Karel Kwak - 59

Gezinsblad Karel Kwak & Truus Olthof

Karel Kwak en Truus Olthof

Karel ca. 1929

Uitsnede trouwboekje

Wapen van de Kruisheren

Karel (links) met studiegenoot in 1933

Truus 1940


Karel 1943

Onderzeeers, de zogenaamde U-bote van de DKW Deutsche Werft in Kiel

Lieveling ik denk aan de dagen

Liefdesgedicht 1943

Trouwfoto Karel en Truus 1943




Deze familiefoto is gemaakt op de trouwdag van Karel enTruus. Helaas is de foto gedeeltelijk onscherp en is het niet altijd zeker wie de personen zijn.

Een deel van Hamburg na het bombardement

Grotmo Heidemann

Karel en Truus met Thea 1944

Een Mariabeeldje en een kruis in een stolp zijn enkele voorwerpen die nog over zijn uit hotel Germania

Karel, Thea, Truus en Edy

Pseudoniem Eduard Karels

Willinkstraat 6 anno 2009

Truus en schoonzus Paula Kwak

Thea Kwak

De les-typemachine van webmaster Gerhard Kwak. Eén van de vele cursisten van Karel

Kronenhuis Winterswijk

Karel circa 1988

Truus Kwak circa 1990


Bidprentje Truus

Yvonne Kwak

Karel Eduard (Karel) Kwak [59], zn. van Johannes Gerhard (Gerhard) Kwak [46] (Reiziger, Hotelhouder) en Dora Frida Hedwig (Hedwig) Möller [47] (Huisnaaister, Costumiere),

geb. te Winterswijk op 9 dec 1917, ged. RK te Winterswijk,

Boekhouder,

ovl. (71 jaar oud) te Winterswijk op 24 apr 1989, begr. te Winterswijk op 28 apr 1989.

♥ tr. (resp. 25 en 24 jaar oud) [42] te Winterswijk op 30 jun 1943,

kerk.huw. (RK) te Winterswijk

met Geertrui Theodora Berendina (Truus) Olthof [193], dr. van Johannes Cornelis Olthof [329] en Gertrud Heidemann [330],

geb. te Neede op 18 mrt 1919 [Truus], ged. RK te Neede,

ovl. (74 jaar oud) te Winterswijk op 27 mei 1993, begr. te Winterswijk op 1 jun 1993.

 

Uit dit huwelijk 7 kinderen:

 

  1. Theodora Gertrud (Thea) [194],
    geb. te Stadtlohn [Duitsland] op 6 apr 1944, ged. RK te Stadtlohn [Duitsland],
    Winkel,
    ♥ tr. (22 jaar oud) [82] te Winterswijk op 1 nov 1966
    met A.L. (Leo) Boelen [331],
    Verkoopchef.
    Uit dit huwelijk 2 kinderen.

  2. Eduard Jozefus Johannes (Edy) [195],
    geb. te Winterswijk op 27 mrt 1946,  ged. RK te Winterswijk,
    Architekt,
    ♥ relatie [83] met Margreet van Nijkerken [332],
    geb. te Winterswijk op 20 jun 1952,
    Kunstzinnig therapeute.
    Uit deze relatie een dochter.

  3. Margaretha Maria (Marga) [196],
    geb. te Winterswijk op 23 mrt 1948, ged. RK te Winterswijk,
    Communication executive,
    ♥ tr. (resp. 34 en 33 jaar oud) [84] te Winterswijk op 26 aug 1982
    met A.P.J.M. (Fons) Gietman [333], zn. van J.G. Gietman [1346] en M.J. Stammers [1347],
    geb. te Winterswijk op 29 sep 1948, RK,
    Marketing/salesmanager.
    Uit dit huwelijk geen kinderen.

  4. Yvonne Maria (Yvonne) [197],
    geb. te Winterswijk op 4 jun 1950,  ged. RK te Winterswijk,
    Kantoor,
    ovl. (54 jaar oud) te Winterswijk op 2 aug 2004.

  5. Aloysius Norbertus (Louis) [200],
    geb. te Winterswijk op 2 apr 1952, ged. RK te Winterswijk,
    Leraar wiskunde, Informatica,
    ♥ tr. (23 jaar oud) [87] te Winterswijk op 11 apr 1975,  kerk.huw. te Haaksbergen op 11 apr 1975
    met Netty Temminghoff [336].
    Uit dit huwelijk 3 kinderen.

  6. Mirjam Paulina Gerarda (Mirjam) [198],
    geb. te Winterswijk op 24 apr 1955, ged. RK te Winterswijk,
    Ziekenverzorgster,
    ♥ tr. (27 jaar oud) [85] te Winterswijk op 24 aug 1982, kerk.huw. te Winterswijk
    met Leo Niënhuis [334].
    Uit dit huwelijk 3 kinderen.

  7. Silvia Desiree Francisca (Silvia) [199],
    geb. te Winterswijk op 20 aug 1957, ged. RK te Winterswijk,
    Kantoor,
    tr. (22 jaar oud) [86] te Winterswijk op 26 jun 1980
    met Theo Metaal [335].
    Uit dit huwelijk 4 kinderen.     

 

“Wees lief voor je moesje, maakt ’t vadertje blij”,


was de gevleugelde uitspraak van Karel [59] wanneer hij zijn vrouw Truus [193] in bescherming nam. Niet geheel ten onrechte want ze was veel ziek. Desondanks had ze een heel eigen wil en dat liet ze ook merken. Hun manier van opvoeden en leven had zijn weerslag binnen het gezin. De kinderen reageren dan ook allemaal heel verschillend op de gezinssituatie. 


Karel was de jongste zoon van Gerhard Kwak en Hedwig Möller. Hij werd geboren op 9 december 1917 in Winterswijk. Karel was van nature een bescheiden, devoot, geestig en goedlachs mens. Altijd vrolijk en nooit sacherijnig. Dat is hij zijn hele leven gebleven. Dit ondanks het feit dat hij in zijnjeugd nogal last had van ‘vliegende reumatiek’. Een vorm van jeugdreuma waarbij spontaan ontstekingen ontstaan in de gewrichten. Het ene moment had je last van ontstekingen in je rechterknie en de volgende dag ineens in de linkerarm bijvoorbeeld. Vandaar de term vliegende reuma. Hij moet daar behoorlijk last van gehadhebben.


Priester

Karel wilde altijd al graag misdienaar worden maar mocht niet omdat hij al bij het koor zong. Twee dingen vond de pastoor wat te veel van het goede. Hij zong vaak solo met name met de kerkelijke feestdagen. Hij kreeg de kans om zijn liefde voor het geloof uit te diepen toen hij van zijn 12e tot zijn 19e voor priester ging studeren. Karel studeerde in Nijmegen en Uden bij de Kruisheren, een kloosterorde die haar oorsprong vindt in de 13e eeuw in de omgeving van Luik in België.
De orde werkte veel in missiegebieden over de hele wereld. In Nederland hielden de Kruisheren zich voornamelijk bezig met onderwijs, parochiezielzorg en maatschappelijk werk. De jonge Karel behaalde in Nijmegen zijn gymnasiumdiploma en studeerde verder aan het priestercollege in Uden, een soort kleinseminarie van deze orde. Het was een vooropleiding voor toekomstige priesterstudenten. Daarna volgde hij nog ongeveer een jaar de vervolgopleiding tot priester aan het groot seminarie. Dat is de eigenlijke opleiding tot priester met vooral de vakken filosofie en theologie. Kort voor zijn noviciaat, een soort proeftijd voor je definitief het klooster ingaat, slaat de twijfel toe. Karel zit vreselijk met zichzelf in de knoop. Hij verwoordt dat op 10 mei 1936 in een brief aan zijn ouders:


Strijd heb ik op het ogenblik! Strijd met mijn roeping. Al direct na de vakantie begon deze strijd en ik roep uw hulp in, troost van uw kant. De studie staat me tegen omdat ik niet meer doelbewust studeer. Mijn heilig ideaal waar ik bijna zes jaar en ook al voor die zes jaar, lang zo vol van was, is nu voor mij, als sneeuw voor de zon verdwenen. Ik mag het noviciaat niet ingaan want ik voel ’t dat ik ’t er niet zal kunnen uithouden want als in een droom heeft Onze Lieve Vrouw ’t mij gezegd dat ik geen priester mag worden en dus zeker geenkloosterling(…).”


In de nalatenschap van Karel bevinden zich verschillende brieven die soms op hartverscheurende wijze zijn worsteling beschrijven. Ondanks deze brieven en zijn verzoeken om hulp aan zijn ouders, zijn biechtvader en de prior van het klooster komt hij er niet uit. Hij vraagt zelfs aan zijn vader om met de pastoor in Winterswijk te praten en vraagt hen voor hem te bidden in deze moeilijke tijd.


“Papa en Mama, meent niet dat ik u allemaal heb willen bedriegen omdat ik ’t soms al eerder zou geweten hebben. Nee, nu niet meer, ik ben nu gauw 19 jaar en dat zou toch niets zijn om je eigen ouders te bedriegen. Och God bewaar me hiervoor.(…).“


Karel geeft in zijn brieven aan dat de studie niet voor niets is geweest. Voor zijn geestelijke ontwikkeling was het goed. Ook geeft hij aan alles aan te willen pakken om te slagen in het leven. Hij wil de hoge kosten die zijn ouders hebben gemaakt om de studie te betalen allemaal vergoeden en is daarvoor zelfs bereid als kelner aan de slag te gaan om later een hotel of café te beginnen. Hij vraagt zijn ouders uitdrukkelijk om iedereen voordat hij thuiskomst op de hoogte te brengen omdat hij dat zelf maar moeilijk op kan brengen. Op sommige momenten in de briefwisseling geeft Karel aan dat zijn vader zeker niet gelukkig was met de situatie. Dat is wellicht de reden dat hij besluit voorlopig niet naar huis terug te keren. Wellicht heeft zijn vader het hem wel verboden. Uiteindelijk bleek de onvrede zo groot dat het hem zelfs werd verboden om de begrafenis van zijn moeder (1937) bij te wonen.

Naar België


Karel vertrok naar Ida en Herman Forrer in Quatrecht in België. Die hadden daar een goedlopende zaak in dierenvoer. In België hielp hij met het sjouwen van meelzakken bij zijn zwager op de molen. Maar dat gaf vanzelfsprekend geen bevrediging en in de zomer van 1938 fietste hij naar huis. Daar aangekomen kreeg Karel een baan als nachtwaker bij de Tricot textielfabriek aan de Wilhelminastraat waar hij in de nachtelijke uren zijn boekhouddiploma’s haalde.

Dochter Thea zegt over deze situatie:


“Uiteindelijk vond hij de meisjes toch leuker en hij stopte met zijn opleiding. Hij heeft die echter nooit vergeten want hij heeft altijd contact gehouden met de paters. Ook in zijn latere leven ging hij nog regelmatig op retraite. Ondanks deze contacten was hij van mening dat kinderen eigenlijk nooit naar een kostschool gestuurd mochten worden.“


Karel was in eerste instantie gek op de zus van zijn latere vrouw Truus: Anneke. Hij heeft haar, zoals toentertijd gebruikelijk, voor het eerst ontmoet tijdens de katholieke dansavonden in het parochiehuis. Maar uiteindelijk koos hij toch voor Truus die op de Tricot werkte. Truus Olthof werkte daar als ‘spinster’ en was de dochter van Johannes Cornelis Olthof en Gertrud Heidemann. Ze werd geboren in Neede op 18 maart 1919 en was naar Winterswijk gekomen vanwege het feit dat haar vader als rangeerder door de spoorwegen naar Winterswijk werd overgeplaatst.Thea:


“Mijn moeder vertelde vaak dat vader Kwak niet erg gelukkig met de keuze van zijn jongste zoon. Ze paste aldus Truus qua afkomst niet in het ‘hoteliersgeslacht! ‘ uit Winterswijk. Dit ondanks het feit dat ze een tijdje bij het deftige hotel Post in Neede had gewerkt."


Mede door haar werk daar was ze erg gesteld geraakt op uiterlijkheden. Zo zat d’r haar altijd netjes en had ze heel verzorgde nagels. Het kon haar niet deftig genoeg zijn. In dat soort zaken was ze een ‘lastige tante’. Volgens vader Kwak had ze veel te zachte handjes door het gebruikte schapenvet bij het spinnen. Hij had nog nooit zulke mooie handen gezien en dat was in zijn ogen geen erg goede kwalificatie voor de toekomstige vrouw van Karel. Karel zette echter door en ze dachten, ondanks de moeilijke tijden zelfs aan trouwen.


Kiel 

Voorlopig kwam daar echter niet echt veel van terecht want de Tweede Wereldoorlog brak uit en Karel werd gedwongen tot de ‘Arbeitseinsatz’ (gedwongen werkinzet) in Duitsland. Vermoedelijk is hij daar heen gereisd via Bentheim, net over de grens bij Enschede want via die stad gingen de meeste arbeiders richting Kiel. Bij de grens werden de passen gecontroleerd en gestempeld. Ook kreeg je een ‘Päckchen Brote’ (pakje brood) om de reis naar Kiel te kunnen overbruggen. Daar moest hij zich melden op het ‘Arbeitsambt’(Arbeidsbureau).


Omdat hij met name door zijn baan als nachtwaker niet erg geschikt was om te spitten werd hij, vanwege zijn gymnasiumopleiding en talenkennis aangesteld als ‘Dolmetscher’ (tolk). Hij woonde in het ‘Wohnlager’ (woonkamp) van de scheepswerf genaamd: Deutsche Werke in Kiel (DWK) in Flintbek een klein plaatsje ergens boven Kiel (Holstein). Vanwege ‘Luftschuttzmässigen Grunden’ (omstandigheden voor de veiligheid tegen luchtaanvallen) lag het kamp, net als de andere zeven kampen buiten Kiel. Ze lagen dan buiten het gebied van de voortdurendeluchtaanvallen.


Na zich aangemeld te hebben bij het arbeidsbureau ging Karel met de trein naar Flintbek waar hij zich moest melden bij de ‘Lagerführer’ (kampleiding) van het werkkamp waar hij werd ingekwartierd en waar hij zijn slaapplaats kreeg toegewezen. Als Nederlandse dwangarbeider had je het in de begintijd nog niet echt slecht. Je kreeg zelfs nog een redelijk loon. Zo verdiende Karel als tolk het bijna vorstelijke bedrag van 200 Reichsmark per week. Wel moest je uitkijken bij de uitbetaling want als je niet protesteerde werden zaken als pensioen en een bijdrage aan het ‘Winterhilfswerk’ (WHW) gewoon afgetrokken. En daar zat je als Hollander niet op te wachten want dat kreeg je nooit terug. Meer geld was veel belangrijker.


Het kamp, gebouwd in 1942, bestond uit houten barakken. Iedere barak had negen zogenaamde stapelbedden voor 18 mannen. Ieder man beschikte over een blauwwit gestreepte overtrek die werd gevuld met papierstroken in plaats van stro en dus als matras dienst deed. Daarnaast een deken. Daar zouden ze het voorlopig mee moeten doen. Iedere bewoner beschikte tevens over een smalle kast is. In de barak stonden verder twee tafels met aan weerszijden een lange zitbank.

Aan de buitenkant van de barak was nog een schuurtje aangebouwd waarin de kolen voor de kachel opgeslagen werden. Lang heeft het niet geduurd dat de schuur vol kolen lag want naarmate de oorlog vorderde waren die steeds vaker op rantsoen en dan bleef er niets anders over dan zo zuinig mogelijk te stoken en met z’n allen dicht rond de kachel te kruipen. Karel schrijft in een feestlied dat hij ter plaatse schreef dat er ongeveer 500 Hollanders wonen.


Tijdens het eten vertrok iedereen naar de kantine. Daar stelden ze zich op in een lange rij met hun etensbakje. Vervolgens kregen ze een schep onduidelijk ‘voer’ dat  ze in hun barak opaten. Koolsoep, met een verdwaalde schijf worst, stond vaak op het menu. Wanneer het licht uit ging dan waren er soms carbidlampen. Zo niet dan rookte je nog een sigaret en ging vroeg naar bed.


Per barak was er koeriersdienst. Dat betekende dat je dan ’s morgens aan de beurt was om koffie te halen. Die werd gehaald in een geëmailleerde kolenkit. Daar hadden ze er twee van. Een voor de kolen en een voor de koffie. Daarna snel wassen en ontbijten, tenminste als je nog wat had. Vervolgens met de trein naar Kiel waar je op het hoofdstation in kon stappen in boten die je naar de werf brachten.


De bewoners van het kamp werkten allemaal voor de scheepswerf in Kiel, die door zijn omvang voor wat betreft de oorlogsindustrie zat te springen om arbeiders. Het is bekend dat de Nederlandse dwangarbeiders daar regelmatig wat pikten. Met name platen staal om zelf pannen van te maken. Hout om de kachels mee te stoken en kleding. Ook organiseerde je levensmiddelenbonnen als je de kans kreeg. Die gingen mee onder de jas of in de broekspijpen die vanonder met elastiek dicht zaten. Alles wat je gebruiken kon werd georganiseerd en er was dan ook een levendige zwarte handel.


Pakketten

Tabak was een gewild artikel en iedere nieuwkomer werd dan ook met argusogen bekeken. Wellicht had hij wel tabak bij zich. Meestal rookten ze de ‘Bahnsteig-zwo Zigaretten’ Dat waren ‘Kippen’ (peukjes) die verzameld werden op het station voor ze in de trein stapten.


In 1943 hadden de mannen nog vrije weekeinden. Later zou dat drastisch veranderen. Maar rond 1942 konden ze nog de stad in. Kiel bleek toen nog een mooie stad met prachtige parken. Veel contact met Duitse meisjes was er niet. Dat was voor de dames in kwestie streng verboden. Eigenlijk net zo als het bij ons niet gewenst werd wanneer je je als Nederlandse vrouw met de Duitse bezetter in liet. Karel zal in die tijd wel contact hebben gezocht met de familie in Hamburg. Ook was toen de zaterdagavond nog een soort feestavond.

Je kreeg dan bij het eten een uitstekende broodpap en je kreeg als extra een brood, kunsthoning, een stuk boter en extra worst. Veel van de mannen verorberden die lekkernijen in één keer. Dan hadden ze tenminste een keer per week een uitstekende maaltijd. Ze hadden in het kamp wel veel last van luizen. Protesten bij de kampleiding hielpen niet en er zat vaak niets anders op dan dat je elkaar ontluisde.


In tegenstelling tot de berichten uit andere kampen was de sfeer in Flintbek redelijk goed. De mannen kregen pakketjes van huis, als ze tenminste onderweg niet gestolen werden, en verdeelden ze onder elkaar. Het was daarbij wel van groot belang of je bij een bepaalde groep hoorde. De jongens van het platteland waren daarbij vaak de bevoorrechte groepen want die kregen meestal meer pakketjes van thuis als die uit de stad want daar was in Nederland ook niets meer te krijgen. Er was wel een zekere argwaan tegen de jongens die op het kantoor werkten ten opzichte van de werfarbeiders. In de loop van de tijd werd dat wel minder. Zeker wanneer je bewezen had dat je net als de arbeiders de Duitsers probeerde te saboteren. Opvallend was wel dat men vaak alleen contact had met de eigen barak. Om dat onderling in vrede te houden was al moeilijk genoeg.


In het begin was het nog mogelijk om naar Nederland op vakantie te kunnen. Mits je er voor zorgde dat een van je kamerbewoners borg voor je stond. Wanneer de vakantieganger in kwestie echter niet terug kwam dan kreeg de borg geen vakantie. Dus dat liet je wel uit je hoofd.


Uit die periode dateert een lied dat Karel schreef met de naam ‘Lieveling ik denk aan de dagen’. Het is een lied dat hij schreef op 7 februari 1943 ter gelegenheid van een liederenwedstrijd in het kamp. Karel schreef aan de jury:


“Dit vers werd door mij gemaakt op 7 februari 1943 en op het ogenblik zingt het hele lager dit liedje. In de hoop dat de jury niet al te streng zal oordelen, blijf ik in afwachting op een troostprijs.”


Naast zijn tolkenwerk hield Karel zich, in opdracht van de Deutsche Werft bezig met het vervaardigen van de reispassen van de bewoners.


Door zijn werk als tolk had Karel de mogelijkheid om te manipuleren en dat deed hij dan ook door vertalingen van brieven te schrijven die niet altijd even waarheidsgetrouw waren. Zijn medegevangen konden op die manier wat meer schrijven dan toegestaan was. Het was Karel’s manier om tegen de Duitsers te strijden. In die zin deed hij niet onder voor de werfarbeiders maar die deden het op hun manier door opzettelijk fouten te maken of slecht werk af te leveren. Het liep bijna fout toen hij op een keer weigerde een brief te vertalen van een Nederlander en dreigde daarop dood geschoten te worden. Hij werd gered door een Duitse officier die hem beloonde voor zijn lef.

Panorama Plönersee 2008


De omgang met de Duitsers was zowel positief als negatief. Vaak lieten de Duitsers merken dat je niet van het ‘Arische’ ras was en zo werd je bijvoorbeeld in de trein resoluut van je stoel gejaagd door de ‘Űbermensch’. Hun stemmingwasooksterkafhankelijkvandesituatieaanhetfront.Alshetdaar goed liep waren de Duitsers vaak overmoedig en hard, maar als het tegen zat waren ze veel vriendelijker en zelfs bedeesd. Maar over het algemeen lieten ze heel duidelijk merken wie de baas was. Er waren wel verschillen onderling. Zo had je de echte Nazi’s (SA, NSDAP, Gestapo enz.), de grote groep van meelopers en de tegenstanders van het Hitler regiem. Met deze laatste groep had je nauwelijks te maken, tenzij het, in het geval van Karel, familie was. Daarbij was het van groot belang of je je kon aanpassen en inleven in de Duitse manier van leven en ook dat was bij Karel zeker het geval.


Tijdens zijn verblijf in Flintbek probeerde Karel onder het mom van bijvoorbeeld ‘Familienverhältnisse, Krankheit und Beruflicher Aufstieg’ (familieomstandigheden, ziekte en opleiding) voortijdig naar huis te komen. Hij miste de familie maar in het bijzonder zijn Truus en diende een verzoek in om in Bocholt te mogen werken. Het feit dat hij uiteindelijk trouwt maar in Hamburg gaat wonen laat zien dat het verzoek niet is ingewilligd. Wel kreeg hij op 1 juni 1943 zijn ontslag als tolk, omdat de tijd die hij verplicht was te werken was verstreken.


Naar Hamburg

In die periode ging Karel vaak naar Hamburg. Daar woonde neef Theo Kwak. Die kreeg het samen met zijn vader Herman Kwak voor elkaar dat Karel in hun bedrijf als boekhouder kon werken zodat hij verlost was de angst opnieuw gedwongen in Duistland te moeten werken. De situatie werd nu wat zekerder en Karel vertrok naar Holland om zijn Truus op te halen. Hij kon niet langer zonder haar en besloot in Winterswijk eerst met haar te trouwen en dan weer terug te reizen naar Hamburg.


Op 30 juni 1943 trouwen Karel en Truus en er wordt feest gevierd in uitspanning Wamelink in Winterswijk.

achterste rij: Gerard Knoop, Maria, ?, Gerrit Olthof, ?,?, Nel, Anneke Olthof, Paula,Henk Bolder.
tweede rij: Gerrit, Opa Kwak, ?, Cato Bolder, Gerda Elschot, Annie Olthof, Hendrik Olthof, Johan Olthof, Ida met kind ?, ?, oma en opa Olthof (ouders van Truus), ?, Mi-je en Hendrik Kwak,

midden Karel enTruus.

onder: Frans Olthof, vermoedelijkElly en Hetty Kwak,?,?,?, Anton Olthof.

Bombardement

Kort na het huwelijk vertrok het jonge paar naar Hamburg waar ze een kamer hadden aan de Groβe Bleichen 68, derde verdieping, kamer 3. Lang hebben ze daar niet gewoond. Want op 24 juli 1943 startte het grote bombardement op Hamburg door de Britten, operatie Gomorrha genoemd. Het geweld duurde tot 3 augustus. In totaal vlogen 2353 zware bommenwerpers over de stad. DeBritten gebruikten voor het vernietigen van de stad een zogenaamd ‘tapijtbombardement-techniek’. Dat hield in dat de aan te vallen steden in sectoren werden ingedeeld die per sector werd afgehandeld. Eerst met explosieve luchtmijnen waardoor de daken en de ramen werden weggerukt en vervolgens met brand- en brisantbommen om alles in brand te steken. Door het ontbreken van de daken ontstond, door de zuiging van de hete lucht, een alles vernietigende vuurstorm. Deze stormen waren zo intens dat de zuurstof uit de schuilkelders werd gezogen waarvoor rook in de plaats kwam. Ook werden de waterleidingen zwaar beschadigd waardoor het blussen sterk werd bemoeilijkt. Ook gebruikten de Britten bommen met tijdontstekers waardoor het bluswerk extra moeilijk werd. Tijdens de oorlog noemden de Britten deze aanpak het ‘Hamburgeriseren’ van Duitse steden. In totaal wierpen de Britten meer dan negenduizend ton bommen op de stad. Alleen al in de nacht van 24 juli vielen er bijna honderdduizend op de stad. Daarbij vielen ruim 18.000 doden.


Het werkelijke aantal is waarschijnlijk veel hoger vanwege het feit dat veel lichamen door de talloze vuurstormen nooit teruggevonden zijn. Tijdens dit inferno werden in eerste instantie alle vrouwen en de kleine kinderen gedwongen geëvacueerd. Ook Karel zag kans om veilig met Truus weg te komen. In eerste instantie vertrokken ze naar Mölln waar Herman Kwak en zijn dochter Martha inwoonden bij zoon Theo en zijn gezin.

Uiteindelijk kregen ze het daarna voor elkaar om richting Winterswijk te komen. Werk was er nauwelijks, dus niets hield ze tegen. Van hun bezittingen was niets meer over. Vanwege de oorlog konden ze niet meteen terug naar Nederland, vandaar dat ze een tijdje verbleven bij ‘Grotmoo‘ (grootmoeder) Heidemann, de moeder van hun schoonmoeder Gertrud Heidemann die woonde aan de Mittelstraβe 5 in Stadtlohn. Grotmoo stond in Stadtlohn bekend als ‘het kruidenvrouwtje’ en was altijd in de weer met het zoeken van heilzame kruiden. Oudste dochter Thea is daar geboren. Het gezin heeft daar ongeveer een jaar gewoond. Het was geen groot huis waar een groot deel van de familie Heidemann in die tijd nog woonde.


Van daaruit doet Karel nog een poging om in aanmerking te komen voor ‘Kriegssachschäden’. Een schadevergoeding van de verloren eigendommen tijdens het bombardement. Hij diende een gespecificeerde rekening in ter hoogte van f 1555,80. Pas in 1954 werd zijn eis afgewezen omdat hij volgens het schrijven van het ‘Beschwerdeauschusz’, het bureau waar de schadeverzoeken ingediend waren, geen eigen woonruimte en meubels bezat. Karel huurde destijds in Hamburg een gemeubileerde kamer wat geen recht gaf op vergoeding.


Spitten

Toch wisten de Duitse autoriteiten Karel te vinden. Hij moest de administratie bijhouden van de ‘spitters’. Dat waren mannen uit Winterswijk die, gedwongen, moesten werken aan de verdedigingslinies in Duitsland. Vooral na ‘dolle dinsdag’ (september 1944) werden steeds meer arbeidkrachten geronseld. Karel deed de schriftelijke verantwoording van de aanwezigen. Er zit in het archief van zoon Edy nog een schriftje met aantekeningen dienaangaande. De mannen werkten voor de Organisation Todt. Iedere morgen gingen de mannen vanuit Winterswijk op de fiets in de richting van Emmerick. Ze werkten daar in een bosgebied op ongeveer 20 kilometer achter Bocholt. Karel noteerde hun namen en fungeerde als tolk. Karel leverde de presentielijst steeds in bij de districtsbaas in Bocholt. In het bos werden bomen gekapt en gesnoeid en loopgraven gegraven. Er werd behoorlijk geknoeid, zodat er per dag maar een paar meter werd afgeleverd. De spitters smokkelden veel, voornamelijk om te kunnen ruilen. Fietsbanden en carbid voor de lampen in huis waren hierbij dankbare materialen.


Regelmatig waren er dan ook controles waarbij alles ingeleverd moest worden. Het hielp wel als je een beetje brutaal was. Zo heeft Karel een keer door luidkeels te roepen dat de bakfiets van zijn broer Otto was gestolen voorkomen dat hij gefouilleerd werd en zijn pakjes boter moest afgeven. Bijkomend resultaat was dat de opzichter, die de dieven met de bakfiets kort daarvoor was tegen gekomen, deze terug bezorgde bij Karel. Met dat ding naar huis bleek echter nog niet zo eenvoudig vanwege de voortdurende dreiging van Engelse jachtvliegtuigen. Karel weigerde een lift van een vrachtwagentje. De mannen wilden de bakfiets wel aan de achterkant vastknopen en hem zo naar Winterswijk slepen. Gelukkig maar, want kort voor de grens werd de vrachtwagen in puin geschoten. Heelhuids bereikte Karel Winterswijk waar de bakfiets dankbaar door broer Otto in ontvangst werd genomen.

Na de oorlog


Wanneer ze na de oorlog terugkomen in Nederland wonen ze in eerste instantie in bij opa Kwak aan de Morsestraat 1. Later verhuist de hele familie naar een huurhuis aan de Eelinkstraat 34 (de huidige Huininkmaatstraat). Het huis was toen aan de linker- en achterzijde omringd door een bos van acaciabomen. In het kleine huisje woonden op dat moment ook Agnes en Maria de zussen van Karel. Truus en Agnes zorgden voor opa die vermoedelijk aan prostaatkanker leed. Hij werd grotendeels thuis verzorgd omdat er geen geld was voor het ziekenhuis. Hij was daarnaast ook nog eens niet verzekerd volgens Thea uit zuinigheid maar het kon even zo goed te maken hebben met de pijnlijk financiële situatie waarin hij zich bevond sinds de problemen rond hotel Germania.Thea:


“Het huisje was niet echt groot en dat betekende dat ik bij opa in bed sliep. Op de eerste verdieping. Hij sliep aan de voorkant van het bed en ik werd bijkans platgedrukt onder de schuine kant van het dak. We zijn nu zestig jaar verder en ik wil nog steeds niet slapen in een bed met een schuin dak er boven. Het is nog steeds een waar schrikbeeld. Ook het bos rondom het huis roept nare herinneringen bij me op. Je kon er prachtig spelen tot op het moment van de grote watersnood in 1953. Mijn moeder haalde me toen’s nachts uit bed omdat ze doodsbenauwd was voor de stormen de omvallende bomen.”


Wanneer opa overlijdt, blijft Karel met zijn gezin aan de Eelinkstraat wonen. Dat ging niet zonder slag of stoot want zijn dochters waren het blijkbaar niet helemaal eens met de verdeling van de erfenis, want als ze op visite kwamen dan werden verschillende prullaria opgeborgen tot dat ze weer weg waren.

Karel gaat na afloop van de oorlog in eerste instantie werken als boekhouder van de centrale keuken in Winterswijk, maar als deze wordt opgeheven gaat hij aan de slag bij de N.V. Rubberfabriek‘Vredestein’ in Doetinchem werken. Hij  blijft daar niet lang en gaat van start als boekhouder bij de Tuunte, een textielfabriek in Winterswijk. Hij is daar gelukkig en heeft een redelijk goede baan, tot het moment van de grote werkeloosheid rond de vijftiger jaren van de 20e eeuw. Er is niet voldoende werk meer en hij wordt ontslagen. Een regelrechte ramp voor het jonge gezin. En niet alleen de werksituatie was verre van rooskleurig maar hij werd ook nog eens ziek. Roodvonk. Een besmettelijke ziekte die vroeger ook wel bij volwassenen voor kwam.Tegenwoordig is de ziekte veel zeldzamer en heeft een minder ernstig verloop.


Karel ging echter niet bij de pakken neerzitten en begon in 1952 een eigen boekhoudbureau. De voorkamer werd daarvoor uitgeruimd. Ondertussen werden er na Thea, vrij snel achter elkaar, nog vijf kinderen geboren. Edy in 1946, Marga in1948, Yvonne in 1950, Louis in1952 en Mirjam in 1955. In 1953 had Truus ook nog een buitenbaarmoederlijke zwangerschap en in die tijd was ze vaak ziekvooral ook vanwege problemen met haar lever. Ondanks het harde werken van Karel was er beslist geen weelde in huize Kwak. Alles moest zo goedkoop mogelijk omdat er gewoon geen geld was. Zo kreeg het gezin bijvoorbeeld vlees van broer Gerrit de slager: Karel verrichtte daarvoor de boekhouding. Voor zover bekend ging dat met gesloten beurs. Gerrit betaalde eveneens de eerste wasmachine van het gezin want die kon er in die tijd nog niet af. Truus breide veel, uit noodzaak, en hield zich verder veel bezig met borduren en lezen.


Thea, Marga en Edy

                                                                                     Edy,Truus, Yvonne[197],Louis [200],Karel,Marga enThea


Karel had zijn eigen manier om tot rust te komen. Hij was een hartstochtelijk amateur schrijver en schreef onder een eigen pseudoniem ‘ Eduard Karels’ . Hij schreef vrijwel iedere dag wel wat. Meestal gebaseerd op de actualiteit. Hij hield zich daarnaast bezig met feestgidsen voor bruiloften, partijen en gedichten. Hij schreef bij voorkeur ’s avonds na 11.00 uur wanneer iedereen naar bed was en nam er dan een borreltje bij.


De zaken liepen niet onaardig, maar tussen Truus en Karel was het zakelijk niet altijd koek en ei. Karel kreeg, ondanks het feit dat hij toch wel een goede ondernemer was, weinig ruimte van zijn vrouw. Die moest overal in gekend worden. Haar toestemming was doorslaggevend. Vaak had ze, overigens niet altijd ten onrechte, problemen met de nota’s die hij schreef. Karel schreef ze op basis van de hoogte van de balans. Met andere woorden, als de klant niets had verdiend ging hij zelf ook het schip in. Truus was het daar uiteraard niet meeeens.


Ook buiten het werk was Karel actief. In die tijd bestond in Winterswijk de Kringnoodwacht. Eigenlijk de voorloper van de latere BB (bescherming bevolking). De noodwacht hield zich voornamelijk bezig met informatie over zelfbescherming. In het geval van een ramp gaven ze leiding aan de rampenbestrijdingsactiviteiten. Karel werd als vrijwillig noodwachter aangesteld in de functie van plaatsvervangend Blokhoofd.


Makelaar Kwak

Door Karel’s niet aflatende werklust gingen de zaken langzaam maar zeker beter. Hij wilde graag makelaar worden, maar haalde nooit zijn diploma omdat hij te weinig bouwkundige kennis bezat. Desondanks hield hij zich bezig met de huizenmarkt. Dat deed hij samen met een compagnon, volgens overlevering een zekere Wiggers die, wist men alom, geld zat had. Ze handelden door in te schrijven op huizen die door de notaris tekoop werden aangeboden. Diegene die het hoogste bod deed moest de woning kopen. De overige inschrijvers werden dan gecompenseerd door de geheven ‘opcenten’. Het was een ‘sport’ om net niet het hoogste te bieden en zo de opcenten op te strijken. Dat moest natuurlijk een keer fout lopen. Dat gebeurde met een herenhuis aan de Willinkstraat 6 in het centrum van Winterswijk. Karel had als hoogste ingeschreven en moest het huis kopen. Zijn compagnon had geen zin om mee te betalen en liet hem met de brokken zitten. Karel moest dus op zoek naar een hypotheek. Dat lukte bij horlogemaker Hendrik Seifer. Het werd een kostbare geschiedenis want het gezin woonde toen aan de Eelinkstraat en twee huizen tegelijkertijd waren niet te betalen.


Truus niet echt te spreken over de hele affaire. Terecht want het gezin was met name door het afhaken van Karel’s compagnon behoorlijk in de problemen gekomen. Ze verbood hem ooit nog in te zetten om een huis te kopen. Er zat dus niets anders op dan er zelf maar te gaan wonen. Truus wilde dat echter niet want die vond het maar een oude boel en wilde alleen als het grondig werd gerenoveerd. Dat kon pas twee jaar later want het huis kwam pas in 1956, twee jaar na aankoop, leeg. Vervolgens was er een tweede hypotheek nodig om het pand te verbouwen. Het ouderhuis aan de Eelinkstraat werd toen verlaten. Niet dat het erg was want Karel en Truus waren toen van de dubbele lasten af en dat was een hele verlichting. Ook was het huis intussen veel te klein geworden. Dochter Mirjam was kort daarvoor in 1955 geboren en moest maar bij haar zusje op de kamer. Het huis had drie slaapkamers. Een voor de ouders, twee voor de meisjes en Edy sliep in een kast op de overloop.


De huizenmarkt liet Karel echter niet los en hij hield zich daarna alleen nog maar bezig met het bemiddelen bij het aan- en verkopen van huizen. Hij verdiende goed geld aan de commissies en de verkoop van verzekeringen maar was wel van de risico’s af. Hoe goed het ging blijkt wel uit het feit dat Karel omstreeks 1957-1958 zijn eerste auto kocht: een Opel Olympia.


Willinkstraat 6

Het gezin bewoonde nu een stadsvilla midden in het dorp waar in 1957 de jongste dochter Silvia werd geboren. Vanaf het moment dat ze er woonde had Truus nooit meer een schort voor. Het leek wel of ze haar plek had gevonden.
Het was een groot huis met een voor- en achterkamer en een ruime keuken. De kleinere kamer links van de voordeur werd de spreekkamer waar de klanten werden ontvangen. De kamer was van de achterkamer gescheiden door schuifdeuren. De achterkamer lag aan de kant van de tuin en werd gebruikt als woonkamer. 


Boven waren verschillende slaapkamers. In de grote slaapkamer aan de achterkant werd het kantoor gevestigd. Er was een grote zolder waar Thea haar kamer kreeg. De achterkamer was het centrale punt van het huis waar het dagelijkse leven zich afspeelde. Dit in tegenstelling tot de voorkamer die in eerste instantie alleen gebruikt werd wanneer het feest was of wanneer er visite kwam.


De Centrale Volksbank

Karel begon aan huis met een filiaal van de Centrale Volksbank. ‘De Spaarbank voor de R.K. Arbeidersbeweging Nederland’ en bouwde langzaam maar zeker een goede portefeuille in verzekeringen op. Er moest hard gewerkt worden. Hij ging vaak op de fiets langs de boeren in het buitengebied om klanten te werven. Regelmatig kwam hij dan thuis met een Bluebanddoos (margarine) vol bonnen; de boekhouding van een nieuwe klant. Een grote warboel. De kinderen moesten dan meehelpen om die bonnen allemaal op datum te leggen zodat hij er gemakkelijk mee aan het werk kon. Thea:


“Vaak werd het op datum leggen opgelegd als een straf wanneer we weer eens wat uitgespookt hadden. Die straf konden we alleen maar ontlopen door huishoudelijke karweitjes te verrichten. Wanneer de bonnetjes allemaal op volgorde lagen dan moesten ze ingeschreven worden in de tabellarische kasboeken, een secuur werkje.”


Ondanks de nieuwe situatie, waar Truus diep binnenin best trots op was,was ze niet snel tevreden. Ze was veel ziek en klaagde veel. Het was bij haar niet gauw goed. Desondanks werd ze op handen gedragen door Karel  die probeerde haar leven zo mooi mogelijk te maken. Hij pikte niets, van niemand, wanneer het haar betrof. Ze was zijn popje, zijn ideaal. “Wees lief voor je moesje, maakt ‘t vadertje blij”, was zijn gevleugelde uitspraak. Ze kreeg in alles gelijk en dat had regelmatig zijn weerslag op de stemming binnen het gezin.


Omdat Truus veel ziek was werd de oudste dochter Thea al vanaf de vijfde klas van de lagere school gedwongen om zo veel mogelijk thuis te helpen. Zij moest voor de overige kinderen zorgen. Truus was daartoe niet in staat. Uiteindelijk moet ze door deze situatie in de derde klas van de Mulo van school. Haar hulp was thuis gewenst. Wat extra opleiding krijgt ze nog wel op de Mater Amabilisschool, maar het studeren was voorbij. Voor haar was dat geen gemakkelijk leven.


Louis, de jongste van haar twee broers, had het ook niet gemakkelijk. Die had steedsproblemen met zijn maag. En met Mirjam en Silvia als baby’s had Thea haar handen vol. Ook Marga bleef niet verschoond van het ziekenhuis. Bij haar werd op jonge leeftijd een grote moedervlek aan haar linker arm verwijderd.


Thea werkte ’s morgens op kantoor en ’s middags in de huishouding. Daarbij had ze een enorme hekel aan het warme eten ’s avonds. Het was namelijk gebruikelijk dat er pas werd gegeten wanneer iedereen thuis was. Desnoods werd er gewacht tot het eten was verpieterd, maar gezamenlijk eten was het gebod. Ook moest de tafel altijdin volledige stijl gedekt worden. Ergens moest de standing toch vandaan komen. Messen vorken, platte en diepe borden en absoluut geen pannen op tafel. Dat deed je niet. Stel je voor dat er een klant binnenkwam. Daardoor was ze altijd laat en kende weinig vrijetijd. 


Ook Edy werd aan het werk gezet. Hij zegt daarover:
“Toen ik van de lagere school af was, moest ik op zaterdag altijd de verzekeringspremies ophalen. Vooral in Meddo want daar had mijn vader veel klanten. Ik heb wat afgefietst.“


Er waren trouwens nog meer strenge regels. Zo mocht je overdag nooit naar de slaapkamers om even alleen te zijn. Slaapkamers waren om te slapen en daar bleef je overdag weg. En de voorkamer was in het begin helemaal taboe. Die was alleen voor de klanten of de visite.


Het kantoor

De hele situatie rond het kantoor was toch altijd wel dwingend aanwezig. Stilte was geboden. Huilen, schreeuwen, laat staan ruzie was uit den boze. Alles stond in het teken van het kantoor. Wanneer je weer eens kattenkwaad had uitgehaald dan moest je voor straf de belasting- en boekhoudnaslagwerken van Karel opruimen en bijwerken. Een vervelend karweitje volgens Mirjam.


Een deel van de inkomsten haalde Karel door het geven van cursussen aan huis. Hij leidde op voor het middenstandsdiploma, het praktijkdiploma boekhouden en hij gaf typelessen. Menig cursist zat daar aan de lange tafel in het kantoor te rammen op de Everest machine. Edy:
“ Toen we nog klein waren lagen we al voor 18.30 uur in bed. En we mochten absoluut geen geluid maken. Alles stond in het teken van de lessen. Doodse stilte was geboden anders zwaaide er wat.”


Toen de werkzaamheden al maar toenamen en Truus steeds vaker ziek werd kwam er meer hulp in huis. Op het kantoor werkte jarenlang Marian Meerdink en in de huishouding was Ria Schurink bijna 10 jaar de vaste gezinshulp. Mirjam:


“In de ogen van Silvia en mij was mamma altijd ziek. Daarom was het fijn dat onze hulpen altijd bij van alles in het gezin betrokken werden. Ze hoorden er gewoon bij. Ze waren een soort ‘buitengezinse’ uitlaatklep. Voor ons waren ze een welkome afwisseling en met hen konden we altijd gezellig praten. Verder had ik nooit zoveel problemen met het kantoor boven. Ik had er alleen een hekel aan wanneer mijn vader aan het begin van het jaar vaak tot diep in de nacht doorwerkte om alle belastingaangiften voor zijn klanten op tijd weg te krijgen. Dan had ik medelijden met hem.”

Lunenburg

Na het overlijden van zijn broer Gerrit in 1962 werd Karel aangesteld als voogd en kreeg hij duidelijk meer bemoeienis met het achtergebleven gezin van zijn broer. Hij constateerde de steeds groter wordende problemen rond het drijven van diens slagerij en ging op zoek naar een huurder.

Daarbij liep hij de firma Lunenburg, een exploitant van slagerijen, tegen het lijf die overal in de Achterhoek zocht naar vestigingspunten om zijn ‘kiloslager’-imperium uit te breiden. Het vestigingspunt van zijn over-leden broer Gerrit Kwak was voor de firma heel interessant omdat het toentertijd was gelegen op een uitstekende locatie aan het Weurden. Via deze weg kwamen de Duitsers Winterswijk binnen in het kader van de toenmalige Butterfahrten. Hier zat de omzet en daar was de desbetreffendeondernemerwelgekop.


In 1963 huurde Lunenburg de slagerij van Gerrit Kwak. Dit contract had twee voordelen. Op de eerste plaats verhuurde de weduwe van Gerrit, Gerda Kwak-Elschot voor een zeer behoorlijk bedrag haar pand. Op de tweede plaats was Lunenburg nogal onder de indruk van de aanpak van Karel en nam hem in 1963 aan als boekhouder. Voorhet jonge gezin van Karel was dat een uitkomst. Want nu was ineens de ziekteverzekering en de kinderbijslag gedekt en betekende de baan een extra bron van inkomsten. Op het eigen administratiekantoor kwam boekhouder Mentink die de zaak daar draaiende hield waarbij Truus mee hielp.


De financiële situatie verbeterde enorm. Enerzijds door het uitstekende salaris en anderzijds door de kinderbijslag. Echtgenote Truus vond de hele situatie prachtig. Er was eindelijk voldoende geldom ruim te kunnen leven. Ze droeg graag mooie kleren en ging regelmatig naar de kapper. Niets was gek genoeg. Ze had nu wat meer mogelijkheden om haar hang naar het luxe leven uit te breiden. Dat het allemaal niet op kon bleek ook uit het feit dat Edy, Louis, Karel en Jo Ebbers,de vriend van kantoormedewerkster Marianne Meerdink, op een keer besloten samen naar de Tour de France te gaan kijken. Van het ene op het andere moment stapten ze ’s nachts in de auto en reden naar Parijs. Het kon allemaal.


Toch waren er ook zaken die als minder plezierig werden ervaren.  De meisjes deden meestal het meeste werk en ze vonden dat niet altijd even leuk. De jongens hadden daar niet zoveel last van, daar mocht je van Truus niet aankomen. Voor de meisjes was er altijd weekenddienst waar vooral Thea het moeilijk mee had. Stofzuigen en koken was dan aan de orde. Het ging zelfs zover dat ze tijdens de verkering met vriend en latere echtgenoot Leo Boelen op zaterdagavond op tijd terug moest zijn van de katholieke Instuif, een jeugdsociëteit, omdat ze altijd zondagsdienst had.


De zondag was van Karel en Truus. Dan gingen ze na de kerk bij hotel Kronenhuis op de markt koffiedrinken terwijl Karel dan meteen een partijtje biljartte. Op de zondagavond gingen ze altijd uit. En dan had je maar te zorgen dat alles in orde was. Deze kerkgang was trouwens voor Mirjam vaak een plezierige gebeurtenis. Ze probeerde regelmatig met haar vader naar de kerk te gaan. Mirjam:
“Wanneer ik met hem naar de kerk mocht had ik het grootste plezier. Allereerst had ik dan het gevoel hem eindelijk een uurtje voor me alleen te hebben, want hij maakte dan altijd plezier. Zo waggelde hij regelmatig naar de kerk met één been in de goot en met de andere op de stoep. En wij achter hem aan. Soms schaamde ik me een beetje. Vooral wanneer Pappa luid met de Latijnse liederen meegalmde. Hij kon heel goed zingen maar als kind naast hem was je niet altijd gelukkig met de aandacht die hij dan kreeg.“


Op zaterdag was er nog een ritueel waar vooral de jongste kinderen mee te maken hadden. Zo moesten Mirjam en Silvia altijd op de zaterdag mee wanneer Karel geld op moest halen bij de Lunenburg slagerijen in de Achterhoek. Bij een groot aantal slagerijen werd het geld verzameld en dat werd in de kluis in Doesburg opgeborgen nadat het door hem en de kinderen was geteld. De kinderen gingen dan mee als tassen dragers. Volgens Karel zou niemand op het idee komen dat kinderen met zoveel geld over straat zouden lopen.


“Het was niet altijd leuk om mee te gaan”, aldus Mirjam,“ want je speelde liever, maar het zakje patat dat we altijd in Terborg van Pappa kregen maakte veel goed." 


Het feest duurde helaas niet eeuwig. Na jaren van voorspoed ging de firma Lunenburg in 1974 failliet en Karel keerde terug naar zijn kantoor aan de Willinkstraat. Er kwamen dus weer klanten aan huis en Truus vond dat moeilijk vooral omdat ze steeds verder in gezondheid achteruit ging. Ze had sinds 1967 al veel last van reuma en kreeg in die tijd ook nog last van haar hart en vanaf dat moment sliep ze nooit meer boven maar stond haar bed in de voorkamer.


Desondanks gingen de kinderen hun eigen weg. Er werd ze nauwelijksietsin de weg gelegd. Ook qua opleiding was er niets aan de hand. Alles was goed en iedereen ging zijn of haar eigen gang. Ook met de vrienden en vriendinnen was het regelmatig feest. Iedereen was altijd welkom. Het leek soms wel een ‘open huis’. Karel en Truus bemoeiden zich nooit met de vriendjes en vriendinnetjes, althans ze lieten het niet blijken vertelt Mirjam.


Karel overlijdt

Wanneer Karel ziek wordt omstreeks 1988 krijgt Truus het moeilijk. Ze kan hem niet alleen verzorgen en iedereen komt helpen. Uiteindelijk overleed Karel na verschillende keren getroffen te zijn door een hartstilstand. Hij overleed net voor de toediening van de laatste Heilige Sacramenten op 24 april 1989.


Yvonne die al geruime tijd bij haar vader op kantoor werkte nam de zaak over. Vrijwel meteen stopte ze met de bankactiviteiten want ze was bang voor de grote hoeveelheid geld die vaak in het huis aanwezig is. Niet lang daarna werd het totale kantoor opgeheven. Het klantenbestand ging over naar Administratiekantoor Gelderland en Yvonne verhuisde mee. Ze kon er absoluut niet wennen. Ze wilde alleen aan haar eigen klantenbestandje werken en paste niet echt in het team. Dat is overigens niet verwonderlijk wanneer je altijd alleen hebt gewerkt. Lang ging dat dan ook niet goed en Yvonne ging een paar uur per week werken bij modehuis Lückman.

Thea begon op 1 november 1966 samen met echtgenoot Leo, die toen werkte bij Knoef ijzerhandel aan de Oldenzaalsestraat in Hengelo (O) in Groenlo een winkel in serviezen, galanterieën en andere huishoudelijke zaken. Dit werd mogelijk gemaakt door oom Theo Kwak uit Hamburg die in Nederland nog wel wat geld wilde beleggen. Maar de zakelijke activiteiten liepen slecht af. Om meer klanten te trekken werden er plannen gemaakt om de zaak te verbouwen en het assortiment aan te passen. Helaas kwam daar weinig van terecht. Geldschieter oom Theo overleed namelijk in1972 enThea en Leo kwamen er alleen voor te staan. Het beloofde geld van Theo kwam niet terwijl de zaak al geopend was. Maar dat niet alleen. Maandenlang  ging de straat in Groenlo er uit vanwege herstelwerkzaamheden. Er kwamen nauwelijks nog klanten. en dat bleek de nekslag. De zaak werd verkocht en Thea en Leo vertrokken naar Tiel waar Leo ging werken als verkoopchef bij de Hema.


Edy studeerde af als architect en heeft zijn eigen architectenbureau in Winterswijk. Daarnaast is hij deeltijd docent aan de Hogere school van Arnhem en Nijmegen (HAN). Marga ging na enkele maanden thuis gewerkt te hebben de deur uit en trad in dienst bij een grote landelijke bank. Louis werd wiskundeleraar en is vrijwel voortdurend bezig op het gebied van de informatica. Daarnaast is hij een zeer verdienstelijk amateurschilder. Silvia trok net als Yvonne naar kantoor en Mirjam werd ziekenverzorgster.


Truusoverlijdt

Op 27 mei 1993 overleed Truus, slechts 4 jaar na haar Karel.

Yvonne bleef alleen in het grote huis achter. Ze kon er gemakkelijk blijven wonen want het huis was nog tijdens het leven van Karel aan haar overgedaan voor een redelijk bedrag. Haar broers en zusters hadden daarmee ingestemd. Helaas stierf Yvonne veel te vroeg op 2 augustus 2004. Ze was nog maar 54 jaar jong. Ze overleed na een slepend ziekbed, aan borstkanker en een hersentumor. Mirjam:


“Yvonne was nooit een praatster maar tijdens haar ziekbed heeft ze alles van zich afgepraat. Haar hele leven passeerde de revue als we samen zaten te praten en ze gaf aan dat ze alles had beleefd zoals het gekomen was. En ze was er tevreden mee.”


Na haar overlijden bleek dat ze al jaren van alles en nog wat verzameld had. Het hele huis bleek volgeplakt met allerhande zaken. Er lagen zelfs cadeautjes die ze voor zichzelf gekocht had, gewoon omdat een ander ze ook had, en die niet eens waren uitgepakt. Daarnaast bleek het huis een ware schat aan brieven, gegevens en foto’s te bevatten over verschillende familieleden. Van Karel en Truus zelf, maar ook van Bernardus uit Amerika en tante Maria uit de Meddosestraat. Informatie die gelukkig niet als ‘oude troep’ is vernietigd. Veel daarvan heeft bijgedragen aan de inhoud van het familieboek 'Ik bun d'r ene van Kwak'. Met dank aan boekhouder Karel en zoon Edy die de stukken weer terug vond.


Creatief

Karel was een boekhouder die bijzonder creatief was met zijn schrijverijen.  Die stapelgek was op zijn kinderen en voor hen door het vuur ging. Die zijn vrouw adoreerde. Zijn Truus was hem alles en daar had hij alles voor over. Samen hebben ze daardoor wellicht en zeker onbewust een onbedoeld een stempel gedrukt op het gezin. Ieder van hun kinderen beleefde de huiselijke omstandigheden op zijn of haar eigen manier, maar als er werkelijk wat aan de hand was dan stonden ze meteen voor elkaar klaar.

Neem contact op met:

 

Adres: Wielseweg 3-57, 3896 LA Zeewolde

Email: g.kwak@kpnmail.nl

 

Femielie

 

Webmaster Gerhard Kwak

 

Website van de Achterhoekse & Twentse families Kwak, Elschot, ten Thij en Goossen.

 

© 2018 - 2020 Gerhard Kwak, Zeewolde.  All Rights Reserved