Gerhard een vergunning voor het aanbouwen van een zaal achter de slijterij. Op dat moment lag daar een veranda maar die werd een aantal meters naar achteren geschoven. Op die manier ontstond er een nieuwe zaal van bijna 40 m². Buiten de zaal, op de plaats van de oude plee, kwamen tegelijkertijd nieuwe toiletten. Ook werd de bestaande keuken veranderd. De kast en een stukje gang werden afgebroken en de hele keuken werd naar rechts verplaatst. Daardoor kon de bestaande gang vanaf de ingang van het café worden doorgetrokken naar de nieuwe zaal achter.Op 12 mei 1914 kreeg hij de vergunning zodat het horecagedeelte veel beter kon functioneren. Achter de zaal kwam tevens een kegelbaan.

Het hotel van Gerhard en Hedwig had verschillende ingangen. Midden in het pand, de linker deur, was de hoofdingang van het hotel en het kleine sigarenwinkeltje. Rechts daarvan bevond zich de ingang van het kleine kruidenierswinkeltje. Dit winkeltje had aan de rechter zijkant, waar tegenwoordig de speelgoedwinkel zit, nog een ingang. Aan de linkerkant van het hotel, in het steegje was de ingang naar de slijterij.

 

Door de hoofdingang kwam je in de hal. Links was de deur naar het café en rechts de deur naar de sigarenwinkel. Achterin rechts was de grote brede trap naar de bovenverdieping. Naast de trap was de kapstok voor de gasten. Daarnaast hing een grote spiegel zodat de gasten zich nog even konden soigneren alvorens naar binnen te gaan. Achterin in de hal was de deur naar de grote keuken. Oorspronkelijk was deze ruimte de mooie kamer. Toen deze verbouwd werd tot de grote hotelkeuken, het domein van moeder Hedwig, werden de aanwezige meubels grotendeels weggegooid. Gerhard was namelijk compleet door de bank gezakt vanwege de houtworm.

 

De inrichting

De gelagkamer was groot en ruim en had aan de straatzijde hoge ramen. De wanden hadden een eikenhouten lambrisering en op de tafeltjes lagen kleine rode wollen tafelkarpetjes. De vloeren waren van hout en moesten regelmatig geschrobd worden. In het midden tegen de achterwand stond een oude staande Philipsgrammofoon. Het was een lichthouten kast met een grote koperen hoorn. De hoorn werd regelmatig door de kinderen gepoetst. Onder de grammofoon was een kast waar de oudere schellakplaten worden bewaard. Op één ervan werd alleen maar gelachen. Die werd vaak gedraaid om de stemming er in te brengen. 

 

Midden in de gelagkamer stonden twee biljarts. Een gewoon biljart met drie ballen en het Russisch biljart. De warmte kwam van een grote houtkachel in de rechterhoek. Hij stond wat van de muur af waardoor de afvoerpijp van de schoorsteen een stuk langs de zolder liep zodat de warmte niet meteen verloren ging. Vlak naast de kachel stond ook de piano.

 

Eetzaal

Achter de gelagkamer lag de buffetzaal. De zaal werd meestal gebruikt om te eten. Er stond aan de rechter kant een grote ronde stamtafel met daaronder in het midden een spuugbak, met een witte rand, voor de pruimers. Beide zalen waren van elkaar gescheiden door grote schuifdeuren. Als ze open waren ontstond er op die manier één grote zaal. Ook hier was de vloer van hout. In de achterste hoek links meteen achter het buffet, was de plaats van het kantoortje van Gerhard, daarnaast lag de slijterij. In de buurt van de slijterij was ook de telefooncel.

 

Kegelbaan

Door de achterdeur bij de slijterij bereikte je de kegelbaan. De baan was overdekt en gesloten aan de kant van buurman slager Snijders. Aan de kant van de tuin was de baan open en konden de spelers de tuin inkijken. Er werd gespeeld op een zandbaan met houten ballen van ongeveer 15 cm doorsnee. Deze ballen lagen in grote bruine manden. Er werd geworpen op houten kegels. In de winter werd de baan niet gebruikt en lagen de ballen en de kegels op zolder. Later is van de kegelbaan een volière gemaakt. Daar zaten niet alleen allerhande vogels in maar ook de duiven van Paul. Toen Paul naar Nederlands-Indië vertrok nam zijn broer Gerrit de duiven onder zijn hoede. Ze vormden later de basis voor diens successen in de duivensport. Dwars achter de kegelbaan stond de garage.

 

Keuken

Op 6 mei 1914 kreeg Gerhard vergunning om het pand achter de schermen te moderniseren. Met name de keukenpartij werd toen aangepakt. Er ontstond een nieuwe gang, keuken en een privaat. In de vergunning staat die omschreven als: Een privaat van steen ingericht met een tonnenstelsel groot 0.70 bij 1.00 meter. De ontlasting (uitloop) van het privaat had plaats door een trechter in een ton. Water was volgens de vergunning beschikbaar via de aanwezige welput. Op de vergunning staat dat het water geschikt is voor wassen en drinken. Toch werd de put niet voor drinkwater gebruikt. Dat werd op het Weurden, in de richting van het dorp, gehaald. Daar hadden ze wel een bron met veel beter drinkwater, maar ook dat was betrekkelijk, want het water dat werd opgepompt kwam van een diepte van 3 tot5 meter. En die kwaliteit liet nogal te wensen over. Zo was het bekend dat er duidelijke smaakverschillen waren tussen de verschillende pompen. De pompen bijvoorbeeld dicht in de buurt van de ‘stinkbaeke’ (Whemerbeek) waren niet geliefd. Deze beek stroomde langs de textielfabrieken van Meijerink en Poppers, langs de achterkant van de huizen aan het Weurden en langs leerlooierijen. Het water was dus vaak allesbehalve helder. Dat blijkt ook wel uit de verhalen van Nel die vertelde dat de put achter het hotel, tussen de eetzaal en de wc’s alleen gebruikt mocht worden voor de haren en om de was te doen of te schrobben. Toen Nel ca. 7 jaar (1922) was kwam er waterleiding. In het hele dorp werden toen de leidingen aangelegd. Een hele verbetering.

 

De bevoorrading van de gasten geschiedde vanuit de keuken. De keuken was het domein van Hedwig Kwak. Jarenlang hielp haar achternichtje Fransisca mee in de huishouding. Die sliep boven in het naaikamertje bij de mangel ( een ouderwetse strijk-machine). Ze kwam uit Duitsland. Als de kinderen een boterham wilden hebben moest dat in het Duits gevraagd worden. “Francisca bitte ein Butterbrot“. (Francisca alsjeblieft een boterham).

 

Er werd gekookt op een groot ouderwets kolenfornuis. Omdat er toen natuurlijk nog geen koelkast was, werd het vlees voor de gasten vaak pas gehaald wanneer er besteld werd. Soep was wel altijd voorhanden. Deze pan stond vrijwel de hele dag op het vuur. Hedwig kookte op een zogenaamd circulatiefornuis. Daarin werd de hete lucht niet meteen afgevoerd door de pijp maar werd tussen de dubbele bovenplaat en de wanden door geleid. Daardoor werd de hitte veel beter benut. In het fornuis werd met kolen, cokes of hout gestookt. In de keuken stond naast het fornuis een kistje waarin allerlei brandbaar afval werd gelegd zoals lege lucifersdoosjes en afgebrande lucifers, notendoppen, overtollig bakvet en houten sigarendoosjes. Deze inhoud werd gebruikt wanneer de kachel op een bepaald moment even harder branden moest. Het temperen van het vuur gebeurde met aardappelschillen en koffiedik. De eerste hadden als voordeel dat daarmee de schoorsteen mooi schoon brandde. Tijdens het koken werd een pan al naar gelang de behoefte aan hitte over de gladde bovenplaat van het fornuis heen en weer geschoven. Voor het koken van water waren er speciale ketels die precies in de ringen pasten en daardoor nog beter van de aanwezige hitte gebruik maakten.

 

In 1931 werd de keuken weer verbouwd en kreeg Hedwig een nieuw elektrisch fornuis, maar ze kon absoluut niet met de moderne kachel overweg. Na een week moest het oude kolenfornuis er weer in. Het gloednieuwe fornuis verhuisde naar de keuken van Cato Kwak de vrouw van Otto. Daar werd het volgens haar zoon Fred in 2008 nog steeds gebruikt.

 

Huistelefoon

Het hotel had een eigen huistelefoon. Die was gemaakt van een soort gasslang waaromheen katoendraad was gewikkeld. Deze slang had aan het begin en het eind een trechtertje, dat afgesloten was met een stop en liep van de grote woonkeuken naar achter het buffet. Er werden verschillende signalen gebruikt om berichten door te geven zoals: 1 x fluiten voor het bestellen van koffie of eten, 2 x fluiten betekende dat je met iemand wilde praten en 3 x fluiten gaf aan dat Gerhard meteen moest komen. Vaak trokken de kinderen de stop er uit om stiekem mee te kunnen luisteren.

 

Slijterij

Tussen het hotel en de linker buurman slager Snijders was vroeger een klein steegje. Daar was de deur naar de slijterij. In de slijterij kon alle drank los verkregen worden. Ook stond er een kleine ijzeren bank waarop de ‘vermoeide bezoeker’ kon plaats nemen om even een neut te pakken. Deze neut werd geschonken in een klein glaasje zonder voet. Neerzetten was dus niet mogelijk en zo bleef je niet te lang zitten. Onderwijl werd wel, vaak stiekem, de platte heupflacon bijgevuld.

Schilderij van de jager die begraven werd.

 

Achter de slijterij lag een opkamer waar allerhande benodigdheden voor het café werden bewaard. Hier was ook de trap naar de bierkelder, waar de vaten bier werden opgeslagen. Achter de slijterij lag het kleine kantoortje van Gerhard. Daar stonden de geweren, want hij was een gepassioneerd jager die vaak het maal van gasten en gezin bij elkaar schoot. In de gang naar de slijterij hing een schilderij van een jager die begraven werd. Alle dieren uit het woud liepen er omheen. Het is vermoedelijk verdwenen aan het eind van de Tweede Wereldoorlog. De Organisation Todt nam toen het hotel in beslag en deed de inventaris van het hotel in opslag. De betekenis en de voorstelling op het schilderij is met veel hulp van Carla Wailand-Kwak achterhaald. Carla is de dochter van zoon Otto en woont al jaren in Wenen (Oostenrijk). Volgens haar is het schilderij een voorstelling van een Oostenrijks sprookje waarin de dieren uit het bos de overleden jager begraven. Ze doen hun best om zich treurig te gedragen maar daar komt, uiteraard, niet al te veel van terecht. Componist Gustav Mahler (16801911), die zijn symfonieën graag baseerde op verschillende soorten literatuur waaronder sprookjes, gebruikte dit thema in zijn Eerste Symfonie. Het deel is grotendeels gebaseerd op het liedje ‘Vader Jacob’ maar dan in mineur.

Winkeltje in Museum Freriks Winterswijk 2008

In het begin van 1900 kostten onderstaande artikelen per pond (500gram), zoals toen werd gezegd, een fractie van wat we nu betalen.

 

Roggebrood 0,045

Gruttemeel 0,07

Rijst 0,08

Koffie 0,50

Kaas 0,40

Spek 32,5

Bruinebonen 0,10

Zout 0,04

Melk 0,14 (liter)

Boter 0,12

Suiker 0,06

Dooslucifers 0,01

Groenezeep 0,02

Petroleum 0,10 (liter)

Museumdorp Orvelte in Drenthe

Buitenschild van Beukenhorst Koffiebranderij

Chinezen, ‘pindachinezen’  zoals ze toen werden genoemd,  waren in de jaren 1920 werkzaam in de grote steden. Het  waren voormalige schepelingen die in Nederland waren achter gebleven. Ze verrichtten  zwaar en smerig werk als  stoker, tremmer (steenkolensjouwer) of matroos.  Toen in de dertiger jaren de economische crisis uitbrak  zaten ze ineens zonder werk.  Om toch aan geld te komen  verkochten ze pindakoekjes  buiten op straat. Vanuit een trommel of vanaf een  plank die ze voor hun buik droegen. De koekjes waren  gemaakt van gebrande pinda’s  die door gesmolten suiker  werden gemengd. Nadat ze waren plat gestreken en afgekoeld werden ze direct  verkocht.

De pindachinezen  prezen hun waar

aan met de kreet:  “Pinda, pinda, lekka, lekka!”

Voetstoof. Museumboerderij Eungs Schoppe Markelo.

Rabauwappels

Winkel

Bij binnenkomst tinkelde een belletje. Het winkeltje was klein engesitueerd in de voormalige huiskamer, de gang en een tussenkamer. Hier werden eenvoudige huishoudelijke zaken en etenswaren verkocht. De winkel had schappen langs de muren. Op deze schappen stonden open bakken met daarin onder andere krenten, rozijnen en dergelijke. Met een grote schep werd daaruit geschept. De kinderen kregen vaak van moeder Hedwig een schepje uit een van de bakken als ze naar school gingen. In de winkel werd ook blanke stroop uit het vat verkocht. In het midden stond een houten toonbank. Er werden meel, zout, zeep, gedroogde zuidvruchten en koloniale waren als koffie, thee, rijst en specerijen verkocht. De klanten werden persoonlijk geholpen door Hedwig en er was altijd wel tijd voor een praatje. De meeste artikelen werden los verkocht waarbij de hoeveelheden per ‘ons’ (100gram), per pond (500gram) en per kilo werden afgewogen. Meestal werd er niet meteen betaald. De bedragen werden genoteerd in een winkelboekje en eens per week of per maand afgerekend. In de winkel was een trap naar de bovenverdieping. Onder deze trap stond de grote staande koffiemolen en was de deur naar de kleine keuken achter de winkel. Daar was ook een trapje naar de opkamer met daaronder een kleine kelder voor de voorraden.

 

Bovenverdieping

De bovenverdieping van het pand bestond uit twee delen. Het gedeelte boven de winkel aan de rechterkant van het pand en het deel boven het café en de zalen aan de linker kant. Je kon naar de rechter verdieping via de trap in de winkel. Dit deel telde drie kamers. Vanuit de kleine overloop kon je naar de kamer aan de voorkant. Dat was in eerste instantie de ouderkamer. Later werd het de kamer van Agnes en Hetty. Vanuit de overloop kon je ook naar een klein kamertje dat werd gebruikt als opslag voor de winkel. Vanuit dit kamertje kon je door naar de linnen- en mangelkamer. Hier lag al het linnengoed voor het hotel. Later was dat tevens de kamer van Paula. In deze kamer was een grote muurkast die later werd uitgebroken waardoor het linker deel van het hotel met de gastenkamers en de kamer van Gerhard en Hedwig nu ook bereikbaar was. Je hoefde toen niet, zoals eerst, via het centrale trappenhuis aan de kant van het café.

 

Het hotelgedeelte telde zeven kamers. Daarvan werden 5 kamers verhuurd. Aan de voorkant lagen vier kamers. Kamer 1 was de kamer van Paul en lag net naast de trap. Toen Paul eenmaal in Nederlands-Indië zat werden de kamers met nummer 1 en 2 een tijd lang verhuurd aan onderwijzer Overkamp. In hotelkamer 1 werd toen een klein keukentje geplaatst en de kamer diende tevens als woonkamer. Kamer twee werd toen gebruikt als slaapkamer voor Overkamp en zijn vrouw.

De kamers 2 tot en met 4 bereikte je via een lange doorlopende gang. Aan het eind van de gang was links een toilet. Dat was het model kakdoos met een houten zitplank en een deksel. De voorkant van de kakdoos moest je wegklappen zodat de ton met uitwerpselen verwijderd kon worden. Toen er eenmaal waterleiding was aangelegd kwam er op de gang, tegenover de wc, een fonteintje. De kamers aan de achterkant, kamer 6 en zeven, waren een stuk groter. Kamer zes bijvoorbeeld, de kamer midden achter, bevatte zelfs twee tweepersoons en een eenpersoons bed. Hier heeft schoondochter Mientje Peer, de vrouw van Paul, met de kinderen geslapen tijdens haar verlof van Nederlands-Indië. Op kamer zeven sliepen Gerhard en Hedwig.

Jaren daarvoor sliepen op kamer 6 een vijftal chinezen die als pindaverkoper de kost verdienden. Deze pindaverkopers aten niet mee in het hotel maar brouwden hun eigen kostje op een fornuis dat Gerhard buiten onder een afdak had geplaatst.

 

Zolder

Over het hele pand was één grote zolder. Die werd voor opslag gebruikt. Het dak lekte als een zeef en geld om te repareren was er niet. Overal stonden bakken en emmers op zolder om het regenwater op te vangen. Het legen van de bakken gebeurde via het zolderraam.

 

Koetshuis

Rechts naast het hotel lag het koetshuis met de stal. Daar werden in de eerste jaren de paarden en de rijtuigen gestald als de boeren en boerinnen op zondag ‘ter kerke’ gingen. Na aankomst moesten de boerinnen vaak plassen en dat gebeurde dikwijls gewoon in het gras naast de stal. Als het ’s winters koud was gebruikten de boerinnen voetenstoofjes waarin gloeiende kooltjes de voeten warm hielden. Die leverden ze in voordat ze naar de kerk gingen. De oudere kinderen moesten er nieuwe gloeiende kooltjes indoen zodat de boerinnen met warme voeten naar huis konden. Na de kerk bezochten ze dan het café voor een kop koffie en het zondagse borreltje. Koffie werd geserveerd in een gewoon kopje. In de luxe variant stond het kopje op een blaadje met een schaaltje suiker of klonten kandij en een kannetje room. De koffie kwam van koffiebranderij Beukenhorst. Gerhard bestelde per keer altijd 25 pakken.

 

Toen het koetshuis nauwelijks meer werd gebruikt woonde daar geruime tijd een arme en behoeftige familie Goorhuis, voor zover bekend, afkomstig uit het Woold, een buurtschap van Winterswijk. De vijf kinderen van het gezin sliepen bij elkaar in een klein kamertje. Toen Gerhard Kwak de bestemming van het koetshuis wilde veranderen in de latere fietsenzaak, van zoon Otto, zocht hij voor de familie een woning in het dorp.

 

Tuin

Het hotel had een grote tuin. Die liep door tot aan de Morsestraat die daar tegenwoordig ligt. De grootte bedroeg ongeveer 0,8 hectare (8000 m2). Halverwege werd de tuin doorsneden door een smal slootje en via een bruggetje kon je het achterste gedeelte bereiken. Dat deel was eerst een groot weiland maar werd later bij de tuin getrokken in het kader van het project ‘wandelpark' voor gasten. Het voorste gedeelte was mooi aangelegd met grote vijvers, twee ronde en een rechte. Ook waren er verschillende speeltoestellen als een rekstok, een draaimolentje en meerdere wipwappen. Tussen deze speeltuin en de achterkant van het huis stonden in de zomer tafeltjes en stoeltjes. Ook stond hier een grote eekhoornkooi. Er waren verschillende rozenbogen en een grote volière. Die stond er al dertig jaar. Op het achterste gedeelte bevonden zich verschillende fruitbomen: pruimen, perziken, appels, kersen en ook ‘Rabauwappels’ een soort goudrenet die vrijwel nergens in Nederland meer voorkomt.

Garage 1919

Overstroming Winterswijk 1929

Bedrijfsenveloppe

Foto links: achterste tuin / foto rechts tuin tegen het hotel aan.

 

Nieuwe plannen

Omstreeks 1919 kwam Gerhard alweer met nieuwe plannen. Het ging hem kennelijk voor de wind. We weten dat omdat er een akte is overgebleven die is opgemaakt bij notaris P.A. van Eekelen met betrekking tot een lening aan de hotel-en caféhouder Johannes Gerhard Kwak. Het betreft een lening van fl. 8000.-. die hij kreeg van Geziena Johanna Berenschot, weduwe van Hendrik ten Damme. Zij was landbouwster en woonde op ‘ten Damme’ in het Woold te Winterswijk. De hypotheek was ingeschreven ten kantore van hypotheken in Zutphen op 13-11-1920, deel 227, nummer 131.

 

Gerhard is heel wat van plan op deze schets van de nieuwe garage uit 1921. Van links naar rechts staat op de voorgevel: garage en op de zijgevel: benzine, motoren en rijwielen.

 

Aan deze hypotheek was als onderpand verbonden: het hotel en café op het Weurden met tuin uitkomende op de Eelinkstraat. (kadastraal: sektie K 3137 vermelding als huis en erf. Groot 7 are en 67 ca) en het woon- en winkelhuis met werkplaats, erf en tuin (kadastraal K 3138. Vermelding als huis, werkplaats en erf.Groot 3 are en 69ca). De rente bedraagt vijf procent per jaar en moet jaarlijks op 11 mei en 11 november worden voldaan.

 

Het staat vast dat hij met dit geld verdere uitbreiding van zijn bedrijf wilde bewerkstelligen. In het Winterswijks kadaster bevindt zich namelijk een aanvraag voor het realiseren van een stalling, autogarage en werkplaats. De tekening diende hij in op 11 juni 1919 in. Het oude koetshuis naast het hotel moest daarvoor gesloopt worden en er zou een gebouw van steen ‘gesticht’ worden. Volgens de opzichter gemeentewerken was er geen bezwaar; tenzij de gemeente alsnog van plan was om de Morsesteeg die langs de paardenstal liep in de toekomst te gaan verbreden. De aanvraag verliep niet goed want de bouw is nooit in gang gezet. Waarschijnlijk omdat de gemeente uiteindelijk toch vond dat de Morsesteeg verbreed moest worden om het achterland te ontsluiten en er met Gerhard geen overeenstemming werd bereikt. Zo is het bekend vanuit de gemeenteraad dat hij veel te veel geld vroeg voor het koetshuis en de grond.

Garageplannen 1921

Gerhard deed, in 1921, een nieuwe poging om een autogarage, een rijwielherstelplaats en een paardenstal van de grond te krijgen. Het was een ambitieus plan. Opnieuw kreeg hij het niet voor elkaar, want zoals blijkt uit de gevonden adviestekening van de gemeenteopzichter kon de uitbreiding alleen gerealiseerd worden op het weiland achter het hotel (kadasternr. 1991). Dat weiland heette volgens een brief van de gemeente (12-09-1921) de Morse.

Ook nu speelde de verbreding van de Morsesteeg weer een belangrijke rol. Gerhard wilde zijn pand bouwen op ongeveer 5 meter tegenover de buurman maar de opzichter gemeentewerken gaf daarover een negatief advies. De nieuwe straat zou namelijk minstens 15 meter breed worden. Het was zelfs zo dat er een stuk van het hotel af zou moeten. De rechterhoek van Weurden 43 stond namelijk over de rooilijn van de nieuw aan te leggen straat. Gerhard besloot daarna opnieuw af te zien van de bouwplannen.

 

Stalhouderij

Alle door Gerhard bedachte plannen hadden tot doel om in de toekomst meer armslag te hebben. Al met al kwam het er gewoon niet van. De gemeente wilde haar nieuwe straat en beide partijen konden schijnbaar niet tot een compromis komen. Daarnaast beschikte Gerhard ook niet over de kwalificaties om een garagebedrijf te runnen. Hij verkocht weliswaar fietsen en nog steeds hand- en trapnaaimachines en wasmachines en kon dus wel wat ruimte gebruiken, maar pas toen zoon Otto in 1926 vanuit Lichtenvoorde naar huis kwam was ook de benodigde vakkennis aanwezig. In eerste instantie ging hij van start in de oude stal maar de plannen voor uitbreiding werden opnieuw opgepakt. Otto begon met steun van zijn vader een rijwielherstelinrichting in de stalhouderij. Zijn startkapitaal bedroeg fl.36,-.

 

Het jaar dat Otto startte begon meteen goed. Het staat bekend vanwege de ergste watersnoodramp van onze streek. In heel de Achterhoek was sprake van ernstige wateroverlast. Al in december 1925 was het neerslagrecord voor de hele maand al ruimschoots overtroffen. Er was maar liefst 155 mm water gevallen. Op 1 januari 1926 stond het hele Weurden blank. Gerhard legde kistjes rondom het huis met daarop planken zodat er rondom het huis gelopen kon worden. Van het hotel liepen bij de overstroming beide kelders onder en de biervaten dansten in het water. Na verloop van tijd stond het water zo hoog dat je door de vloeren van het café het water onder de planken kon horen klotsen.

Op foto rechts voor het hotel vlnr: vader Gerhard, Hetty, Agnes, Nel, Paul, Karel en moeder Hedwig

 

Tussen twee wereldoorlogen

De periode tussen de twee wereldoorlogen, het Interbellum, heeft voor een belangrijk deel het leven van Gerhard Kwak bepaald. In de kracht van zijn jaren probeerde hij zich met zijn hotel een serieuze plaats te verwerven in de Winterswijkse gemeenschap. Al zijn inzet heeft niet mogen baten naar later blijkt.

 

Economische situatie rond Gerhard

Ondanks het relatief rustige bestaan kende het gezin geen echte weelde. Volgens Nel was er nooit geld. Vooral na de opkomst van de auto werd het in het hotel steeds minder druk. Voornamelijk vanwege het in onbruik raken van de stal. Daardoor bleven, met name op zondag, de boeren weg en bleven de inkomsten steeds meer achter. Geld was er ook niet voorhanden, omdat de fantasierijke projecten van Gerhard nogal eens strandden en omdat hij vond dat iedereen aan een eigen zaak geholpen moest worden. Zijn eigendommen waren dan ook van onder tot boven beleend.

 

Hoeveel waarde je moet hechten aan de naam ‘hotel’ is moeilijk te zeggen. Veel inkomsten daaruit had hij niet. Gerhard gaf op de bedrijfsenveloppen en op de pui weliswaar aan dat hij A.N.W.B. Bondshotel was maar daarvan is niets teruggevonden in het ANWB-archief in Den Haag. Correspondentie is niet bewaard gebleven en ook de handboeken uit die tijd geven geen enkele vermelding van de naam Kwak of hotel Germania in Winterswijk. Toch is het niet aannemelijk dat hij de zich de kwalificatie bondshotel wederrechtelijk had toegeëigend, want daar werd door de leden zelf maar ook door speciale ANWB-consulenten scherp op gecontroleerd. Het is eerder waarschijnlijk dat voor de publicatie in het handboek betaald moest worden en dat daar geen geld voor was.

 

In de nalatenschap van zoon en boekhouder Karel zijn geen papieren gevonden die de omzet aan kunnen geven en met de kinderen werd nooit over geld gesproken. Ook Nel was niet op de hoogte.

 

Nel: “Ik heb geen idee wat het eten of een kamer bij ons kostte. Onze jeugd was onbezorgd en er waren nooit geldzorgen. Dus er zal voldoende verdiend zijn. De inkomsten werden opgeborgen in een la van een kast op de slaapkamer van pa en ma.”

 

In het ANWB-bondshandboek uit 1928 staat, in tegenstelling tot hotel Germania,

wel wat informatie over het plaatselijke hotel de Klomp. Dat geeft een aardig

beeld van de toen gehanteerde prijzen.

 

♦ Logies met ontbijt: van fl.2,75 – fl.3,

♦ Noenmaal (lunch): van fl.1,25 - fl .1,50 (warm)

♦ Diner: fl.2,00

♦ Pension: fl.4,50

Vegetarische menu aanwezig.

 

 

Gezien het feit dat er boven maar een paar kamers beschikbaar waren kunnen dat nooit veel betalende gasten zijn geweest. Voor Pa en Ma en voor de kinderen waren al een paar kamers gereserveerd. Er zijn alleen wat gegevens bekend van collega hotels in Winterswijk zoals van hotel De Klomp gelegen aan de Wooldstraat. Het is zeer waarschijnlijk dat hotel Germania in ongeveer dezelfde prijsklasse lag (de Klomp had 10 kamers), hoewel de outillage wellicht wat beter was. Helemaal vergelijkbaar zijn beide zaken niet omdat Gerhard zich waarschijnlijk meer met café en winkelzaken bezig hield. Je  kunt Germania eerder kwalificeren als een keurig pension.

 

Een tijd lang heeft Gerhard nog kunnen profiteren van de auto toen de, voornamelijk Duitse, asfalteerders kwamen die de wegen in Winterswijk van een laag asfalt voorzagen. Deze werklui verbleven met name in het hotel en nuttigden ’s avonds veel ‘Schnaps’ (jenever). In die tijd was het druk in het hotel met veel Duitse gasten en kostgangers. Iedere avond na het eten werd er met schnaps en veel Duitse feestliederen een eind aan de dag gebreid.”

Komt daar wellicht de Kwaks-neiging vandaan om bij iedere feestelijke gelegenheid een lied aan te heffen? Intussen nam de oorlogsdreiging toe en het leven werd er niet beter op. Ook hotel Germania had sterk te lijden onder de economische malaise.

Binnen rode kader hotel en garage                                  De verwijderde punt van Germania met rechts een klein stukje van de garage

 

Bouwtekening 1934

Toch een garage

Gerhard voorzag dat uitbreiding van zaken noodzakelijk was om in de toekomst het hoofd boven water te houden. Hij besloot daarom in 1934 opnieuw een poging te doen om de rechterkant van het pand waar de stalhouderij lag aan te passen. Hij wilde alsnog een winkel met garage en werkplaats bouwen, waar met name zoon Otto beter uit de voeten kon.

 

Gerhard diende een tekening in die minder ambitieus was dan de eerste maar die wel het aanzien van het Weurden op die plaats zou veranderen. Hij deed water bij de wijn en de punt van het hotel ging er af. Daardoor werd de kruidenierswinkel een stukje kleiner. Een aantal meters terug, langs de nieuwe rooilijn van de aan te leggen straat, kwam uiteindelijk dan toch de fel begeerde werkplaats met garage. Het werd allemaal veel kleiner en eenvoudiger vanwege de economisch omstandigheden die er niet beter op werden.

 

Uiteindelijk had Gerhard weinig profijt van de uitbreiding. Om twee redenen. Hij werd steeds dover en de gezondheid van Hedwig, de drijvende kracht achter Germania, ging steeds verder achteruit. Zij overleed op 17 maart 1937 waarna de zaak werd verkocht aan dochter Ida en haar echtgenoot Herman. Dat ging echter niet zonder slag of stoot. De verkoop zorgde voor veel onenigheid in de familie. Daarover lees je meer op het gezinsblad van Ida.

Femielie

 

Webmaster Gerhard Kwak

 

Website van de Achterhoekse & Twentse families Kwak, Elschot, ten Thij en Goossen.

 

Neem contact op met:

 

Adres: Wielseweg 3-57, 3896 LA Zeewolde

Email: g.kwak@kpnmail.nl

 

© 2018 - 2020 Gerhard Kwak, Zeewolde.  All Rights Reserved