Ida Kwak - 53


Gezinsblad van Ida Kwak gehuwd met
                                                      Herman Forrer & Jaap Groot

Herman Forrer                 Ida Kwak 1939

Links: Joop
Rechts: Frits
circa 1935

Gezin Forrer ca. 1939. V.l.n.r:

Frits, Hedwig, Herman Forrer, Joop (boven), Paul, Ida Kwak, Klazien


Engelien was toen nog niet geboren

Boek Frits

Ida 29 mei 1929. 19 jaar

Hermanus Johannes (Herman) Forrer [207],

geb. te Haarlem op 1 jul 1895, NH,

ovl. (56 jaar oud) te St. Pancras op 2 okt 1951, begr. te Oudorp op 5 okt 1951.

♥ tr. (resp. 33 en 23 jaar oud) [43] te Gennep op 9 nov 1928,

kerk.huw. te Gennep

met Ida Elisabeth Bernhardina (Ida) Kwak [53], dr. van Johannes Gerhard (Gerhard) Kwak [46] (Reiziger, Hotelhouder) en Dora Frida Hedwig (Hedwig) Möller [47] (Huisnaaister, Costumiere),

geb. te Bocholt [Duitsland] op 5 mei 1905, ged. RK te Bocholt [Duitsland],

Huishoudster,

ovl. (61 jaar oud) te Egmond aan zee op 16 sep 1966, begr. te Egmond aan zee,


Uit dit huwelijk 6 kinderen:

 

  1. Johannes Gerhardus (Joop) [209],
    geb. te Nijmegen op 11 feb 1930,
    ovl. (71 jaar oud) te Deventer op 28 mei 2001,
    ♥ relatie [504]  met C.A. Snaas [1560].
    Uit deze relatie geen kinderen.

  2. Frederic Theodoor (Frits) [212],
    geb. te Gendbrugge [België] op 14 nov 1931,
    ovl. (87 jaar oud) te Gulf Breeze Florida ‑ USA [Verenigde Staten] op 21 apr 2019,
    ♥ tr. 1. (resp. 31 en 24 jaar oud)  [456] te Long Island City [NY] [Verenigde Staten] op 30 nov 1962 Gescheiden 07121979
    met Elisabeth A.H. Coster [1456],
    geb. te Gouda op 10 mrt 1938.
    Uit dit huwelijk 2 kinderen,

    ♥ tr. 2. (resp. 52 en 50 jaar oud) [457] te Petersburg st/Florida [Verenigde Staten] op 5 dec 1983
    met Marlene Louise Allen [1457],
    geb. te Petersburg st/Florida [Verenigde Staten] op 22 sep 1933,
    Interieur ontwerper.
    Uit dit huwelijk geen kinderen.

  3. Clasina Johanna Maria (Clasien) [213],
    geb. te Wetteren [België] op 30 aug 1933,  RK,
    ovl. (ongeveer 58 jaar oud) in 1992,
    ♥ tr. (resp. 22 en 23 jaar oud) [45] te Koedijk op 20 sep 1955
    met Bernard de Vries [215],
    geb. op 18 aug 1932.
    Uit dit huwelijk 2 dochters.

  4. Paul Otto Willem (Paul) [210],
    geb. te Wetteren [België] op 5 feb 1935,  RK,
    Verkoopleider encyclopedien,
    ♥ tr. 1. (resp. 27 en 15 jaar oud) [453] te Opaloca/Miami [Verenigde Staten] op 16 feb 1962 
    met Judith Otero [1450], Gescheiden 26081971.
    geb. op 4 jan 1947.
    Uit dit huwelijk 2 dochters,

    ♥ tr. 2. (resp. 37 en 25 jaar oud) [455] op 23 sep 1972,
    met Anne Maria Lane [1454], (gesch. in 1985) 
    geb. te Worcester/MA [Verenigde Staten] op 7 aug 1947,
    Makelaar.
    Uit dit huwelijk een zoon,

    ♥ tr. (ongeveer 55 jaar oud) (3) [725] in 1991,
    met Jane Dickey [2289], (gesch. in 2005) 
    geb. te Maastricht, ged. te Maastricht,
    ovl. te Maastricht, begr. te Maastricht.
    Uit dit huwelijk 2 zonen.

  5. Hedwig Agnes [211],
    geb. te Winterswijk op 22 aug 1937, RK,
    ♥ tr. (resp. 26 en 37 jaar oud) [721] op 5 mei 1964
    met George Cousoulis [2275],
    geb. te Passaic NJ [Verenigde Staten] op 29 nov 1926.
    Uit dit huwelijk 4 kinderen.

  6. Engelina Joh.Wilh.M. (Engelien) [214],
    geb. te Winterswijk op 4 mei 1946.


Engelien. Datum onbekend

“We stierven van de armoe“
Frits Forrer [212] is de tweede zoon van Herman Forrer [207] en Ida Kwak [53]. Frits was (straaljager) piloot en werd op latere leeftijd schrijver. Hij leeft overwegend in Amerika. Hij schreef een boek over zijn jeugdbelevenissen tijdens de Tweede Wereldoorlog in Winterswijk en vertelde openhartig over het gezin waarin hij opgroeide.


Regelmatig duiken er verhalen op over mensen die in de Tweede Wereldoorlog ‘fout’ zijn geweest. Ook één van onze familieleden heeft dit stempel meegekregen. Normaal gesproken sta je daar niet zo bij stil. Temeer omdat deze gebeurtenissen decennia achter ons liggen. Toch is het gebeuren   nooit helemaal weg. Dat bleek maar weer eens in 2001. Toen verscheen van de hand van Frits Forrer het boek: ‘five years under the swastika’. Of er een bom ontplofte. Meteen was een deel van de familie in rep en roer. Vooral diegenen die de hele situatie rond hotel Germania van dichtbij hadden meegemaakt waren absoluut niet gelukkig met het boek.

In een poging om enige klaarheid te scheppen in de situatie destijds intervieuwde Gerhard Kwak verschillende familieleden. Allereerst Frits die vanuit Amerika via e-mail zijn gedachten verwoordde. Zijn verhaal werd aangevuld met informatie van Fred Kwak de zoon van Otto en Cato, het echtpaar dat naast Hotel Germania woonde en het meest heeft meegemaakt van de problemen en natuurlijk kwam ook Tante Nel Benink-Kwak, de schoonzuster van Herman Forrer, in beeld. Verder is onderzoek verricht in het rijksarchief.


Al het materiaal dat aan het eind van de oorlog is verzameld werd opgeslagen in het Centraal Archief Bijzondere rechtspleging (CABR). In dit archief is de informatie uit verschillende archieven gebundeld. De 500.000 dossiers in dit archief hebben betrekking op minstens 310.000 verdachten. Ook de gegevens van Herman Forrer zijn opgeslagen in dit archief, vanwege zijn verleden als lid van de NSB. In zijn dossier bevinden zich verschillende mappen met uittreksels uit de archieven van de Bijzondere Rechtspleging (CABR) en het Nederlands Beheersinstituut (NBI). Omdat Herman en echtgenote Ida inmiddels zijn overleden, zijn de archieven voor familie in te zien zodat een goed, maar zeker geen volledig, beeld van de gebeurtenissen kon worden gevormd. De herinneringen van Frits waren daarbij leidend. Het is aan de lezer om zijn of haar conclusie daaruit te trekken.


Het boek van Frits leest als een spannend jongensverhaal boordevol avonturen. Het is echter geen verantwoord verslag van de omstandigheden destijds. In het boek van Frits staan passages die gekleurd zijn door de tijd, en het ‘jeugdige’ enthousiasme waarmee het boek is geschreven. Zo geeft hij aan dat ze na de oorlog voor het eerst weer op bezoek gaan bij Gerrit Kwak de slager. Daar ontmoeten ze de kinderen. Deze zijn echter op dat moment nog niet geboren. Ook geeft hij aan dat Gerrit Kwak een borrel voor zichzelf en zijn vrouw Gerda inschenkt. Dat is onmogelijk want Gerrit dronk geen alcohol en zijn vrouw evenmin. Dat hij daarbij nog zegt: “Toe neem een borrel want een dronken vrouw is een engel in bed.” is helemaal uit den boze. Gerrit verafgoodde zijn vrouw en zou als diep religieus man zo’n opmerking nooit geplaatsthebben.


Engelsman

Ida was het vierde kind uit het gezin van Johannes Gerhard Kwak. Volgens de overlevering kon ze net als haar broer Paul niet goed overweg met haar dominante vader. Ze was een jonge zelfbewuste vrouw die een deel van haar vrijgezellentijd  doorbracht in Arnhem. Ida kreeg een opleiding als serveerster bij Hotel Haarhuis.

Geboortebewijs Ida

Collega's van Haarhuis. Ida 2e van rechts

Etiket

Sluis

veevoeder

Brief aan Gerrit in Zaltbommel

NSB vlag

Contributielijst


                       Contributieverzoek                         van Herman Forrer

Advertentie verkoop Hof van Holland

Wervingsaffice Jeugdstorm


NSB grammofoonplaat

Handtekening Herman Forrer bij beklag om rantsoenering drank

Foto en handtekening op de NSB lidmaatschapskaart van Herman

Bij Haarhuis leerde Ida Herman Forrer kennen. Een onberispelijk geklede vertegenwoordiger van de Belgische firma P. Sluis Voeder in Quatrecht (gemeente Wetteren) in België. Een bedrijf dat zich bezig hield met onder andere koekjes en kippenvoer. Volgens Frits heeft hij anderhalf jaar lang in Utrecht aan de universiteit gestudeerd. Wat precies weet hij niet maar de studie had in ieder geval te maken met pluimvee en pluimveeziektes. Herman was dan ook een expert op het gebied van kippen. Ze noemden hem de ‘kippendokter’. Schoonzus Nel zegt over hem:

“Herman was net een Engelsman. Altijd met bolhoed en paraplu en hij had altijd monsterblikjes bij zich  met een paar verschillende koekjes erin. Daar waren we als meisjes dol op.”


Volgens overlevering was Herman niet één van de makkelijkste mensen en was hij maagpatiënt. Hij was van huis uit hervormd, wat voor grote problemen zorgde met de katholieke familie Kwak. Toen Ida Herman leerde kennen woonde hij in Gennep waar hij ook een relatie had. Deze liep stuk en Herman trouwde op 9 november 1928 in Gennep met Ida. Vanwege het feit dat hij protestant was, kwam niemand naar de plechtigheid. Ook niet van Hermans kant. Een brief van Gerhard Kwak aan zoon Gerrit handelt over dit probleem. Gerrit is op dat moment slagersleerling in Zaltbommel en wordt door zijn vader gemaand ook niet naar het huwelijk te gaan. Er worden allerlei redenen aangevoerd om niet te gaan. En er staat ook in te lezen dat Vader Kwak, als hij maar een kans had gezien, het huwelijk tegen had gehouden. Wel geeft hij aan dat hij ervan overtuigd is dat zoon Gerrit de handelwijze van Ida ook afkeurt. In de brief staat dat hij de zaak niet twee dagen dicht kan doen, dat moeder ziek is en hij niet weet of ze reizen kan. In één dag met de trein is niet haalbaar en met de auto over slibberige wegen is toch wel gevaarlijk. Bovenal komt uit de brief naar voren dat hij de handelswijze van Ida afkeurt. Hij zegt letterlijk:


“Maar Ida heeft het steeds zoo koudbloedig buiten mij weten te regelen. Haar gedrag heeft mij al jaren bezorgd gemaakt. Wij willen nu geregeld voor haar bidden net als voor Paul en als wij dat goed doen dan zal God alles naar matigheid weten te regelen.”


Katholiek

Wellicht zijn deze verwikkelingen de reden dat Herman uiteindelijk katholiek is geworden. De onderlinge band van de Kwaks was zo groot dat niemand zich prettig kan hebben gevoeld bij die situatie. Hij besloot toen om ook maar katholiek te worden en uiteindelijk is het paar in Beek bij Nijmegen in de katholieke kerk getrouwd. Daar werd ook hun oudste zoon Joop geboren. Frits zegt over het geloof van zijn vader:

“Mijn vader wist meer over het geloof en de bijbel dan enige katholiek die ik ooit ontmoet heb. Mijn vader is voor mijn moeder katholiek geworden.”


Sluis Voeders plaatste Herman over naar België. Ze woonden daar eerst in Gentbrugge. Daar is Frits geboren. Vervolgens verhuisde het gezin naar Quatrecht waar Herman zijn eigen zaak begon in ochtendvoer. Daar werden Clasien en Paul geboren.


NaarWinterswijk
De reden waarom het gezin naar Winterswijk terugkwam om het hotel over te nemen zal altijd wel een raadsel blijven, hoewel uit allegesprekken blijktdatde onderlinge band van de Kwaks maar vooral deruim aanwezige dominantie van vaderGerhard,diehetliefst al zijn kinderen om zich heen zag, wellicht bepalend zijn geweest. Hetisdusnietondenkbaar datvaderKwakdochterIda,alsenigemethorecaervaring,heeftomgepraatweernaarWinterswijktekomen.
Herman ging voortvarend te werk en diende op 6 april 1937 een aanvraag voor een bouwvergunning in. Hij zag namelijk niet zo veel heil in de kegelbaan en wilde op deze plaats een danszaal bouwen. Officieel is hij dan nog woonachtig in Quatrecht (België) zoals de aanvraag laat zien.

Bouwtekeningen:

Rechts: tekening met danszaal

Links: Nieuwe pui

Herman wilde de hele zaak moderniseren door een nieuwe pui te plaatsen met twee grote ramen in plaats van de kleine. Ook wilde hij de deur in de steeg aan de linkerkant van het hotel laten sluiten. Binnen wilde hij de bestaande schuifdeuren tussen de beide zalen wegbreken enopdieplaatseengrootbuffetplaatsen.
Op 16 december 1938 kwam Herman Forrer met een tekening om de zaak duidelijker te maken. De nieuwe zaal er achter was maar liefst 110 m² groot en was bereikbaar via de gang die vanuit de voordeur doorgetrokken zou worden. Ook werden er nieuwe toiletten bijgetekend zodat de nieuwe zaal apartgebruiktkanworden. Uiteindelijk zal deze grootse aanpak vanwege de economische situatie en de naderende Tweede Wereldoorlog niet doorgaan. Toch moet Herman er veel in hebben gezien, want anders was hij waarschijnlijk nooit begonnen aan een dergelijke operatie. Het eindresultaat in 1938 is beduidend eenvoudiger.


Depressie

“Het Hotel? Volgens mij is dat de grootste stommiteit die mijn ouders ooit gemaakt hebben”, aldus Frits. “Om in 1937 een zaak op te geven in België en een bedrijf over te nemen in het diepste gedeelte van de depressie was stom. Oma Hedwig was in 1937 op 59 jarige leeftijd gestorven. Volgens mijn vader was ze ‘versleten’ door dertien kinderen op de wereld te brengen en een zaak te draaien terwijl haar man ging jagen en de kantjes afliep. Dus iemand moest komen helpen. Deze situatie werd mede versneld doordat opa Kwak volgens een verklaring van Nel steeds dover werd en er iemand moest zijn om het bedrijf te runnen.”


Herman was absoluut geen caféman. Ida was wel zeer geschikt voor de horeca maar ondanks haar inzet werden de problemen steeds groter. De economische recessie nam toe en er werd nauwelijks iets verdiend. Frits geeft aan dat er weken waren waar ze geen cent te besteden hadden en er gewoon armoede was. Frits:

“Ik kan me een week herinneren dat we 8 gulden inkomsten hadden.Terwijl de elektriciteitsrekening alleen al hoger was. We stierven van de armoe.”

Ook geeft hij aan dat de bezetting van het hotel duidelijk te wensen over liet. Het hotel had totaal zeven kamers waarvan ze er zelf al drie, voor pa en ma en vijf kinderen, gebruikten. De enige vaste gast was Antoon te Brömmelstroet. Deze jongeman, een neef van Ida, was ten tijde van het uitbreken van de oorlog 20 jaar en was eigenlijk meer in de kost dan gast. Hij at dan ook altijd in de keuken mee met het gezin.


En er was gedurende een bepaalde tijd een kamer verhuurd aan twee broers Te Brömmelstroet. Het volgende citaat komt uit een brief van Herman Bromell, Japoon Vale, Australie die hij schreef op 28 november 2005. Herman emigreerde in de vijftiger jaren van de vorige eeuw naar Australië. Hij kwam in 1938 terug uit Duitsland vanwege de opkomst van Hitler. Hij was daar als leerling verwarmingsmonteur. Intussen hadden zijn ouders door de economische malaise de molen in Kotten van de hand moeten doen en die woonden toen in de Peterstraat naast de gasfabriek. Herman schrijft:


“Daar wonen was below mijn 'dignity' (stand) en zo, Herman Forrer bood mijn broer Henk en mij een kostplaats aan. Ze hadden plenty lege kamers. Het leven was in die jaren bijzonder moeilijk met name voor het café en het hotel. Per week waren er vaak niet meer dan één of twee gasten. En die kreeg je alleen nog maar omdat je de aller goedkoopste was. Herman Forrer stond vaak ’s avonds uren in het café voor maar twee borreltjes die hij verkocht aan de een of andere eenzame oude kerel. Hij had dan nog minder omzet dan de stroom hem kostte. Maar je mocht de gelegenheid niet sluiten(…).”


Dat Herman in het café nauwelijks het hoofd boven water kon houden was niet echt verwonderlijk. Hij was zoals bekend geen echte horecaman en daar kwam vast nog bij dat hij geen Winterswijker was en dus eigenlijk een vreemde eend in de bijt. Om de problemen compleet te maken stak hij zijn ideeën en sympathieën met betrekking tot Duitsland niet onder stoelen of banken en ook dat maakte hem niet echt geliefd bij de voormalige  klanten van Opa Kwak. 

Hermans mening

Herman Forrer had over de hele situatie in Nederland een uitgesproken mening. Frits geeft dat heel duidelijk weer:

“Mijn vader is NSB’er geworden uit principe. Hij geloofde dat het Nationaal Socialisme verbetering zou brengen voor de bevolking. Daarbij kwam dat mijn vader koningin Wilhelmina haatte en geloofde dat zij, als de rijkste vrouw in de wereld, heel Nederland had kunnen redden uit de armoede van voor de oorlog". Net als de meeste Duitsers en Nederlanders wist hij eerst niets, maar hoorde hij pas later over alle atrocities (wreedheden) die de Duitsers pleegden en na de vervolging van de Joden begon hij dan ook van gedachten te veranderen.


Interessant is dat alle Kwakken ‘anti-Duits’ waren. En dat terwijl ze zelf voor de helft Duits waren. Oma Hedwig was een volbloed Duitse. Oom Paul, Maria en mijn moeder Ida zijn in Bocholt geboren. Nichten en neven woonden aan beide zijden van de grens. En dat terwijl mijn vader die in Haarlem geboren was, pro-Duits was.(Voor een lange tijd.)”


Ook Herman werd dus aangegrepen door de beginselen van de NSB en werd in eerste instantie sympathiserend en later gewoon lid. Hij dacht op die manier zijn langzaam stervende hotel nieuw leven in te blazen. 

Advertenties van Hof van Holland

Ook veel middenstanders werden lid om zo de slecht economische situatie het hoofd te kunnen bieden. Bij Herman Forrer was dat niet anders. NSB’ers in het café betekende voor hem gewoon omzet.


Hof van Holland

Ondanks zijn gedachten over de NSB heeft Herman de naam van het hotel veranderd toen hij het overnam. Het heette nu ‘Hof van Holland’. Vreemd wellicht wanneer je bedenkt dat hij er beslist Duitse sympathieën op na hield. Hoewel? Herman was een ras Hollander, afkomstig uit Haarlem. Wellicht was het zijn manier om zich af te zetten tegen zijn schoonvader en de heersende situatie. Opa Kwak was over de naamswijziging niet te spreken. Maar volgens Frits Forrer was opa Kwak meestal nergens over te spreken.


De economische situatie werd steeds nijpender en financieel liep het allemaal uit de hand. Met name de achterstand in de betaling van rente en aflossing op de hypotheek die vooral voor de oorlog was ontstaan kon niet meer worden ingehaald. In de verhoren door de recherche na de oorlog gaf Herman toe dat hij lid van de NSB was geworden om de belabberde economische situatie het hoofd te kunnen bieden. Hij had stamboek- (lidmaatschaps-) nummer 120573 en betaalde een contributie van f0,75 per maand.

Forrer verklaarde na de oorlog dat gedurende de bezetting zijn zaak voor 90 procent werd bezocht door Rijksduitsers en NSB’ers. Ook gaf hij aan dat in zijn etablissement ‘Der Deutche Verrein in den Niederlanden’ voor de Geldersche Achterhoek werd opgericht. Een vereniging die later werd omgezetindeOrtsgruppeWinterswijkvandeNSDAP.
De situatie werd almaar slechter en uiteindelijk stopt ook de terugbetaling van een lening aan schoonvader Gerhard Kwak. Daardoor ontstond een onverkwikkelijke ruzie doordat ook Opa in de problemen kwam vanwege de financiële achterstanden. Er ontstond ook ruzie met zwager Otto die in het rechter deel van het pand een rijwielhandel dreef en, zij het met grote moeite, wel aan zijn verplichtingen kon voldoen.

De ruzie ging zelfs zo ver dat opa Kwak Herman Forrer niet langer zag als zijn schoonzoon maar als particulier die maar had te betalen. Herman reageerde daar tegen door Ida en de kinderen te verbieden om nog langer met vader en opa contact te hebben.


Openbare verkoop

Uiteindelijk worden Herman en Otto gedagvaard en volgt de publieke verkoop van Hotel Hof van Holland op 20 augustus 1940, omdat de schuldeisers de stekker eruit trekken. Herman is woest op zijn schoonvader en omstanders hebben hem er van weerhouden om hem te lijf te gaan tijdens de publieke verkoop. Herman geeft daarbij aan dat hij hem om zou brengen wanneer opa nog een keer een voet op zijn bezit zou zetten.


Problematisch voor opa en de familie was dat Herman bij de verkoop geholpen werd door een aantal fervente bezoekers van zijn etablissement die aanhanger waren van de NSB. Ze wilden hem wel helpen om uit de problemen te komen. Van de wal in de sloot waarschijnlijk, want het vermoeden ontstaat al snel dat deze NSB’ers er vooral een slaatje uit wilden slaan. Zo eisten ze bijvoorbeeld dat beide oudste zoons van Herman en Ida, Joop en Frits, bij de Jeugdstorm moeten. Herman gaf dat toe tijdens de verhoren nadat hij op verdenking van collaboratie met de vijand in 1945 werd opgepakt.


De Nationale Jeugdstorm (NJS) was een Nederlandse jongerenbeweging die kort voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog werd opgericht. Als voorbeeld voor de organisatie diende de Duitse Hitlerjugend. Het was de nationaalsocialistische tegenhanger van de gewone padvinderij. In de praktijk had de organisatie echter nauwe banden met de NSB. Bijna alle leden waren kinderen van NSB’ers. Tijdens de oorlog kende de beweging ruim 12.000 leden. De leden moesten Nederlander zijn. In ieder geval niet joods. De structuur was sterk hiërarchisch en leek op die van de padvinders. De nadruk lag op sportbeoefening.


De leden heetten: meeuwen en meeuwkes (10-13 jaar) en stormersen / stormsters (14-17jaar). Jongens en meisjes vormden gescheiden groepen. Wanneer de jongens de 18-jarige leeftijd hadden bereikt werden ze zo mogelijk in het leger geloodst. De uniformen waren lichtblauw met das, epauletten, een muts en een korte zwarte broek. Frits zegt over de jeugdstorm:


“De jeugdstorm was gewoon leuk. Net als bij de padvinders. We leerden trommelen (doe ik nog) en veel sport en gymnastiek. Kort maar leuk.”


Vermoedelijk om de verkoop van het pand wat eenvoudiger te maken werd zwager Otto opgepakt op beschuldiging van het verspreiden van vijandige geruchten. Op die manier konden de NSB’ers hem weghouden bij de openbare verkoop. Uiteindelijk lukte dat niet en kon Otto zijn deel van het pand kopen.


Het hotel werd verkocht aan E. Nijweide en A.W. van Santbrink, die een gunstige huurconstructie bedachten voor Ida en Herman. Daarbij kocht de Brouwer Grolsch de meeste meubelen en restaurantinrichting.
Het bedrijf bood Herman een arrangement aan aangaande de bier consumptie. Verschillende roerende zaken werden aan vrienden verkocht met de afspraak dat ze teruggekocht konden worden als er geld voorhanden was. Alleen zo konden Herman en Ida doorwerken in het hotel.

Gedurende de oorlog

In het begin van de oorlog, na de verkoop van het hotel, waren de kosten duidelijk minder en werd er nog redelijk verdiend. Vooral de ingekwartierde soldaten van onder andere het ‘lichtbataljon’ leverden veel geld op. Frits: 


“Dat waren de mannen die dag en nacht met grote schijnwerpers de hemel afzochten, op zoek naar geallieerde vliegtuigen die op weg waren naar het Duitse Ruhrgebied. Eenmaal gevangen in de grote schijnwerpers werden ze dan beschoten met het 'Flak' afweergeschut. Ze draaiden zware diensten en aten zich ongans aan ‘Bratkartoffel’ (gabakken aarappels) en volop spiegeleieren.”

Ida kreeg het feit dat ze toen veel verdienden nog wel voor de voeten geworpen door haar broer Gerrit, die haar na de oorlog, toen Herman vast zat, verweet dat ze wel stevig verdiend zou hebben aan de ‘moffen’ gezien de pracht van de bontjas. Maar naarmate de oorlog vorderde werd het allemaal steeds minder. Het werd uiteindelijk een voortdurende strijd om aan omzet en eten te komen. Gasten bleven steeds meer weg en ook van de NSB’ers kwam niet de verwachte omzet. De bezetting van het hotel was dus nauwelijks meer rendabel en de toewijzingen van drank en dergelijke hielden ook niet over.


Op 14 november 1943 werd ook nog een deel van de prachtige tuin verwoest door een heftige storm die onder andere de volière in de tuin omblies. Alle vogels waren verdwenen. Zelfs de papagaai en de goudfazanten. De volière stond er al meer dan dertig jaar. Er was geen geld om de zaak voldoende te herstellen, want de omzet liet steeds meer te wensen over. Zeker niet toen ook de rantsoenering steeds meer greep kreeg op het dagelijksel even.

Rantsoenering

Dat bleek ook uit de krappe toewijzingen van de rantsoenering gedistilleerd. Herman deed een poging om een groter rantsoen toegewezen te krijgen. Hij moest daarom op 1 mei 1944 opgeven wat zijn grootste drankomzet was in het uitgangsjaar 1939. Aan de hand daarvan kon dan de juiste rantsoenering vastgesteld worden. Herman gaf aan een volledige vergunning te hebben voor maatschappelijk verkeeren dat de omzet bedroeg:


Basis                                    1939           1940

Jenever á 40%                   485 liter        554 liter

Brandewijn á 38%              223 liter        225 liter

Oude Jenever á 38%           16 liter          36 liter

Cognac á 38%                      28 liter         44 liter 

Ander gedistilleerd                28 liter         52 liter


Als nadere bijzonderheid noteerde Herman:
“In 1937 de zaak overgenomen. In 1938 heb ik de N.S.D.A.P. gastvrijheid verleend en daarna door niet socialisten geboycot. 12 mei 1938 sympathiserend lid geworden en op 6 december lid.”


Het verzoek werd afgewezen en daarover deed hij bij de secretarie van Staat der NSB zijn beklag op 5juni 1944. De voornaamste reden van de afwijzing was dat hij te laat lid was geworden van de NSB. Voor 10 mei 1940 was hij nog geen lid. Hij voerde echter aan dat hij al op 12 mei 1938 als sympathiserend lid stond ingeschreven (nummer 10239). Hij stelde ook dat hij toen al extra gestraft werd omdat het boycotten van zijn zaak al begonnen was doordat hij aan de NSB gratis vergaderruimte aangeboden had die elders geweigerd werd. Hij vroeg daarom dringend om een hogere rantsoenering en tekende met: “Houzee,HermanForrer.”


Uiteindelijk leverde het allemaal niets op. Van de gevraagde 1500 liter per maand kreeg hij niet meer dan 250 liter toegewezen, ondanks het feit dat de omzet beter veel ruimer was dan voor de oorlog.


Todt

De ramp, voor de Forrers, werd nog groter toen in november 1944 Hof van Holland werd overgenomen door de Organisation Todt. Commandant Wissel wilde niemand uit het hotel gooien maar trok er bij in. De organisatie huurde het pand en de eigenaren en ze zouden goed betalen. Ze hadden echter alle kamers nodig voor het inkwartieren van soldaten en voor werklieden die de schade aan het spoor door de bombardementen moesten verhelpen. Ze werden ingezet om, ’s nachts, de wegen en de spoorwegen te repareren.

Het hotel werd voor het publiek gesloten. In het hotel zelf kwam een slaapzaal waarin Duitsers maar ook Poolse en Italiaanse gevangen werden ingekwartierd. Ze mochten niet bediend worden en zeker niet met alcohol. Ze moesten zich zelf maar behelpen. Organisation Todt zorgde voor al het voedsel en de kolen om de zaak te verwarmen. Er kwam ook een generator voor de elektriciteit. De familie mocht er ook gebruik van maken.


Herman en Ida hadden moeite met de organisatie maar dachten wel uit de brand te zijn omdat ze er voor betaald zouden worden. Ook hadden ze nu eten voor zichzelf en de kinderen. Alles werd uitgeruimd en men verhuisde naar de zolder. Al snel kwamen de krijgsgevangenen. Maar liefst 84. Ze brachten hun eigen stromatras mee om op te slapen en deze werden in het café en het restaurantgedeelte gelegd. Lang hield deze situatie geen stand, want in december 1944 werd Herman gearresteerd. Hij had ruzie gemaakt met de bevelvoerende officier van de OrganisationTodt.

Herman gaf aan dat de Amerikanen er aan kwamen en de officier, dolgedraaid, trok zijn pistool om aan te geven dat Herman daar dan geen plezier meer van zou hebben. Uiteindelijk werd de zaak gesust. Ida haalde Herman terug want hij zat gevangen op het gemeentehuis. Door haar voorspraak kwam hij vrij maar ze moesten het hotel verlaten om nog meer moeilijkheden te voorkomen. Ze mochten voor enkele dagen eten en drank meenemen. Het besluit viel om met behulp van buren en de oudste kinderen zo veel mogelijk uit het hotel mee te smokkelen om elders op te slaan. Uiteindelijk werden de wekflessen, de drank, zeep, limonade en biervaten verhuisd naar de kelder van de buren. Andere roerende zaken werden in diverse schuren opgeslagen. Alles gebeurde in het geniep om nog meer problemen te voorkomen. Ook het zilverwerk verdween op die manier.


Uiteindelijk werden ze in februari 1945 definitief uit het hotel gezet. Het gezin ging wonen op Wooldstraat 37, in een huis van de dames Buisman, eigenaressen van een hoedenzaak die naar de Veluwe waren gevlucht.
Toen de Forrers het pand moesten verlaten, maakte een Hauptman van de organisatie Todt een opgave van de inventaris en dergelijke. Die werd begroot op 63.000 Reichsmark.


Bevrijding

Op zaterdag 21 maart 1945 werd Winterswijk bevrijd. De bevrijders kwamen vanuit het Woold en na hevige gevechten vluchtten de Duitsers. Op dezelfde dag nog werd begonnen met de zuiveringen. Overal werden politieke delinquenten opgespoord. In Winterswijk, dat bekend stond als een NSB-bolwerk, sympathiseerden maar liefst 26.000 inwoners met deze organisatie. Meteen al werden 100 mensen opgepakt. Deze werden in eerste instantie opgesloten in het postkantoor. Maar dat bleek al spoedig te klein. Daarom werden de gevangenen naar het barakkenkamp van de Nederlandse Arbeidsdienst (NAD) aan de Kloetenseweg gebracht. Eind mei zaten daar meer dan 500 personen vast. Daaronder vielen niet alleen de zogenaamde ‘Moffenhoeren’ vrouwen die volgens de toen geldende moraal hadden geheuld met de vijand, maar ook de burgers die lid waren van de NSB. Waaronder Herman Forrer.


Arrestatie van Herman

Vier mensen van de veiligheidsdienst (VD) arresteerden Herman op 1 april 1945. Hij werd beschuldigd van collaboratie met de vijand en meegenomen om ondervraagd te worden. Het hele huis werd doorzocht en zaken als voedsel en drank werden in beslag genomen. In eerste instantie wist de VD niet waar Herman en zijn gezin verbleef, ze woonden immers niet meer in het hotel, maar ze kwamen achter zijn adres toen zoon Joop het gezin registreerde op het gemeentehuis om zo in aanmerking te komen voor voedselbonnen. De paniek was groot en Gerrit Kwak, de broer van Ida, werd te hulp geroepen. Hij gaf aan dat Herman niets kwaads had gedaan jegens het land en alleen om economische redenen sympathiseerde met de vijand. Zijn arrestatie in februari en het afpakken van Hof van Holland bewees volgens Gerrit voldoende dat hij niet echt een collaborateur was. Hij stelde het gezin gerust en beloofde uit te zoeken wat er was gebeurd. Hij gaf wel aan dat er veel mensen werden opgepakt.

Kamp Vosseveld


Hij zorgde ervoor dat zijn echtgenote Gerda eten maakte en ging op pad. Gerrit kwam ’s avonds terug en vertelde dat Herman was opgesloten in kamp Vosseveld in het buitengebied van Winterswijk. Hij zat daar op de afdeling van de ‘niet’ criminelen. Gerrit:


“Herman en een aantal andere Winterswijkers zijn al sinds geruime tijd geregistreerd als ‘sympathisanten’. Dit in tegenstelling tot anderen die zijn geregistreerd als ‘oorlogsmisdadigers’. Iedereen die op die lijsten stond is gearresteerd. Een tribunaal moet te zijner tijd uitmaken of de beschuldigingen juistzijn.”


De tijd in Vosseveld was niet al te slecht voor Herman. Hij werd goed behandeld. Alleen enkele stijfkoppen werden gestraft. Het ergste was de onzekerheid en de onwetendheid wat betreft het gezin. Vanwege het chronische maag- en darmlijden van Herman brachten Ida en de kinderen regelmatig pap naar het kamp. Op kamp Vosseveld was een ziekenbarak. Bij ernstige ziektes werden de gevangen naar het plaatselijke ziekenhuis gebracht. Het eten was afkomstig van de centrale keuken in Winterswijk. Op het terrein werden kerkdiensten gehouden en ook waren er boeken beschikbaar om de ingesloten NSB’ers weer op andere gedachten te brengen. Dat probeerde men ook door de gevangenen in te zetten bij de oogst of het herstel van de spoorwegen. Verder waren er in het kamp kleine werkplaatsen voor het herstellen van schoenen en fietsen.


In juni 1945 werd Herman, op verzoek van Ida, wegens ziekte vrijgelaten en kreeg huisarrest. Een verzoek daartoe was aangevraagd door de artsen De Vries en Boekhorst. In juli 1945 werd het kamp overgenomen door het militaire gezag. De Binnenlandse Strijdkrachten trokken zich toen terug. Meteen werden er nieuwe regels opgesteld die niet door iedereen werden gewaardeerd. Ook waren er kleine strubbelingen. De vijandige houding ten opzichte van de Vosseveld-bewoners was, gezien de omstandigheden in Winterswijk, tijdens de oorlog heel begrijpelijk. Later in het jaar op 13 oktober 1945 wordt Herman weer opnieuw opgesloten en gevangen gezet in kamp Beugelen in Staphorst.


De afwikkeling

De opsporing en arrestatie van Herman gebeurde door regionale lokale politiediensten. Zo was er de Politieke Opsporings Dienst (POD) en de Politieke Rechercheafdelingen (PRA). Zij leidden het onderzoek en onderzochten de aanklachten. Na het onderzoek van de recherche werd de zaak meestal doorverwezen naar het tribunaal om berecht te worden. Het dossier van Herman bevat de verschillende documenten die een goed beeld geven van de situatie rond zijn NSB-lidmaatschap en de gevolgen die dat lidmaatschap  uiteindelijk heeft gehad voor hem, Ida en de kinderen.

Lidmaatschapskaart NSB Herman  1943-1944


Er zijn onder andere enkele persoonlijke papieren en verklaringen van Herman. In het eerste verhoor wordt onder andere vermeld dat hij lid was van de NSB en nog enkele andere met de Duitsers sympathiserende verenigingen en daarvoor nooit heeft bedankt. Herman stond bij de NSB ingeschreven sinds 1 oktober 1941. Hij is lid van kring 46 groep 1. Hij heeft het Stamboeknummer 120753. De maandelijkse contributie bedroeg 75 cent. De hoogte van de contributie was vastgesteld op basis van de gehanteerde inkomensschaal. Herman viel in groep 2 met zijn inkomen tussen de f 1201, en f 2000, - per jaar. De één na laagste groep, dus hij zal het zeker niet breed gehad hebben. In die tijd verdiende je in de werkverschaffing tussen de f 6,50 enf8,-per week.Dusongeveerf300,-perjaar.Wanneerjedaarbij dekosten vaneenhotelopteltdanwashetzekergeenvetpot.
In het dossier zitten papieren uit onder andere het dossier van de PRA in Doetinchem, het tribunaal te Zutphen en gegevens van het Nederlandsche Beheersinstituut (NBI). Een organisatie die belast was met het beheer van het vermogen van politieke delinquenten. Ook het destijds opgemaakte proces verbaalisaanwezig.


Procesverbaal

Het belangrijkste document, in het dossier, is de verklaring die Forrer ten overstaan van de ambtenaar van de Politieke Opsporingsdienst aflegde.

Philips staande vloerradio

Paula Bolder-Kwak met dochter Marianne en Engelien Forrer (zittend)

Deel brief Coopmans

Brief van de erven Kwak aan het beheersinstituut

Bevrijdingsrokje

Eindelijk weer echte cigaretten

Café Rust wat aan de Bovenweg nr. 29 in St. Pancras

Bidprentje van Herman Forrer

Bij punt acht van het procesverbaal geeft Herman toe door de NSB geholpen te zijn.Daar ligt dus in iedergeval het bewijs dat de verhalen in de familie als zou hij hun hulp hebben gehad bij de verkoop van het hotel op waarheid berusten. In voornoemd verbaal staan echter ook een aantal interessante zaken die aangeven dat van enige nauwkeurigheid of zorgvuldigheid tijdens de verhoren of de verwerking daarvan op papier niet altijd sprake was:


• Herman praat in het verbaal over het verkopen van 'eenige inboedel' en dat terwijl het complete hotel werd verkocht. 


• Herman mocht vanwege het lidmaatschap van de NSB zijn radio’s behouden. Dat terwijl iedereen ze in moest leveren. In ieder geval hadden ze in het café een staande vloerradio van Philips. Deze vrijstelling vroeg hij op 11 juli 1943 aan bij de groepsleider van de NSB. Opvallend is wel dat hij in het verbaal spreekt over twee radio’s, terwijl hij maar voor toestel één vrijstelling vraagt. De bezetters hebben dus, waarschijnlijk, niets van de tweede radio geweten. Die hield hij wellicht stiekem achter hand. Op de aanvraag staat vermeld: Forrer stamboek nummer 120753. Vrijstelling om reden NSBlid.


• De gezondheid van Herman is niet geweldig. Hij had veel last van de maag en kreeg daarom toestemming om op het huisadres Wooldstraat 37 te verblijven. Dat is waarschijnlijk ook de reden dat dit nummer midden in het procesverbaal met de hand verbeterd is. Voor de verbetering stond daar 57.


Beslaglegging

Naast de arrestatie van Herman werd er ook beslag gelegd op zijn bezittingen. Deze kwamen onder beheer van een speciale afdeling: het Nederlandse Beheersinstituut. Voor velen had dat ongekende gevolgen omdat ze nu niet meer over spaartegoeden en andere gelden konden beschikken. Daarnaast waren de kostwinners meestal opgesloten en moesten echtgenotes en kinderen veelal leven van een schamel beetje bijstand.


Herman stond onder beheer sinds 13 augustus 1945. Uit het vermogensoverzicht blijkt dat het cafébedrijf tijdens het beheer niet langer voortgezet wordt. De inventaris van de zaak en de persoonlijke bezittingen worden op ongeveer f 2500.- geschat. Wel blijft Herman eigenaar van de vergunning die eveneens op een waarde van f 2500.- wordt getaxeerd. Op dat moment stond op de spaarbank nog een kleine f 700.- en hebben de kinderen al met al ongeveer f 3700.- op hun boekjes staan. Op de Twentse Bank staat tevens een bedrag van f 4000.- dat na de bevrijding, door Ida Forrer, was overhandigd aan deurwaarder Rozijn te Groenlo. Dit bedrag was vastgezet om de schuld van schoonvader Kwak aan zijn zoon Paul terug te kunnen betalen. Waarschijnlijk heeft zijn schoonvader nooit geweten dat deze schuld was geregeld. Wellicht gaf Herman er de voorkeur aan om zijn broer terug te betalen en zijn schoonvader, met wie hij toch al niet overweg kon, op het tweede plan te zetten.

Kamp Beugelen in Staphorst

Na kamp Vossenveld zat Herman ook nog een tijd vast in kamp Beugelen in Staphorst. In de tijd schreef Ida een brief die in het Haagse archief nog aanwezig is. Daarin vraagt Ida om vrijlating van haar man. Haar jongste dochter Engelien is kort daarvoor geboren op 4 mei 1946. Ze schreef de brief op 12 juni 1946 aan het tribunaal te Groenlo. Zij geeft in de brief aan dat ze een huishouding van zes kinderen heeft waarvan de kleinste nog maar zes weken en de oudste 16 jaar is. Ze is bezorgd over het gegeven dat haar kinderen de komende maand juli vakantie krijgen en dat ze de situatie dan niet echt meer kan bolwerken. Ze zegt:


“met name mijn twee oudste jongens hebben voor hun vader veel meer respect als voor een moeder.”


Ze geeft ook aan dat haar man lid werd van de NSB vanwege de slechte tijden in het cafébedrijf voor de oorlog. Ook klaagt ze dat ze al sinds 22 februari 1945 door de Duitschers uit de zaak zijn gezet. Daardoor weet ze niet meer hoe ze aan brood moeten komen. Ze spreekt de hoop uit dat ‘U edele Heer’ iets voor haar kan doen tot welzijn van haar huishouding.

         Brief van Ida                                                                                       Uitslag Tribunaal


Deze brief heeft ogenschijnlijk niet veel geholpen want op 25 november 1946 schrijft de heer L.A.Coopmans, eigenaar van een Graan- en kunstmesthandel in Ottersum, aan de heer Van Delden, president van het Tribunaal in Groenlo een brief. Hij geeft aan dat het de taak van de president wellicht wat vereenvoudigt wanneer hij wat meer achtergrond informatie over Herman Forrer verstrekt. In het kort komt het er op neer dat Coopmans Forrer ongeveer 20 jaar geleden heeft leren kennen als een harde werker en dat de klanten van de firma Sluis, waar hij er één van was, hem zeer beminden. Forrer heeft veel ondernemersgeest en was altijd al van plan een eigen zaak te beginnen. Dat lukt en de eerste jaren bloeide de zaak. Hij was een braaf en bezorgd huisvader en leefde voor zijn gezin en de zaak.


Toen kwamen de slechte jaren voor ’t bedrijfsleven en ging het veel slechter. Hij liet zich er echter niet onderkrijgen. Hij moest zijn bedrijf echter aan derden overlaten om, door familieomstandigheden, het restaurantbedrijf van zijn schoonvader over te nemen. Zijn eigen bedrijf werd echter verwaarloosd met het gevolg dat hij dit uiteindelijk met groot financieel verlies van de hand moest doen. Ook in het restaurantbedrijf was geen bestaan meer en Forrer raakte al meer in de financiële problemen.


Coopmans geeft aan dat ook bij hem de zaken slecht gingen en dat hij daardoor niet in staat was om de helpende hand te bieden. In de oorlogsjaren verloor Coopmans Forrer uit het oog totdat hem ter ore kwam dat Forrer zich bij de door hem verfoeide NSB had aangesloten. Coopmans geeft aan Forrer daarom veracht te hebben. Hij heeft zijn misnoegen daarover dan ook in een brief geuit. Dat was een groot risico om dat zo openlijk te uiten maar Coopmans geeft aan dat hij het karakter van Forrer kent en weet dat hij hem nooit verraden zou. Hetgeen ook niet is gebeurd. Coopmans heeft ook antwoord gekregen op de brief en hoort daarin van de grote moeilijkheden die de aanleiding waren geweest voor aansluiting bij de NSB. Coopmans betreurt het dat hij deze brief niet meer heeft maar dat hij juist door dat schrijven wel enigszins begrip had gekregen voor de stap die Forrer had gezet.Coopmans zegt:


“Hoe moeilijk het voor mij ook was, heb ik tenslotte, mede door mijn bekendheid met de gevolgen die zijn misstap reeds voor hem hadden, zooals het een Christen past, hem kunnen vergeven.”


Coopmans schrijft verder dat Forrer reeds geruime tijd in een strafkamp heeft gezeten “zeker niet ten onrechte”, maar dat hij ervan overtuigd is dat Forrer in de toekomst een goed Vaderlander zal zijn. Coopmans hoopt dan ook dat de straf van Forrer beperkt blijft tot de voorlopige hechtenis enerzijds gezien de geringe betekenis van zijn vergrijpen en anderzijds door de noodtoestand waarin het gezin verkeert. Om zijn verzoek kracht bij te zetten sluit Coopmans de brief af met de volgende passage:


“U zult zich waarschijnlijk afvragen wie is het die zich zooveel interesseert voor een eigenlijke landverrader. Daaromtrent kunt u inlichtingen inwinnen maar met een gerust geweten antwoord ik hier op dat ik een goed vaderlander ben. Gedurende de bezettingsjaren stond onze woning open voor meerdere onderduikers. Wij hebben zelfs niet geaarzeld om een priester die als zogenaamd staatsgevaarlijk gezocht werd geruime tijd onderdak te verschaffen. Ook ben ik lid van R.K. kerk- Arm- en Schoolbestuur en ben direct na de bevrijding bij de noodraad gekozen en thans nog lid van den definitieven raad. Moge u dit ’t vertrouwen schenken in mijn ongevraagde gegeven inlichtingen betreffende de persoon Forrer, welke naar ik hoop mogen bijdragen ten goed bij debepalingzijnerstraf.”


verzoek rechts herstel
Maar de problemen voor Herman Forrer zijn zeker niet voorbij. Dat blijkt uit een brief die hij nog voor het wijzen van het vonnis schreef naar de heer Officier Fiscaal Mr. P.J. Koops te Hummelo. Hij geeft aan dat hij uit het interneringskamp Beugelen is ontslagen en dat hij voor zijn internering, voor eigen rekening, een Hotel-café-restaurant exploiteerde. Dat hij daar in februari 1945 door de Duitsers (Organisation Todt) is uitgezet en dat huis en inboedel zonder enige vergoeding in beslag werd genomen. Hij beklaagt zich dat zijn gezin van 8 personen, waarvan 6 kinderen in de leeftijd van 16 jaar tot 3 maanden, sinds februari 1945 moet leven van 40 guldenper week die wordt uitgekeerd van zijn spaargeld. Ook geeft hij aan dat hij de eigenaar is van een ‘Volledige Vergunning voor Maatschappelijk Verkeer volgens Par I art. 29 van de Drankwet 1935’.


Mede op basis van deze volledige vergunning vraagt Herman aan de Procureur Generaal om rechtsherstel zodat hij zijn beroep weer kan uitoefenen. Het verzoek werd mede ondersteund door kapelaan Brouwer. Het belangrijkste argument is dat hij en zijn gezin bij het weer gebruik kunnen maken van de vergunning vrijwaring  bereiken van armoede.


Hij geeft aan dat burgemeester en wethouders hebben toegezegd dat bij zijn algeheel rechtsherstel of eventuele veroordeling zij hem weer in de gelegenheid zullen stellen om zijn bedrijf weer uit te oefenen. Hij geeft eveneens aan dat hij chronisch maaglijder is en dat hij daarom geen zwaardere arbeid kan verrichten. Hij verzoekt de Officier Fiscaal hem daarom van alle verdere rechtsvervolging en onder beheerstellingteontslaan. Hetvonnis Het lukte Herman niet onder de situatie uit te komen en op basis van het voornoemde procesverbaal werd hij op 4 december 1946, door het Tribunaal te Groenlo, schuldig verklaard aan collaboratie met de vijand. Tijdens de zitting werd hij bijgestaan door zijn raadsman Mr. J. Voorink. In het vonnis wordthij ervan beschuldigddat hij, Nederlander zijnde op 10 mei 1940 en geboren op1 juli 1895, tijdens de vijandelijke bezetting van het Rijk in Europa als lid zich heeft aangesloten bij:
• de Nationaal Socialistische Beweging in december 1940.

• het Front Neringen Ambacht en het Economische Front.

• de Nederlandse Volks Dienst.


Verder wordt aangegeven dat hij:

• Hulp en steun heeft verleend of getracht heeft te verlenen aan de vijand of diens handlangers door een bovenzaal van zijn café Hof van Holland te Winterswijk, gratis ter beschikking te stellen van de Deutsche Verrein in der Niederlanden.

• geldelijke bijdragen heeft gegeven aan:  het Huizen- en Propagandafonds en het bouwplan Lunteren.

• blijk heeft gegeven van nationaal socialistische gezindheid door aan zijn minderjarige kinderen F.T. en J.G. Forrer toestemming te verlenen om lid te worden van de Nationale Jeugstorm.

• voordeel heeft getrokken of getracht heeft te trekken uit, door of vanwege de vijand of diens handlangers genomen maatregelen door in 1944 de bemiddeling van NSB-instanties in te roepen ter verkrijgingvaneentoewijzinggedistilleerdtenbehoevevanzijncafé;

• de bemiddeling van den Ortskommandant te Winterswijk in heeft geroepen ter verkrijging van een toewijzing van bier;

• hij zich bewust heeft gedragen in strijd met de belangen van het Nederlandse volk.


In het vonnis wordt sub 2a vervallen verklaard om dat het ter beschikking stellen van de zaal nog voor het begin van de oorlog heeft plaats gehad. De beschuldigingen in het vonnis zijn een samenvatting en opgesteld aan de hand van Herman’s eigen verklaringen zoals vermeld in het procesverbaal van 10 december 1945. De bewijslast werd aanvaard zodat de onderstaande maatregelen gewettigd waren omdat ze in juiste verhouding stonden tot de ernst der gedragingen, de persoon en de persoonlijke omstandigheden van beschuldigde. Het Tribunaal neemt het de beschuldigde zeer kwalijk dat hij er niet voor terugschrok om zijn kinderen als ‘dank’ voor een door NSB aan hem bewezen dienst, aan de Jeugdstorm over te leveren. Toch geeft het Tribunaal ook aan dat de persoon van beschuldigde gunstig bekend staat, dat hij al 9½ maand in voorinternering heeft doorgebracht en zich thans op vrije voeten bevindt terwijl het Tribunaal geen termen aanwezig acht om beschuldigde opnieuw te doen interneren. Het Tribunaal verklaart den beschuldigde schuldig aan:


“Het zich desbewust hebben gedragen in strijd met de belangen van het Nederlandsevolk.”


Uitspraak

Het Tribunaal beperkt de duur van de internering tot de tijd welke de beschuldigde in voorinternering heeft doorgebracht, in die zin, dat de interneringstermijn daarmede zal worden gecompenseerd. Daarnaast wordt Herman het recht om deel te nemen aan verkiezingen afgenomen.


Tevens bepaalt het Tribunaal dat het beheer over zijn bezittingen zal eindigen een maand nadat de uitspraak is bekrachtigd. Het vonnis werd gewezen door: Mr.J.J. van Delden ter openbare zitting van 4 december 1946.


Vordering van de erven Kwak

Op 21 februari 1947 legde Karel Kwak namens de erven Kwak, een vordering neer bij het Beheersinstituut. Waarschijnlijk in een poging om de financiële problemen die voor zoveel ellende binnen de familie hebben gezorgd voor eens en altijd uit de wereld te helpen. Hij overhandigde een nota voor Herman Forrer namens wijlen J.G. Kwak Sr. Daarin zijn verschillende schulden opgenomen te weten: de hypotheekschuld van f. 4000, -, de achterstallige rente, de kosten van procesverbaal, advertenties etc. Het totale bedrag van f. 5420,50 wordt verminderd met de opbrengst van de verkoop, vermoedelijk, van de restanten van de inboedel van het hotel, ter hoogte van f 582.40. De restvordering bedraagt f. 4838,10. Volgens de brief die hij echter op die datum stuurt wordt er op dit geldbedrag een stevige correctie van f.3710,- toegepast zodat de restschuld slechts f.1128.10 bedraagt. Deze correctie is gebaseerd op het gegeven dat bij deurwaarder Rozijn een bedrag van f. 4000,- vastligt. Uit de bijgesloten notitie wordt een en ander duidelijk. Notitie K.E. Kwak:


“Het bedrag groot f 4000,- is na de bevrijding aan deurwaarder Rozijn te Groenlo ter hand gesteld door Mevr. Forrer. De bedoeling hiervan was de volgende: De Heer J.G. Kwak Sr. had een vordering op Forrer sedert 1939 welke door Forrer niet kon worden afgelost. Daar J.G. Kwak Sr. verder niet over contanten beschikte werd hij gedurende een 8-tal jaren ondersteund door zijn zoon P. Kwak welke in N.I. (NederlandsIndië) verbleef.
Door Forrer werd toen aan P. Kwak medegedeeld dat hij het geld hetwelk hij voor ondersteuning gebruikte tezijnertijd wel terugkreeg, daar Kwak Sr. toch nog een vordering op hem had, en hij dit bedrag dan aan hem P. Kwak ter hand zou stellen. Hiervoor had Forrer in Sept. 1944 reeds een som van f 4000, - gestort bij de B.P.M. (Bataafse Petroleum Maatschappij) te den Haag welke echter het bedrag terugstuurde naar W’wijk, waar het op de Twentsche Bank werd gestort, op naam van Forrer. Dit bedrag is Forrer zijn pers. eigendom. Van deze f 4000,-die nu aan deurwaarder Rozijn is afgedragen heeft de vrouw van de in 1943 in een kamp overleden P. Kwak een bedrag van f3700,-tegoed.”


Hof van Holland na de oorlog

Herman en Ida kregen Hof van Holland niet terug. De OrganisationTodt had van al de tijd dat ze er in zaten slechts één maand huur betaald, maar het maakt ze voor eigenaar van het pand, meubelmaker Schreurs, wel de laatste huurder. Ten opzichte van Forrer heeft hij dus geen verplichtingen. Zelfs als ze terug hadden kunnen gaan naar Hof van Holland dan was er veel geld nodig geweest om de zaak weer te kunnen exploiteren. Herman had groene vingers en had de van oudsher fraaie tuin nog verder verbeterd. Zo had hij rondom de acacia boom een cirkelvormig pad gemaakt met strak geschoren gras en heel veel bloemen. Vooral tulpen en narcissen. Nu was de tuin zwaar beschadigd door de rupsvoertuigen en de vrachtauto’s die er doorheen gebanjerd hadden.


In de bijkeuken waren de vloertegels opgenomen en was een diepe geul gegraven over de hele lengte van de vloer. Daarover heen stonden de potten en ketels van allerlei soorten en maten. Daaronder stond een soort vlammenwerper te loeien zodat er gekookt kon worden. De keuken zelf was een ramp. Alle wandpanelen waren verwijderd evenals de kasten en de deuren. Alles was, vanwege het gebrek aan brandstof, opgestookt. Dat gold niet alleen voor de keuken maar voor het hele hotel. Al het hout was opgestookt. Het enige hout dat over was waren de zittingen van de toiletten. Forrer en de verhuurder zouden het geld om de zaak op te knappen nooit hebben kunnen opbrengen. Ook naar de destijds geschatte 63.000 Reichsmark, voor de inboedel, konden ze fluiten. Daarbij kwam nog dat eigenaar Schreurs er liever een meubelzaak in wil vestigen. Het enig positieve op dat moment was het gegeven dat de drankvergunning nog op naam stond van Herman Forrer. En die vergunning was geld waard.


Steun

“Na de oorlog trokken we twee jaar van de steun”, geeft Frits aan. “We kregen 10 gulden per week per persoon. In het verenigingsgebouw werden de meubels, de kachel en onze radio weer teruggevonden. De kachel werd verkocht. Daar was geen plaats meer voor.”


Toen op 9 mei 1945 de Buisman dames thuis kwamen, ontstonden er weer problemen. Ze hadden de laatste 10 maanden op de Veluwe gezeten en eisten hun huis weer op. Dat ging niet door want de Forrers konden er, wettelijk, niet uitgegooid worden. Er kwamen inspecteurs om te bezien of er ruimte bijgebouwd kon worden zodat iedereen er kon wonen. Het huis werd verbouwd en opgesplitst in twee wooneenheden. Dat kon en de dames woonden vanaf toen voorin op de begane grond en de Forrers achterin. Ook de slaapverdieping werd opgedeeld. De kinderen sliepen op de derde verdieping. De Forrers deelden dus uiteindelijk het huis met twee oude dames maar besloten uiteindelijk te vertrekken naar het westen van het land. Frits:


“Mijn vader kon geen baan krijgen, want hij kon alleen een zaak beginnen in dezelfde bedrijfstak als waar hij uit kwam. 4 April 1947 werd het beheer op de financiële bezittingen opgeheven en kon hij weer nadenken over een toekomst. In 1948 liet mijn vader de cafévergunning overschrijven op naam van R. Tolkamp. Vermoedelijk was dat een gedwongen verkoop om uit de problemen te komen. Daarmee waren mijn ouders in staat om in St. Pancas (NoordHolland) een aanbetaling te doen op een klein cafeetje. Een café dat Café ‘Rustwat’ heette. Het lag aan de Bovenweg nr. 29. We verhuisden dus naar Noord Holland. Weg uit Winterswijk.Tijdensde verhuizingen hadden we met de jongens onder elkaar al onze in de oorlog opgedoken en ‘geritselde’ wapens stiekem in de verhuiswagen gekregen en namen alles mee naar ons nieuwe adres. Pas in 1960, toen Ida haar huis in St. Pancras, verliet vond ze ons arsenaal aan wapens op een zolderkamertje en moest ze de politie bellen om het het oorlogstuig op te komen halen.


Het leven in St.Pancras was bekrompen en arm. Ik heb MULO B afgemaakt in Alkmaar en ging werken toen ik 15 was. Joop werd uit het Gymnasium geschopt en ging ook werken. Clasien werd van de HBS gehaald en ging eveneens aan het werk. Alle geld werd thuis afgegeven en ik kreeg 2 gulden in de week zakgeld. We verdienden er wat bij met kaarten, biljarten en hier en daar kelneren. Het was armoe troef. Ik was schrijfmachine- en boekhoudmachine monteur en verdiende 19 gulden in de week voor 48 uur werk. Ik zat in een vakbond als leerling. Voor de rest voetbalde ik, ging veel dansen en trachtte veel meisjesteversieren."


Vader Herman kreeg longkanker, (de dokter zei: ‘een hardnekkige pleuris’) en is op 2 oktober 1951 gestorven. Later werd Frits als dienstplichtige opgeroepen en opgeleid als piloot. Hij volgde een opleiding, gedurende zestien maanden, in Amerika. Later wilde hij terug om daar te wonen. Zijn broers en zussen, Clasien, Paul en Hedwig wilden ook mee. Zodat ze de overstap maakten. Vermoedelijk gingen ze weg om de gedachten aan de oorlog van zich af te schuiven. Zeker ook omdat er toen toch steeds een smet aan het gezin kleefde. Alleen Joop bleef in Nederland en zus Engelien trouwde met een Engelsman en verhuisde naar Londen. Frits:


"Ik heb geen problemen om dit te vertellen en ik heb geen spijt van ons leven. Eigenlijk werden we er nooit op aangekeken dat mijn vader bij de NSB was. De Duitsers hebben ons alles afgepakt en hij was geen collaborateur. Dus die reden was er niet. We hadden wel altijd geldgebrek, maar geld kan ik toch niet mee nemen als dood ga. We hadden een goede familierelatie en dat hebben we nog steeds. Mijn moeder was een goed mens, maar door en door katholiek. Mijn vader was een moeilijk mens, driftig, koppig, maar voor mijn moeder was hij een goeie pa. De dochters waren gek op hem, maar ik lag nogal eens met hem overhoop. Mijn vader heeft inderdaad een paar weken in kamp Vosseveld doorgebracht na de oorlog, maar daarna werd er nooit meer over gepraat.”

Gezinsblad van Ida Elisabeth Bernhardina en Jaap Groot

 

Jaap Groot [208],

geb. te Bovenkarspel op 13 apr 1903,

Boer, Bruiloftsmuzikant,

ovl. (ongeveer 65 jaar oud) te Hoorn circa 1969.

♥ relatie [44]

Femielie

 

Webmaster Gerhard Kwak

 

Website van de Achterhoekse & Twentse families Kwak, Elschot, ten Thij en Goossen.

 

Neem contact op met:

 

Adres: Wielseweg 3-57, 3896 LA Zeewolde

Email: g.kwak@kpnmail.nl

 

© 2018 - 2020 Gerhard Kwak, Zeewolde.  All Rights Reserved