Nellie Kwak - 58

Gezinsblad Nel Kwak & Piet Benink

Piet Benink en Nel Kwak

Broertje Karel en Nellie (rechts)
anno 1918

Inschrijjving in het trouwboekje

Links nichtje Liesbeth Kwak uit Oeding (D)  en Nel met haar Japanse Jurk

Nel circa 1934

Piet Benink en Nel

De ‘Arbeitseinsatz’ was een bekend fenomeen uit de Tweede Wereldoorlog. Via de maatregelen die daaruit voortvloeiden werden meer dan 500.000 mannen tussen de 16 en 45 jaar gedwongen te werk gesteld in de Duitse oorlogsindustrie en bij het aanleggen  van verdedigingswerken. Op het laatst van de oorlog  werden de mannen gewoon van de straat geplukt en naar Duitsland getransporteerd en moesten daar vaak onder erbarmelijke omstandigheden  werken. Ze werden als slaven behandeld en ontvingen niet  meer dan een hongerloontje. Weigeraars werden hardhandig opgepakt. Het gevolg was dat steeds meer mannen onderdoken. Na de oorlog bleek dat duizenden mannen waren omgekomen door ziekte, slechte behandeling of door oorlogsgeweld.

Trouwfoto Piet en Nel 1951

‘Nette Nellie’
Petronella Francisca Kwak [58] was de jongste dochter van Johannes Gerhard Kwak [46]. Een groot deel van haar jeugd stond in het teken van de hulp aan broers en zusters die in de problemen zaten. Mede daardoor en door de oorlog trouwde Nel pas laat met haar Pieter Alinus (Piet) Benink [399]. Het paar kreeg 2 kinderen.


Nel werd geboren op 22 november 1915. Net na het begin van de Eerste Wereldoorlog. Ze groeide op in een gezin waar de economische recessie nog niet had toegeslagen. Als jongste van de meisjes had ze heel wat te stellen met haar broers en zusters. Meestal was ze daarbij de partij die de kinderlijke vetes suste. Iets wat ze haar hele leven is blijven doen. Ze zegt daarover:
“Een eigen mening mocht ik niet hebben. Iedereen besliste voor me. Ik nam me dan ook voor om later niet zoveel ‘vaders en moeders’ op de wereld te zetten. Ik had een hekel aan ruzie en wilde alles graag in harmonie hebben.”


Nel bezocht de St.Jozefschool in Winterswijk en speelde graag toneel. Zo is er een foto overgebleven van een toneeluitvoering waarin ze het blonde weeskind in een Chinees weeshuis speelde dat liefderijk werd opgenomen in een pleeggezin. Dit stuk werd uitgevoerd om geld in te zamelen voor Chinese weeskinderen. Dat was voor de organisatie Heilige Kindsheid. Daar werd trouwens veel voor gespaard. Ook haar ouders gaven een dubbeltje per week aan deze organisatie.


Pieter Alinus (Piet) Benink [399], zn. van Pieter Celinus Benink [400] en Anna Sandrina Zwijnen [401],

geb. te Arnhem op 9 jan 1922, RK,

Banketbakker,

ovl. (82 jaar oud) te Arnhem op 1 jun 2004, gecr.

♥ tr. (resp. 29 en 35 jaar oud) [107] te Arnhem op 10 jul 1951

met Petronella Francisca (Nel) Kwak [58], dr. van Johannes Gerhard (Gerhard) Kwak [46] (Reiziger, Hotelhouder) en Dora Frida Hedwig (Hedwig) Möller [47] (Huisnaaister, Costumiere),

geb. te Winterswijk op 22 nov 1915, ged. RK te Winterswijk,

Huishoudster,

ovl. (103 jaar oud) te Wageningen op 22 feb 2019, gecr. te Arnhem op 28 feb 2019.

Uit dit huwelijk 2 dochters:

 

  1. Diana Elisabeth [402],
    geb. te Arnhem op 23 mrt 1954, RK,
    Medisch analiste,
    ♥ tr. (beiden 23 jaar oud) [109] te Rosendaal op 12 aug 1977,
    kerk.huw. te Velp op 12 aug 1977
    met Theo Emmen [404], zn. van Jozef Herman Emmen [1344]en Grada Bartels [1345],
    geb. te Renkum op 3 jun 1954, RK,
    Marketing manager.
    Uit dit huwelijk 4 kinderen.

  2. Ingrid Anna [403],
    geb. te Arnhem op 23 mrt 1954,
    Bibliothecaresse,
    ♥ tr. (26 jaar oud) [110] te De Wijk op 26 sep 1980
    met Jan Tijmes [405].
    Uit dit huwelijk 3 kinderen.


Nel was een pietje precies en hield zich altijd aan haar afspraken. Iets wat ze heel duidelijk van haar vader had mee-gekregen. Op school had ze de bijnaam: ‘nette Nellie’. Bij haar in de kast lag geen kledingstuk verkeerd. Ze was altijd strak gekapt en perfect gekleed. Ze was gek op mooie kleren en vertelde 75 jaar later nog vol vuur over de mooiste jurk die ze op 19-jarige leeftijd had gekocht voor f 7,50. Zalmkleurigen van kunstzijde. Daarnaast is er een foto bewaard gebleven van Nel in haar ‘Japanse jurk’ eveneens een creatie waar ze heel gek mee was.


Aan het werk

Nel ging naar de lagere school tot haar 14e jaar en volgde daarna nog twee jaar de ULO. Ze wilde altijd graag kapster worden. Net als haar vader, maar daar kwam in eerste instantie niets van terecht. Pas op latere leeftijd, ze was toen al achter in de twintig, lukte dat, maar voor dat het zo ver was gebeurde er heel wat in haar nog jonge leven.

Haar eerste werkplek was bij dokter Bakker in Winterwijk. Ze kreeg van de vrouw van de dokter een opleiding voor apothekersassistente, want die was in verwachting en had dringend hulp nodig. Haar nichtje Liesbeth Kwak, de dochter van Willem Kwak uit Oeding, was bij deze dokter huishoudster en had haar getipt voor deze baan. Ze werkte vervolgens bij de dokter aan huis als doktersassistente. Ze kreeg f 2,50 loon per week engratis eten. Ze begon ’s morgens in de apotheek met het aanvullen van het verband, het uitkoken van de instrumenten en het klaarzetten van urineflesjes en dergelijke. Wanneer er tijd over was kregen Nel en Liesbeth van mevrouw Bakker les in het huishouden zoals bijvoorbeeld het opvouwen van het linnen volgens de Haagse school. De Haagse school was, volgens Nel, een huishoudschool voor rijke kinderen die daar les kregen in de bij hun stand passende manier van huishouden.


Na ongeveer 2 jaar vroeg haar moeder of ze thuis wilde komen helpen, want ze had hulp nodig. Nel:

“Naar huis komen om te werken was vroeger heel gewoon. Wanneer pappa of mama maar even kikte ging je gewoon. Je deed wat je moest doen. Daar dacht je niet eens over na.”


Nel werkte bij haar ouders totdat zus Maria terug kwam uit het klooster, omdat ze daar niet kon aarden en kreeg zodoende de kans om weer buiten de deur te werken.


Nel vertrok richting Arnhem. Net als haar oudere zussen. Ze werkte daar bij steenfabrikant De Windt aan de Marienburgweg 6 in Oosterbeek. Ze was daar kinderjuffrouw. Ze had daar geen eigen kamer maar sliep met drie kinderen op één kamer. De ouders vonden dat de kinderen ook ’s nachts zorg nodig hadden. Ze was nooit meer alleen en het was haar ook verboden om in het weekend uit te gaan. Door deze omstandigheden had ze veel heimwee naar haar leventje in Winterswijk. Haar zuster Hetty hielp haar toen aan een ander baantje bij het gezin Muller aan de Vijzelstraat in Arnhem. Muller had een winkel waar ze kantoorbenodigdheden en serviezen verkochten. Het gezin had vijf kinderen en Nel vond het werken daar erg leuk. Vooral omdat ze een eigen kamer had en ook in de weekeinden weer uit kon.


Toch bleef de heimwee naar Winterswijk. Dus solliciteerde ze op een baan als kindermeisje bij de familie Overweg, een bekende Winterswijkse textielfabrikant. Nel had van haar moeder gehoord dat zij een kinderjuffrouw zochten. De familie woonde in een prachtige villa aan de Wilhelminastraat in Winterswijk. Zoals gebruikelijk ging mama mee op sollicitatiebezoek. Ze werd aangenomen en bleef maar liefst 10 jaar in dienst bij deze familie. Het was een leuke baan met een behoorlijk salaris en extraatjes als een personeelskaart waarmee ze kleding op de fabriek kon kopen. Zo kreeg ze tijdens de oorlog gigantisch kortingen op trainingspakken voor haar neefjes. Ook kon ze heel voordelig ondergoed met kleine weeffoutjes kopen.

Toen de kinderen geen kindermeisje meer nodig hadden kreeg ze een baan aangeboden als hoofd van de ‘knipzaal’ in de fabriek. Ze was namelijk heel handig in het maken van haar eigen kleding dus dat had ze best aangekund. Het was een interessante baan maar toch leek het haar niks. Ze wilde haar eigen vrijheid.


Hulp
Nel stond vroeger altijd voor iedereen klaar. Zo was ze met tussenpozen thuis en hielp haar moeder. Ook steunde ze haar broer Otto met geld toen deze door een gedwongen verkoop van Hotel Hof van Holland zijn zaak kwijt dreigde te raken. Ze hielp ook haar zusters wanneer daar de nood aan de man was. Zo hielp ze Agnes toen die in hetziekenhuis lag na de geboorte van Frans en enkele maanden later vertrok ze naar Arnhem om Paula te helpen met haar man Henk die uit de kap van het station was gevallen tijdens het herstellen van de oorlogsschade. Ze hielp ook Hetty in Velp toen deze ernstig ziek was. Een paar jaar later vertrok ze van daaruit voor enkele maanden naar Franeker waar ze Agnes die met man en kinderen naar het Noorden vertrok, hielp met de verhuizing. Al die hulp was eigenlijk ‘heel gewoon’. Ze bood praktische hulp door haar zussen te helpen met de kinderen en door voor iedereen kleding te naaien. Ze deed dat graag maar achteraf gezien plaatst Nel er toch een kanttekening bij. Nel:


“Mekaar helpen moest gewoon. Ik deed het met liefde, maar overal helpen was eigenlijk geen leven voor een jong meisje dat had moeten genieten van haar vrijheid. Het was allemaal niet zo gemakkelijk. Ik nam ’t leven maar zoals het kwam.”


Verkering Nel had in haar Winterswijkse tijd jarenlang verkering met Jo Steintjes, een ober van Hotel de Klok. Jo deed zich altijd heel  zielig voor en riep dan: “Ik heb ook al geen moeder meer.”  Een standaarduitdrukking waarmee hij medelijden probeerde op te wekken om zo zijn zin te krijgen. Desondanks was ze gek met hem. Uiteindelijk werd de verkering verbroken want Nel wilde niet de horeca in, ze had thuis teveel meegemaakt. Steintjes trouwde toen met dochter Anneke van de eigenaar van Hotel Bergzicht in Hellendoorn en nam later dit hotel over. Hij maakte kennis met die dochter door een grap die door Nel zelf werd uitgesproken. Ze logeerden namelijk een keer in dat hotel en Nel zei dat ze wel met die leuke Amerikaan uit wou die op datzelfde moment in het hotel logeerde. Waarop Jo zei dat hij dan wel uit ging met de dochter van de baas. Jo pakte zijn kans en trouwde de dochter uiteindelijk.

Piet

Kort na de oorlog ging Nel weer naar Arnhem. Ze ging Paula helpen met het weer op orde brengen van haar zwaar beschadigde huis en ze bleef daar werken toen de echtgenoot van Paula, Henk, thuis verzorgd moest worden na zijn bedrijfsongeval. Daarnaast kreeg ze de kans om voor kapster te leren. De kapper van Paula, Jansen van Lawik kwam namelijk voorbij en die zocht hulp. In eerste instantie was de overgang naar Paula en het werken bij de kapper niet gemakkelijk, maar dat wende al snel. Ze werkte bijna 2,5 jaar bij Paula tot na het overlijden van Henk. Twee dagen per week bij Paula en de andere twee dagen werkte ze bij de kapper. Ze kreeg om te leren een kopmet pruik en rollers mee zodat ze ’s avonds kon oefenen. Ook kreeg Nel daar les in schoonheidsverzorging als epileren, ontharen en nagelverzorging.


In de periode dat ze haar zus Paula hielp leerde Nel banketbakker Piet kennen. Hij werkte als banketbakker bij een bakker in Arnhem. Daar had hij het, ondanks de oorlog best naar zijn zin. Piet kwam vaak bij een vriend die een garage had tegenover de woning van Paula aan de Amsterdamse weg in Arnhem. Piet was voor de oorlog een vrolijke vent die stevig rookte en graag een borreltje lustte. Maar die vrolijkheid was, toen Nel hem ontmoette nog verborgen onder een pantser van verdriet. Dat had zijn oorzaak in de oorlog.


Piet werd, in het kader van de Arbeitseinsatz, gedwongen in Duitsland te werken. Hij werd naar Bielefeld (Duitsland) gestuurd en gedwongen om in een munitiefabriek te werken als ‘ Ausrichter’ . Hij moest het ontstekingsmechanisme van de bommen afstellen (Ausrichten) die daar geproduceerd werden. Daar sloeg het noodlot toe. Tijdens het werk viel een bom uit een takel boven op hem. Gelukkig schopte een buurman aan de band hem nog aan de kant anders had hij het er niet levend afgebracht. De gevolgen waren zo ernstig dat het werken onmogelijk werd en hij naar huis kon vertrekken. Hij had een schedelbasisfractuur, bijna al zijn tanden lagen er uit en hij had nauwelijks nog haar op zijn hoofd. Na zijn genezing ging hij, vanaf Bielefeld, te voet naar huis. Het schijnt dat Piet in die Duitse tijd nog een Pools of een Russisch vriendinnetje heeft gehad. Een dwangarbeidster net als hij zelf, maar daar werd later nooit meer over gesproken. Dochter Ingrid zegt daarover:
“Mijn vader was over die tijd heel gesloten. Na zijn thuiskomst heeft hij er bij mijn weten nooit meer over zijn Duitse dwangarbeid gepraat. Vooral de eerste jaren waren heel moeilijk. Tot hij mijn moeder ontmoette.”


Nel ging vaak dansen met een hele club vrienden. Meestal in Eerbeek want daar was een grote danszaal. Nel werd daar een keer voor uit genodigd door Jan,een zwager van haar zus Paula. Zo ontmoette ze Piet wat meer van dichtbij dan van het zien vanuit de garage. Piet was sterk getraumatiseerd door de oorlog en zag het allemaal niet meer zitten, maar Nel haalde hem uit zijn lethargie en wist hem uiteindelijk te overreden naar een tandtechnicus te gaan om zich een gebit aan te laten meten. Langzaam maar zeker ging het daarna weer bergopwaarts, hoewel Piet nog jaren lang altijd heel ernstig bleef kijken. Volgens zijn familie, door de shock die hij in Duitsland had opgelopen.
Nel:
” Het heeft heel lang geduurd voor de vonk tussen Piet en mij oversloeg. Maar toen hij eenmaal nieuwe tanden had en zijn haar weer aangroeide zag ik hem, in zijn nieuwe pak altijd als de zoon van een herenboer.”


Getrouwd

Langzaam maar zeker herwon Piet zijn oude vrolijkheid en zag hij het leven weerzitten. ZijnNel kreeg hem weer op de rails. Piet was protestant van huis uit en werd voor Nel katholiek zodat ze konden trouwen. Het feest vond plaats in Arnhem op 10 juli 1951. Piet was 29 jaar en Nel was 35 jaar.


Piet werkte toen alweer enkele jaren bij een vaste baas: namelijk Van Klasse aan de Jansstraat in Arnhem. Hij was daar chef en had het er erg naar zijn zin. De eigenaar van de bakkerij emigreerde echter naar Australië. Piet en Nel moesten van hem meekomen. Die wilden wel dus ging Piet om zich voor te bereiden op Engelse cursus. Uiteindelijk ging de emigratie niet door vanwege de bezwaren van Piets moeder. Die vond het maar niks dat Piet wegging en zei dat het haar dood zou worden wanneer ze hem, na Duitsland, weer zou moeten missen. Gelukkig maar dat het zo afliep want de emigratie van zijn voormalige baas werd geen succes.

De relatie met de familie Benink was er toch wel één van in de pas lopen. Alles moest in hun straatje passen. Met name Vader Benink gedroeg zich volgens een bepaalde standing die er eigenlijk niet was.

De zaak waar Piet werkte werd in 1951 overgenomen door bakker Jansen. Zijn vrouw (de Koning) had het geld en dus werd de zaak omgedoopt tot banketbakkerij Jansen/de Koning. Piet heeft daar nog een tijdje gewerkt als chef, maar doordat het stel net getrouwd was en ze samen het werk wel aankonden hadden ze geen chef meer nodig en vertrok hij.
Piet kreeg, vanwege zijn artistieke kwaliteiten als banketbakker, een baan als demonstrateur bij een groothandel in bakkerijgrondstoffen in Oosterbeek. Hij demonstreerde in de provincie Gelderland het vervaardigen van koeken en suikerwerk bij banketbakkers. Speciaal voor dat werk werd een brommertje aangeschaft. Hij had het echt naar zijn zin. Kort daarna kreeg hij jammer genoeg een ongeluk met een machine die hij gebruikte voor het maken van suikerwerk waardoor hij een deel van zijn duim moest missen. Het specialistische demonstratiewerk werd daardoor onmogelijk.





























Voorbeeld suikerwerk-etalage (archief Bakkerijmuseum)

Hierna kwam Piet eigenlijk nooit meer toe aan zijn grote liefde het banketbakkersvak. Alleen in huiselijke kring leefde hij zich nog uit. Hij hield zijn vak in ere door op verjaardagen altijd de lekkerste taarten te bakken die steeds weer aan de familie werd geserveerd. Bij voorkeur de crèmetaart met marasquin en gekonfijte vruchten. Ingrid was er gek op maar Diana vond er niets aan. Ook voor het maken van de fijnste puddingen draaide hij zijn hand niet om. Hij hield dat tot op hoge leeftijd vol en stopte er pas echt mee toen reuma dat onmogelijk maakte. Piet kookte meestal met de feestdagen. Dat was een soort traditie. Niet dat het echt nodig was, want Nel was een goede kokkin en was daar altijd druk mee.


Kinderwens

Bij het pasgetrouwde stel leefde eigenlijk maar één grote wens: kinderen. Vooral Nel wilde dat heel graag. Eindelijk wilde ze zelf kinderen nadat ze haar hele leven voor andermans kinderen had gezorgd. Dat werd gezien haar vergevorderde leeftijd niet eenvoudig. Diana:

“Mijn moeder was van jongs af aan altijd met kinderen bezig. Ze was dol op ze en verlangde heel erg naar eigen kinderen. Die ze uiteindelijk, na verschillende miskramen, gelukkig kreeg”.


Tijdens haar zwangerschap is Nel veel ziek en heeft ze het niet gemakkelijk. Gelukkig gaat alles deze keer wel goed, ondanks de zware bevalling. Op 23 maart 1954 krijgt ze een tweeling. Op 39-jarige leeftijd. Na de bevalling woog ze nog net geen 100 pond (50 kilo). Dochter Ingrid woog 3750 gram en kwam lichtelijk blauw aangelopen vanwege de zware bevalling als eerste ter wereld. 20 minuten later volgde Diana. Zij woog bij de geboorte 3800 gram. Nel:
“ Goed dat het er twee zijn”, zei de dokter. “Meer zullen er wel niet komen. Maar ik was heel gelukkig. Het was zo mooi.”

Diana en Ingrid

Schilderij van Ingrid

Nel, Agnes en Paula

Bidprentje Piet 2004

Mandala door Nel

Diana en Ingrid

Piet als hofmeester

In dat zelfde jaar solliciteerde echtgenoot Piet naar de functie van hofmeester bij de landmacht en ging als ‘burger’ hofmeester aan het werk in een hotel van de landmacht in Schaarsbergen. Hij trad niet in dienst, want het ‘apenpakje’ zoals hij dat noemde was niets voor hem. In het hotel logeerden voornamelijk officieren. Piet was daar onderandere verantwoordelijk voor het reilen en zeilen van de officiersmess. Ook organiseerde hij daar de befaamde officiersfeesten en zorgde voor de officiële ontvangsten, die er regelmatig plaats vonden. Dat deed hij ook voor het militaire bejaardentehuis in Bronbeek.

Opgroeiende kinderen

In de jaren daarna, het gezin woonde toen aan de Cattepoelseweg, groeien de beide meiden voorspoedig op. Ze werden rooms katholiek opgevoed en dat betekende de traditionele kerkgang, op vrijdag geen vlees en de vastentrommel. Bijkomend pleziertje was overigens wel dat ze met het carnaval altijd verkleed naar de optocht gingen kijken. Na afloop waren er dan steevast gebakjes.


Het gezin was aan de Cattenpoelseweg heel gelukkig. Ze wonen daar lekker dicht bij Burgers dierentuin en met hun gezinsabonnement waren ze er kind aan huis. De kinderen kregen veel vrijheid en ruimte om op te groeien. In de zomer ging het hele gezin meestal naar het strand in Egmond aan zee naar tante Ida en haar tweede man Jaap Groot. Die hadden een zomerhuisje in hun tuin waar ze dan in woonden omdat hun woonhuis tijdens de zomervakanties was verhuurd aan Duitsers. Dat was in die dagen heel gebruikelijk. Zo verdienden de huiseigenaren een centje bij. Diana:


“Mijn liefde voor de zee is in Egmond ontstaan. Ieder jaar weer brachten we daar een heerlijke tijd door. Banjeren langs het strand en een hoop lol vooral wanneer we met oom Jaap weer eens in een pannenkoekenrestaurant terecht kwamen.”

Piet, Diana, Ingrid en Nel ca. 1956


Posterijen

Het gezin had het zeker niet breed en omstreeks de jaren zestig werkte Piet, naast zijn baan als hofmeester, nog twee avonden in de week bij de posterijen. Hij deed daar sorteerwerk. Hij vond het er erg leuk en ook de omgang met zijn collega’s was prettig. Ingrid zegt daarover:
“Hij deed dat werk in de avonduren niet echt voor de lol. Hij moest wel. We hadden het geld hard nodig want zo rijk hadden we het niet. Niet dat het echt veel uitmaakte, we hadden het heel gezellig. Ik herinner me bijvoorbeeld dat mijn vader na afloop van het werk altijd een loempiaatje meebracht dat hij samen met mijn moeder heerlijk op smikkelde. Ook gaf hij in die tijd nog veel les in het vormen van marsepein. Het banketbakkersvak was nog steeds zijn droom. Hij won er ooit zelfs prijzen mee. Hij was heel creatief en kon daarnaast ook goed tekenen. Hij liet het alleen nooit zo merken.”


In al die jaren was Nel vaak ziek. Ze was niet echt sterk en veel bezig met alternatieve geneeskunde. Veel later bleek dat coeliakie de onderliggende oorzaak was vanalleproblemen.Toendateenmaal wasontdekt kwamerwat verbetering in haar lichamelijke ongemakken. Al moest ze steeds blijven opletten met wat ze at. Desondanks heeft ze altijd goede zin ondanks het feit dat het huishouden en het verwerken van de opbrengsten van de volkstuin van Piet haar veel werk kost.
Ingrid:
“Vooral in de beginjaren hadden we thuis geen apparaten hadden die het werk vereenvoudigden.Zo kregen we pas een wasmachine toen ik een jaar of15 was. Daarvoor waste mijn moeder de kleren in een kookketel. Een heel werk."


Hoogtevrees

Na de Cattepoelseweg verhuisde het gezin van Nel enPiet naar een nieuw appartement aan de Madelievenstraat. Ze woonden daar op 2 hoog. Nel was daar niet echt gelukkig want ze had hoogtevrees. Voor Piet was dat echter niet zo problematisch. Hij had daar geen last van en vertoefde heel veel van zijn vrije tijd in zijn volkstuin. Hij had een grote volkstuin in Malburgen-Oost dicht bij de uiterwaarden van de Rijn. Zijn tuin stond altijd boordevol bloemen, verschillende groenten en vruchten. Daar spendeerde hij gedurende zijn leven veel geld aan. Wanneer hij met zijn tuin bezig was, dan had hij als het ware een plaatje in zijn hoofd van het eindresultaat en dat moest er dan ook, kost wat kost, komen. Ook bewerkte hij een deel van een volkstuin van een voormalige buurman die grond genoeg had. Het was zijn lust en zijn leven en voor het gezin was er, in het seizoen, altijd verse groente op tafel. Op de tuin stond een schuurtje waar de gereedschappen stonden en waar na de oogst bijvoorbeeld kapucijners en kievitsbonen werden gedroogd. Verder werd er na de oogst altijd heel veel ingeweckt. Dat moest wel want een koelkast was nog niet voorhanden. Piet was altijd op de hoogte van de beste adresjes van kwekers waar de beste en voordeligste planten te koop waren. Ook bestelde hij wel eens planten aan de hand van die kleurige postordercatalogussen. Nel was geen echt tuinmens. Ze genoot van de tuin maar liet het werk veelal over aan Piet. Wel was ze, net als de meeste Kwaks, gek op vogels en dieren. Dat had ze van huis uit meegekregen.


Ballet en paarden

Het gezin verhuisde omstreeks 1970 naar de Siriusdreef in Arnhem-zuid en daar was met name Nel heel gelukkig. Ook Ingrid en Diana hadden het daar geweldig naar hun zin. Ze zijn beide gek op dansen en mochten dus op ballet. Moeder Nel heeft dat altijd gestimuleerd. Zelf mocht ze vroeger namelijk nergens bij. Er moest gewerkt worden. Haar beide dochters volgden lessen aan de Arnhemse balletschool van Anique van de Laan en kregen daar onder andere les van Ton Wiggers van Introdans. Deze gaf les aan meerdere groepen in een zaaltje in Malburgen-Oost. Diana koos voor de klassieke richting terwijl Ingrid zich voornamelijk met jazzballet bezig hield. Tot op de dag van vandaag bezoekt Diana de balletschool. Ze danste anno 2009 nog volop bij het ballet van Mario van Drunick.

De dochters groeien op en gaan ieder hun eigen weg. Ingrid lijkt op haar vader. Ze wil haar vrijheid en zoekt de ruimte. Ze ging naar het Thomas à Kempis-college in Arnhem en pakte het leven met beide handen aan. De jonge meid genoot met volle teugen ondanks de gezondheidsproblemen die rond haar vijftiende ontstonden. Ze had veel hoofdpijn en werd daar ook voor behandeld. Een slechte concentratie was het gevolg zodat ze veel langer over de school deed dan gebruikelijk. Ze wilde daarna naar een kunstacademie, maar die van Arnhem stond toen heel slecht bekend en Ingrid kreeg geen toestemming van haar ouders. Ze volgde de opleiding tekenen en stofversieren(akteNd). In het tweede jaar van de opleiding kreeg ze veel last van buik- en hoofdpijn (Coeliakie) en bleef bijna 4 maanden thuis. Haar studie werd niet meer opgepakt en ze werkte vervolgens, gedurende ongeveer 5 jaar bij de bibliotheek in Arnhem. In die periode ontmoette ze Jan Tijmes. Deze ‘paardengek’ leerde ze kennen tijdens een paardenvakantie op Terschelling. Ingrid was trouwens aan paarden verslingerd geraakt door Diana die toen ook paard reed maar uiteindelijk met deze sport stopte. Ze raakte uitgebreid met Jan aan de praat toen ze tijdens deze paardenvakantie onverwacht naar huis moest omdat tante Maria Kwak, de zus van haar moeder, was overleden. Een maand later kwam Jan op bezoek en kregen het stel verkering. Ze trouwden op 26 september 1980. Het echtpaar verhuisde naar Koekange in de buurt van Staphorst. Ingrid en Jan kregen drie kinderen. Tijdens haar huwelijk hield Ingrid zich veel bezig met het fokken en trainen van honden. Het huwelijk hield echter geen stand en na haar scheiding verhuisde ze naar Staphorst.


Diana ging in eerste instantie naar de Theresia-mavo een meisjesschool en haalde op redelijk eenvoudige wijze haar diploma. Ze volgt daarna de OLAN-opleiding (Opleiding Laboratoriummedewerker Arnhem Nijmegen) tot medisch analiste en ging in het ziekenhuis aan het werk. Ze werkte onder andere in Velp en in het Diaconessen ziekenhuis in Arnhem. Diana trouwde op 12 augustus 1977 met Theo Emmen. Uit dit huwelijk werden vier kinderen geboren.  Anno 2009 werkt ze aan de Wageningen Universiteit als medewerker voedingsproeven. Diana lijkt veel meer op haar moeder dan Ingrid en wil het gezin graag bij elkaar houden. Ze wil ook liever niet dat Ingrid in 1980 weg gaat naar Staphorst. Ze is net zo beschermend als haar moeder, die dat van huis uit heeft meegekregen.


Pensioen

Voor Piet werd het werk steeds minder plezierig, want na jaren, als burgermedewerker, in Schaarsbergen gewerkt te hebben moest hij officieel militair worden om het vak van hofmeester nog langer te mogen uitvoeren. Daar had hij geen zin in en dus werd zijn taak veranderd. Hij werkte een tijdlang op de vliegbasis in Twente en ging daarna aan het werk in legerplaats Harskamp bij een burger administratieafdeling. Hij hield zich daar bezig met distributie en logistiek. Erg gelukkig was hij niet. En toen dan ook de computers in opmars kwamen was het voorhem afgelopen. Hij koos voor een vervroegd pensioen en stopte met zijn werkzame leven op 60-jarige leeftijd. Hij had daar geen enkel probleem mee want hij fietste graag. Dat deed hij bij voorkeur wanneer Nel tussen de middaghaar middagslaapje genoot. Nel ging graag winkelen en ging veel met de bus naar andere plaatsen om daar te kijken.


Eenmaal op leeftijd gingen Piet en Nel wonen in een 55+ woning van het ‘Alteveldje complex’ aan de Beethovenlaan in Arnhem. Piet werd, omdat hij niet meer werkte veel zichtbaarder voor zijn gezin en de kinderen. Hij was weer veel bij huis. Vooral de kleinkinderen waren dol op hem. Hij maakte voortdurend grapjes met hen en alles was meteen goed als opa er maar was. Piet en Nel hadden, na jaren keihard gewerkt te hebben, het eindelijk samen goed en gingen regelmatig op bezoek bij de familie. Zo kwamen ze geregeld bij Paula, Ida, Agnes en Karel over de vloer. Dat kringetje werd echter steeds kleiner en daar heeft met name ‘familiemens’ Nel het moeilijk mee. Ingrid:
“Mijn ouders waren altijd heel op zichzelf. Ze hadden een echt traditioneel huwelijk waar de man het geld verdiende en de vrouw voor het huishouden zorgde. Samen waren ze heel sterk en als we ergens voor gingen dan hielden ze ons altijd de hand boven het hoofd. Wat er ook gebeurde. Het was thuis altijd heel sfeervol en ze konden uitstekend met elkaar overweg. Mama kon niet echt tegen snelle veranderingen. Ze hield van rust.”


Piet overlijdt

De gezondheid van Piet liet de laatste jaren van zijn leven nogal te wensen over. Al in 1988 was operatief één van zijn nieren verwijderd vanwege kanker en die ziekte kwam een paar jaar later echter weer terug in de vorm van prostaatkanker. Daarnaast kreeg hij veel last van reuma. Diana:
“Mijn moeder maakte zich daarover veel zorgen, maar Papa lachte het altijd weg. Hij deed gewoon of hij niet ziek was en weigerde zijn vaste vrijdagbezoek aan de Arnhemse markt opzij te zetten. Hij zei gewoon dat hij niet wist wanneer hij weer thuis was en stapte voor zijn huis op de bus naar het centrum. Mama zat dan stevig in de rats en keek voortdurend door de gordijnen naar de bushalte of haar Piet weeruitdebusstapte.“


Helaas voor Nel overleed Piet op 1 juni 2004. Ze was haar steunpilaar kwijt. De man die, hij was al in de 70, in één keer de hele tuin aan het Alteveldje vol nieuwe bloemen zette omdat hij gek op haar was. De man die haar grote steun en toeverlaat was. De vrolijke, maar toch zo gesloten kerel waarmee ze ruim 50 jaar lief en leed had gedeeld.

Rusthuis

Niet lang na het overlijden van haar Piet kon ze het alleen zijn niet goedmeer opbrengen en verhuisde ze naar rusthuis Dennerust in het buitengebied van Wageningen. De bewoners zijn overwegend van Indische afkomst maar ze voelde zich er uitstekend thuis. Ze slijt haar dagen met het inkleuren van Mandala’s en het tekenen en kleuren. Daarnaast schetste ze plattegronden van haar ouderlijk huis hotel Germania in Winterswijk en vertelde ze in geuren en kleuren over haar leven Dat wordt uitgewerkt in het 'Kwakboek'. 


Op 92-jarige leeftijd verhuisde Nel opnieuw. Rusthuis Dennerust werdtoenverplaatst naar Wageningen en kreeg daar de naam ‘Rumah Kita’ (Ons huis). In eerste instantie had ze het niet gemakkelijk en miste ze de bosrijke omgeving. Diana:

“Het is heel opmerkelijk dat mijn moeder steeds weer haar draai weet te vinden. Ze vindt altijd wel iets waar ze plezier in heeft. Na enige tijd ontdekte ze op haar nieuwe appartementje het avondrood dat zo mooi zichtbaar is vanuit haar raam en ze geniet weer volop. Ze heeft haar plaatsje weer gevonden.”


Nel zegt over deze verhuizingen: 


“Tweemaal verhuisde ik na het overlijden van mijn zus Paula naar een andere kamer. Beide keren kwam een kleine vleermuis mijn kamer invliegen. Toen ik, eind februari 2008, naar het nieuwe huis ‘Rumah Kita’ in het centrum van Wageningen verhuisde bracht de kleine vleermuis mij weg. Bij de bocht van de afrit vloog die heen en weer voor de auto. Vreemd dacht ik nog, want het was een koude avond en dan horen vleermuizen in hun winterslaap te zijn. Waarom ik dit vertel? Omdat wij als kinderen samen altijd met vleermuizen speelden. Dus zeg ik nu. Paula heeft mij naar huis gebracht. Dit is de plek waar ik zal blijven na al dat heen en weer verhuizen. Ik ben op mijn vaste plek. Zo is het goed.”


Nel overlijdt op 22 februari 2019 in Rumah Kita in Wageningen op 103-jarige leeftijd. 

Vele uren vertelde Nel over haar leven en de manier waarop ze daarmee is omgegaan. Veel is ook niet gezegd. Op de meer indringende vragen, van de auteur van het Kwak's boek, over de minder prettige gebeurtenissen in het gezin Kwak gaf ze vrijwel nooit antwoord. “Die neem ik mee in mijn graf”, was een uitspraak die ze nogal eens gebruikte. Ze wilde niemand pijn doen. Het is haar goed recht en dat is gerespecteerd. Op talloze plekken in ons boek 'Ik bun d'r ene van Kwak' staan haar verhalen afgedrukt. De paar pagina’s die aan haar leven zijn gewijd zijn absoluut onvoldoende om aan te geven wat ze voor de familie heeft betekend.

Neem contact op met:

 

Adres: Wielseweg 3-57, 3896 LA Zeewolde

Email: g.kwak@kpnmail.nl

 

Femielie

 

Webmaster Gerhard Kwak

 

Website van de Achterhoekse & Twentse families Kwak, Elschot, ten Thij en Goossen.

 

© 2018 - 2020 Gerhard Kwak, Zeewolde.  All Rights Reserved