Paul Kwak - 50 - Bevrijding

Peloppor uit de collectie van museum Bronbeek


Uitsnede uit Willy's brief van 9 oktober 1945

Bevrijding


Op 23 augustus 1945 kwamen er vliegtuigen boven het kamp en kort daarna was de bevrijding een feit. Alles ging toen razend snel. Er kwamen betere rantsoenen en er waren steeds weer opnieuw uitdelingen. Ook buiten het kamp was er ineens volop te handelen.
Ten tijde van de bevrijding in augustus 1945 zaten er in Lampersari meer dan 8000 vrouwen en kinderen. Allemaal in het zelfde beschermde wijkje waar het drama begon met slechts een kleine 1000 inwoners.
Bij de bevrijding werd de leefsituatie er in eerste instantie niet beter op. De kampen bleven bevolkt. Ook Mientje en de kinderen bleven in het kamp wonen. Het kamp werd tijdelijk bewaakt door de Engelsen. Daarbuiten was het namelijk veel te gevaarlijk. Intussen hadden de Parindra (leden van de Partai Indonesia Raja) alle Nippen (Japanners) ontwapend en domineerden de straten. Ze waarschuwen elkaar door met hun lange bamboe speren op ijzeren hekken en lantaarnpalen te slaan. Menigeen vond dit een onheilspellend geluid.


Naast de ‘peloppors’ (opstandelingen) hadden ook de leden van de nationale jeugdbeweging Pemoeda (betekent letterlijk ‘jongeren’) vrij spel. De Pemoeda ontstond tijdens de Japanse bezetting en was een groep die zich hevig verzette tegen de terugkeer van het Nederlandse gezag. Toen de Jappen niet meer winnen konden, speelden ze handig in op de nationalistische gevoelens van deze groepering. Ook dat leverde de nodige gevaren op. Willy:


“Toen we voor het eerst weer op straat kwamen schaamden de vrouwen zich voor de eerste mannen die ze weer ontmoetten. We hadden geen mooie kleren. Ook was het gemis van deuren moeilijk te verdragen. Er was geen privacy om je te verkleden als de mannen kwamen zoeken naar vrouw en kinderen. Ook het uitgehongerd aanvallen op het voedsel dat weer ter beschikking kwam leverde veel problemen op. De uitgehongerde lichamen konden het voedsel niet eens meer verdragen. Misselijkheid en overgeven was het gevolg. Het is zelfs bekend dat er vrouwen aan teveel eten zijn overleden. In de praktijk duurde het maanden voor ons lichaam weer gewend was aan het normale eetpatroon”.


Meteen na de oorlog ontving Mientje al weer geld van de BPM. In de eerste naoorlogse maanden ontving ze f 20,- per maand per persoon. Niet echt veel want een ei kostte in die dagen ongeveer f 1,25 en een hele kip ongeveer f 20,-. en een kilo vlees
f 16.00. Desondanks was de situatie vrij redelijk. Dat staat te lezen in een brief (de vierde) die Mientje aan Paul schrijft. Uit deze brief blijkt dat ze hem nog niet terug verwacht. Ze geeft aan dat ze al weer behoorlijk is aangekomen (20 kilo) Ook geeft ze aan dat de kinderen weer goed doorvoed zijn en haar gek zeuren om duiven en marmotten. Verder somt ze in de brief een aantal namen op van mensen die intussen weerterug zijngekomenen vrouwen kinderenuithet kamp hebben gehaald.

Republiek Indonesië

De Republiek Indonesië viert hoogtij en de kampbewoners worden weer in hun bewegingsvrijheid beperkt. Ze mogen alleen het kamp uit met een permit (pas voor toestemming). Voor de veiligheid. De taak van de Jappen wordt nu het schoonhouden van het kamp en het zorgen voor eten. Daarover is veel leedvermaak.


Indonesische extremisten hadden de macht overgenomen en dat was voor de bevrijde gevangenen gevaarlijk. De tocht vanaf het kamp naar de bescherming van de Gurka’s (Brits-Indische soldaten) was angstwekkend en gevaarlijk. De extremisten stonden vaak langs de kant en maakten, stilzwijgend, gebaren van keel afsnijden. Ook werd er veel ingebroken en geplunderd.


Op 9 oktober 1945 schrijft Willy een brief aan haar vader. Ze richt het briefje, met potlood geschreven aan: P.B.E. Kwak, Sergeant 1e klas, stamboek no. 163000, ex P.O.W. camp no. 4 te Bangkok. Volgens deze brief de plaats waar het hoofdkwartier is gevestigd. Ze zegt dat ze zelf al vijf brieven heeft geschreven en maar één kaart uit het verre Thailand heeft gehad en dat de anderen al wel drie kaarten hebben gehad. Ze geeft aan dat ze nog steeds niets van hem hebben gehoord. Ze geeft aan dat hij niet op de verlieslijst en de vermistenlijst staat en ze blijft dus hopen. Willy:  “Misschien hebben de rotjappen uw kaarten wel verbrand.” Ze hoopt vooral dat Pappa gauw reageert want de jongens hebben een ‘vaderhand’ nodig. Mammie is veel te lief voor ze en alleen mijn hardheid krijgt nog wat van ze gedaan. Op een bijna juichende toon vertelt Willy verder dat Mammie naar de stad is ‘op leverworst af’. Ze is al weer 25 kilo aangekomen en weegt nu weer 75 kilo. Wel heeft ze in het kamp reumatiek opgelopen en is onder behandeling van een Rode Kruisdokter, die niet wil dat ze teveel eet. Volgens Willy is dat aan het verkeerde adres gericht want Mammie kan de hele dag wel dooreten. Uit de brief blijkt dat de organisatie van de repatriëringstransporten een organisatie heeft uit het jaar ‘0’. Er is nog maar één transport weg en het gezin hoopt er op dat ze met het eerste het beste transport mee kunnen naar Bandoeng. Willy zegt:


”Hoe verder uit de rommel hoe beter. Over ons hoeft u zich niet ongerust te maken. We hebben wat ons hartje begeert. We krijgen erg veel rijst en we mogen het niet eten vanwege hongeroedeem wat we gehad hebben. We verkopen de rijst voor alles en nog wat of we verkopen het voor f2.- de liter.”

Ze vertelt ook dat toen het kamp open was Mammie binnen de kortste keren weer een baboe had. Voor maar f 0,50 cent per dag en een halve liter rijst. Omdat de baboe vijf kinderen heeft zegt Willy: “doen we kasian (voorzichtig) met haar.” Willy sluit haar brief af met de wens dat Pap maar gauw moet schrijven.


“Veel zoenen en groeten van ons allemaal en vooral van uw liefhebbende Willy. P.S. Sibbing is ook al thuis.”


Met name deze laatste PS geeft aan hoe diep de wens is dat haar vader weer thuis is. Het klinkt haast als een verwijt: Sibbing een voormalig buurman is er al, waarom jij niet.


Triest is dat deze brief nooit is aangekomen en dat hij uiteindelijk maanden later wordt geretourneerd op de Stationsweg 246 in Groenlo. Waar het gezin dan verblijft. De brief wordt vergezeld van een Rode Kruis-brief die met leedwezen verkondigt dat de heer P.B.E. Kwak op 9 mei ‘1945’ te Tasao is overleden. Een slordige tikfout want de werkelijke overlijdens-datum was op 9 mei 1943.

Batavia

Mientje en de kinderen worden, in oktober 1945, met een Engels schip (The Eagle) naar Batavia overgebracht. Daar zitten ze nog twee maand in het kampTjideng.


In die periode ontvangen ze bericht van het overlijden van hun Pappa. Mientje geeft dat door aan Otto Kwak en opa Peer in Holland, waarna vader Kwak op 5 december 1945 een brief terugschrijft wanneer het vreselijke bericht is ontvangen.



Kennelijk stuurt hij deze brief naar het verkeerde adres (Semarang). Dat blijkt uit een aantekening van zoon Karel die er op18 januari 1946 een aantekening opmaaktenvervolgensdebriefweerverstuurt.KareltekentaandatPappaal drie weken een nierbloeding heeft en dat het helemaal niet goed gaat. Hij vraagt of de familie in Indië ook enkele Weesgegroetjes wil bidden voor een spoedig herstel. Hij geeft verder aan dat het goed gaat met Henk Bolder en zegt dat het met Henk wel weer goed komt. Aardig is verder dat hij bij de afzenders zet: “De groeten van allen, bijzonder van Karel, Truus, (mijn vrouw) en Thea (mijn Dochtertje)”.


Papa Kwak zelf schrijft dat hij verpletterd is door het bericht van Paul. Hij geeft aan dat zijn hart gebroken is. Hij denkt het bericht niet te overleven omdat hij (71 jaar) net herstellende is van een ziekte.

Bidprentje en overlijdensadvertentie van Paul Kwak

vlnr: Paul, Theo,  Mientje Kwak en Willy in hun Suez-kleding

Kerkhof in Kanchanaburi

Uitsnede uit de brief van schoonvader Kwak aan Mientje


Hij geeft aan dat de oorlog een beroerde tijd was maar dat ze in Winterswijk geen honger hebben geleden vanwege de beschikbare levensmiddelen. Hij haalde bij de boeren waaraan ze behoefte hadden. Hij vertelt dat de huizen op het Weurden bijna allemaal beschadigd zijn en de ramen met planken dichtgespijkerd. Er zijn bommen gevallen en langs het spoor zijn verschillende huizen weggebroken. Hij zegt vaak te hebben geschreven ook aan Paul. Het spijt hem dat de brieven niet zijn overgekomen.


Vader Kwak heeft een bidprentje laten drukken, want hij schrijft:


“Zooals u aan het bidprentje ziet heb ik maar dadelijk een requiemmis laten lezen. Ik was van plan te wachten tot ge hier waart, omdat Paul al zo lang dood is en terug is in de Hemel. Maar Karel en Otto meenden van direkt.”


Hij schrijft dat er veel verschillende personen aanwezig waren en dat ze na de mis thuis hebben gegeten. In de brief geeft Vader Kwak aan dat hij aan de BPM heeft geschreven en een nota heeft gevraagd van alles wat Paul, via de BPM aan hem heeft voorgeschoten. Hij heeft het geld klaarliggen voor als Mientje weer in Nederland is.

Ceylon

Vanaf Batavia werd het gezin vervoerd met het Engelse vliegdekschip de Colossus naar Ceylon ( het huidige Sri Lanka). Ze moesten slapen in de reusachtige ruimen. Daar kwamen ze aan omstreeks 24 december 1945. Althans dat blijkt uit het ‘Soldiers Pay Book’ dat voor Mientje was uitgeschreven. Op basis daarvan ontvingen ze ongeveer 26 dollar per maand. Op Ceylon verbleven ze in een Engelse plaats met de naam Kandy. Ze wonen daar in de Barak Makassar no. 6. van het Dutch W.P. camp B19. Ze vertrokken daar echter al vrij snel op medische indicatie. Willy was namelijk nog steeds niet genezen van de mazelen.

Passage ome Jo uit de brief van Mientje





Soldies paybook van Mientje

Brief naar Nel

Voor haar vertrek met de kinderen naar Nederland schrijft Mientje nog een brief aan haar schoonzuster Nel in Arnhem. Ze klaagt over de toestanden op Ceylon. In de geest van Willy die datzelfde aan haar vader schrijft. Het eten is daar slechter dan in Semarang en ze krijgt maar een zakcentje om duur fruitte kunnen kopen. Alles is peperduur. Mientje noemt het geld dat ze krijgt een ‘Jodenfooi’. Ze klaagt ook over de vriendjespolitiek bij het vinden van een plaats op de boot naar Holland. Er was namelijk beloofd dat ze rechtstreeks konden reizen maar nu zaten ze eerst weer vast op Ceylon. Ze heeft intussen van vader Kwak gehoord van Henk Bolder, die tijdens de reparatie van het stationsdak in Arnhem naar beneden gevallen is en zijn rug zwaar heeft beschadigd.


Ze heeft met Paula te doen en zegt het allemaal nog erger te vinden dan de ziekte van Pappa Kwak die ‘zoveel mooie jaren’ heeft meegemaakt. Verder vraagt Mientje hoe het komt dat de verloving van Nel met oom Jo is uitgeraakt. Ze geeft aan dat ze nog wel eens tegen Willy heeft gezegd: “Tante Nel viert ’t koperen verlovingsfeest met oom Jo.“ Ze laat Agnes en Maria groeten en geeft aan dat Nel en Maria nog de enige ongetrouwden zijn van de tien. Ook vindt ze het jammer dat Nel niet meer bij textielfabrikant Overweg is. Dan had ze namelijk goedkoop ondergoed en dergelijke kunnen kopen. Wollen ondergoed want het zal in Nederland wel koud zijn. Ze zegt het niet uit te kunnen staan dat de jongens geen fatsoenlijke broeken meer hebben en op blote voeten lopen. Ook zijn de kleren veel te klein en aan alle kanten bestopt (hersteld). Ze bidt iedere dag dat ze op tijd in Holland is en dat ze Pappa nog levend mag zien.

Uitsnede uit de brief van Mientje over de relatie van Paul en Ida Kwak met vader Kwak

Herman Forrer

Mientje verdedigt in haar brief ook Herman Forrer nog, vanwege zijn lidmaatschap van de NSB. Ze vindt het zielig voor Ida maar stelt wel dat zij er verder mee moet want ze is wel met Herman getrouwd. Zij zegt daarover letterlijk:


“Herman is er misschien uit armoede toe gekomen want hij was alles altijd voor zijn huishouden en als je nu alles tegen loopt dan kom je misschien tot zulke dingen. Ik praat zoiets niet goed maar je moet het wel van twee kanten bekijken.”


Ze vraagt Nel de hartelijke groeten aan Ida over te brengen want ze was de oogappel van Paul. Mientje:


“(…) want Ida en Paul waren altijd bondgenoten van elkaar omdat ze allebei nooit met Pappa op konden schieten.“


Oudevrouwen

Ook Willy schrijft op 23 januari 1946 nog een brief naar tante Nel. Ze schrijft met potlood op kladblokpapier. Ze verontschuldigt zich er zelfs voor en zegt dat ze zo gauw ze weer geld heeft inkt gaat kopen. Het leven is voor haar op dat moment ‘sof’. Ze is geen ‘filmgek’ zoals ze zelf zegt en heeft niet eens schoenen. Daar zou ze  minstens drie weken voor moeten sparen. Wel heeft ze twee keer in de week dansles. Ze zegt dat er van school wel niet zoveel terecht zal komen. Ze geeft aan dat ze 16 is en nog aan de eerste klas van de HBS moet beginnen. Ze vertelt Nel dat ze het kammetje dat ze op het laatste verlof van haar heeft gekregen nog steeds heeft en dat ze ‘echte kooplust’ heeft. Als Mammie weer geld ontvangt krijgt zij ook wat en dan gaat ze kopen waar ze zelf zin in heeft. Ze denkt daarbij vooral aan sieraden want ze heeft alleen het oude en kapotte horloge van Pappa, dat in de grond verstopt is geweest. Ze heeft verder nog een gouden ketting met briljantjes maar het slotje is kapot. In de brief wordt duidelijk dat ze verlangt naar Nederland, hoewel ze wel vraagt of het er erg koud is. Ook verlangt ze erg naar jonge gezichten om zich heen. Want ze heeft al die tijd in een kamp gezeten met ‘oude vrouwen’.Verder vertelt ze nog dat ze al weer 51 kilo weegt en niet verder aan wil komen, want dat is lelijk. Langzaam komt het normale leven weer op haar af en denkt ze aan andere dingen als de narigheid in het kamp.

Hoe oud is Nel?

Op20 februari schrijftWillynogeen brief.Nu metinkt.Dieheeft zekennelijk weer kunnen kopen. Ze schrijft dat ze de 23e op de Nieuw-Amsterdam verwacht wordt en dat die 500 mensen mee terugneemt. Ze gaan dan in quarantaine en als alles meezit zijn ze met zes weken in Holland. Ze vraagt aan tante Nel of die, als ze weer in Holland is, een keer heur haar wil doen. Want daar heeft ze geen kaas van gegeten. Een uitzonderlijk ontroerende passage in deze brief mag niet onvermeld blijven. Willy schrijft:


“Tante Nelly, als ik niet erg onbescheiden ben, mag ik dan weten hoe oud u bent? Ik voel me echt tot u aangetrokken omdat U de jongste Tante is. Al die oorlogsjaren heb ik al tussen oude getrouwde vrouwen met kinderen gezeten, dat ik nu ook wel eens verlang jonge gezichten te zien. Ik hoop dat we het goed met elkaar kunnen vinden.”

Vlnr: Willy, Theo, Mientje Kwak-Peer en Paul


Ataqa

Kort daarna vertrekt het gezin van Ceylon. Ze reizen via het Suezkanaal. Daar krijgen ze in Ataqa allemaal nieuwe kleding. Willy: “Ik had alleen twee onderbroeken, dus nieuwe kleding was zeker nodig. De nieuwe kleding was zeker niet mooi en paste slecht.”


In tegenstelling tot het leger had de BPM de oorlogsjaren van haar werknemers gewoon doorbetaald. Vandaar dat Paul uiteindelijk toch nog kwam op zeventien dienstjaren. Daardoor had Mientje na de oorlog geen financiële problemen. Het uiteindelijke pensioen was goed. In de Indische jaren betaalde Paul, iedere maand, een bepaald bedrag aan zijn vader in Nederland als bijdrage in zijn onderhoud. Een bijdrage die volgens afspraak te zijner tijd zou worden terugbetaald. Het bedrag was f 30.00 per maand. Er is daarvan een schuldbekentenis overgeleverd. Vader Kwak schreef daar al over in zijn brief naar Mientje. Na terugkeer van Mientje uit Indonesië in 1946 is het geld, dat door het zwager Herman Forrer, buiten medeweten van zijn schoonvader, bijeen is gespaard, door Karel Kwak aan haarovergemaakt.


Ondersteuning

Ter ondersteuning ontvangt Mientje de eerste drie maanden in Nederland, geld van het Districtsbureau Verzorging Oorlogs-slachtoffers (D.B.V.O.). Mientje ontvangt f 200.-, Willy ontvangt f 70.- en de beide jongens ontvangen f 60.- per maand. Dat is zeker geen vetpot.


Al met al heeft de Tweede Wereldoorlog verstrekkende gevolgen gehad voor het gezin. Vader Paul overleed, en de jeugd van de kinderen werd samen met hun moeder voor een dominant gedeelte bepaald door het Jappenkamp. Een overlevings-strijd van maar liefst 3,5 jaar. Na terugkomst trokken ze in bij Opa Peer in Groenlo.

Willy zegt over die eerste tijd:


“In Nederland werden we met overal met enige terughoudendheid ontvangen. Mentaal waren ze door de opgedane ervaringen in de kampen ver vooruit op onze leeftijdgenoten. Iedereen kende elkaar in Groenlo en die vreemde kinderen uit de Oost in hun leren jacks met bont waren vreemde eenden in de bijt.”


Wilhelmina

Schrale troost was de condoleancebrief die door koningin Wilhelmina werd gestuurd. Het leven zou nooit meer hetzelfde zijn. Niet in Indonesië en zeker niet voor het gezin van Paul.

Document waarop het verblijfadres  in Nederland staat vermeld


Condoleancebrief van  koningin Wilhelmina

Wim Kan

In latere jaren is veel van de oorlog in Indonesië verzwegen. Het zou daar allemaal niet half zo erg geweest zijn als in Nederland zelf. Grote commotie ontstond er echter wel toen in 1971 de Keizer van Japan op staatsbezoek was in ons land. Wim Kan, cabaretier en zelf slachtoffer van de gruwelijkheden van de oorlog in Indië, kon daar absoluut niet mee leven. Hij schreef en zong daarover een protestlied dat hem zeker niet door iedereen in dank werd afgenomen. Het lied geeft echter wel aan hoe diep het leven in de kampen heeft ingegrepen in de jaren daarna.

Gerhard Kwak bij het graf van Paul Kwak in Kanchanaburi

Er leven haast geen mensen meer

Er leven niet veel mensen meer die het hebben meegemaakt,

De vijand heeft er ongeveer éénderde afgemaakt,

Die slapen in een jute zak, de Burmahemel is hun dak.

De kampen zijn verlaten, leeg de cellen

Er leven niet veel mensen meer die het kunnen navertellen.

Wat aan die railroad is gebeurd weten de dodena lleen.

Daar, onder elke dwarsligger ligt welgeteld er één.

Maar die houdt in de Burmagrond tot in de eeuwigheid 

Zijn mond

Wat hier gebeurde had hij nooit kunnen voorspellen.

Er leven niet veel mensen meer die het kunnen navertellen.


Die alles weten nog van toen: de drie pagoden pas,

De dodenspoorlijn bij Rangoon, ontvluchten, hoe dat was.

Je werd zonder te zijn verhoord op koninklijk bevel vermoord.

Maar wie wil dat nu nog tentoon gaan stellen?

Er leven niet veel mensen meer die het kunnen navertellen.


En toch leeft er nog altijd één die het navertellen kan.

Die de geschiedenis kent als geen: de keizer van Japan.

Nou hij niet opgehangen is had op Soestdijk toen aan de dis

Tenminste toch eens iemand kunnen vragen hoe dat zat destijds

In Burma,

Aan die railroad, met die doden, en die zieken, en die honger

En die cellen


Wat had hij dat,

Terwijl hi jat

Mooi kunnen navertellen.
                                                  Wim Kan

In 2000 bezochten Gerhard Kwak en echtgenote Toos ten Thij het oorlogskerkhofinKanchanaburiendespoorlijn. Indrukwekkende plaatsen die helaas door de commercie wel wat van haar oorspronkelijke doel verloren heeft: het herdenken van hen die aan de spoorweg stierven. Bij de spoorweg is een klein museum Het ‘JEATH-Museum’. De naam is een afkorting. Deze is samengesteld uit de eerste letters van de landen die bij de Tweede Wereldoorlog, in dit gebied, betrokken waren. Japan, Engeland, Australië, Thailand en Holland. Krijgsgevangen uit Engeland, Australië en Holland bouwden de dodenspoorweg. Paul Kwak was één van hen. Helaas heeft hij het niet overleefd.


Willy:
“Op latere leeftijd ben ik met mijn man Bertus gaan wonen op een appartement in Oosterbeek. Op de eerste verdieping. Ik wilde, op oudere leeftijd, niet achter een schutting zitten. Nooit meer. Ik heb er in mijn jeugd lang genoeg achter gezeten.”

Femielie

 

Webmaster Gerhard Kwak

 

Website van de Achterhoekse & Twentse families Kwak, Elschot, ten Thij en Goossen.

 

Neem contact op met:

 

Adres: Wielseweg 3-57, 3896 LA Zeewolde

Email: g.kwak@kpnmail.nl

 

© 2018 - 2020 Gerhard Kwak, Zeewolde.  All Rights Reserved