Paul Kwak - 50 - oorlog

Paul en Mientje Kwak in de 2e Wereldoorlog

Paul Kwak omstreeks 1939

Kort daarna brak de oorlog in Nederlands Indië uit en was het nergens meer veilig. Na de aanslag van de Japanners op Pearl Harbor op 7 december 1941 veranderden de omstandigheden. Met name de oudere jongens werden bijvoorbeeld bij de Luchtbeschermingsdienst ingedeeld. Ze oefenden regelmatig in het exerceren. De uniformen hadden een opvallende hoed van donkerbruin stro. Daarbij was één van de flappen aan een zijde opgeslagen. De post werd gecensureerd. Alom werden EHBO- cursussen gegeven. Verder werden er schuilkelders gebouwd en op de scholen waren regelmatig oefeningen hoe te handelen met het luchtalarm.


Mientje en de kinderen worden in 1942 naar Java geëvacueerd door de BPM. Dat gebeurde per vliegtuig via Batavia en daarna per trein naar Madioen en vervolgens met kleine bergpaardjes naar het hotelletje Huize Hansje in Sarangan. Paulsr. blijft achter op Sumatra.


Landstorm

Paul zelf werd ingedeeld bij de ‘Landstorm’, een onderafdeling van de KNIL. Hij kwam terecht bij de genie en werd ingedeeld bij de vernielingsploegen. Deze waren opgericht om belangrijke objecten als elektrische installaties, olievelden en dergelijke te vernietigen. Die mochten namelijk niet in handen vallen van de vijand. Dat is dan ook werkelijk gebeurd. Meerdere mensen hebben daaraan deelgenomen. Willy heeft haar vader in deze periode  nog één keer gezien.


Op 11 januari 1942 vielen de Japanners Indië binnen bij Tarakan , in het noordoosten van Borneo en bij Menado, de meest noordelijke stad op het eiland Celebes. Daarna kwam de grote aanval op Sumatra. Na enkele maanden, op 7 maart 1942, capituleerde het KNIL.


Paul werd echter gearresteerd in zijn uniform van de Landstorm. Dit in tegen-stelling tot zijn vele collega’s die opgepakt werden in burgerkleding. Door zijn uniform werd Paul ineens een krijgsgevangene en als zodanig behandeld. Hij wordt gevangen gezet in de H.J. school, prins Hendrik Park te Tjimahi boven Bandoeng. Hij schrijft daarover met Mientje. Uit de kaarten en het postblad (een klein gevouwen briefje van ongeveer 12,5 x 9 cm) die bewaard zijn gebleven blijkt wel dat de situatie niet slecht is. De krijgsgevangen mogen per zes dagen ongeveer drie uur de stad in en hebben heel behoorlijk te eten. Paul en Mientje hebben moeilijk contact met elkaar. Opvallend is wel dat ze elkaar niet aan spreken als Paul en Mientje maar als Paps en Mams.


Met name vanwege de grote afstanden en de onbetrouwbaarheid van de postbestellingen worden er, voor het contact, dan ook collega’s en bekenden ingezet die schijnbaar wel vrij kunnen reizen. (waarschijnlijk omdat ze niet krijgsgevangen waren). Zo ook op 7 mei 1942. Paul geeft dan een brief mee aan een collega. Hij klaagt daarin dat het leven weliswaar niet slecht is, maar dat er absoluut niets te doen is. Alleen kleren wassen en zaal schoon maken. In al zijn brieven klinkt wel het heimwee naar vrouw en kinderen door.

Uitsnede brief

Post van Paul vanuit Tjimahi

Op het moment dat Paul deze brieven schrijft zit hij definitief achter het prikkeldraad. Hij schrijft in een brief dat alle burgers naar huis moeten en dat de krijgsgevangen opgesloten worden. Wellicht is dat de reden dat hij, op het laatste moment, zijn geld nog weg wil sluizen naar Mientje. In die periode geeft hij namelijk in verschillende brieven geld mee. Het zijn behoorlijke bedragen. De ene keer f 500.- en de tweede keer zelfs f 2000.-. Daarover wordt in de brieven niets gezegd. Wel vraagt hij Mientje in het Maleis te antwoorden of het geld is aangekomen. Ze moet dat doen door een briefkaart te sturen waarin ze in een PS. een speciale zin neer moet schrijven. Paul geeft in zijn brieven aan welke antwoorden het moeten zijn. De zinnen zijn:


“Bij een goede ontvangst van de f 2000.-: “Anak besar ada baik lagi” (groot kind is weer goed) en bij ontvangst van beide bedragen: “Anak besar danketjil ada baiklagi” (grote en kleine kind is weer goed)”.


In deze brieven draagt Paul Mientje ook op dat ze ontkennend moet antwoorden op het feit of ze weet dat Paul nog geld ontvangen heeft. Hij vindt dat de BPM maar betalen moet voor hun verblijf in huize Hansje. Hij heeft namelijk nog veel geld tegoed.


Deze brieven zijn waarschijnlijk de laatste die ooit zijn aangekomen, hoewel wel degelijk geprobeerd is contact te zoeken. Het blijkt dat Paul gevangen zit in Batavia. Pas na de oorlog blijkt dat uit brieven van B.M. Prins, een medegevangene. Prins schrijft Mientje op verzoek van de afdeling Informatie en Nalatenschappen van overleden krijgsgevangenen. Prins vertelt wat er werkelijk is gebeurd. Hij schrijft dat Paul op 16 januari 1943 met een groep van 500 Nederlanders en 500 Engelsen en Australiërs vanuit het Centraal Burger Ziekenhuis (CBZ) te Batavia op transport is gezet naar Singapore.
Deze transporten gingen per zogenaamde ‘helships’. Ze werden zo genoemd vanwege de grote gevaren aan boord. De schepen werden zonder pardon getorpedeerd door de geallieerden, omdat het niet zichtbaar was dat er krijgsgevangenen aan boord waren. Ook waren de omstandigheden bijzonder slecht. Het ontbrak de gevangenen aan voedsel, schoon water en er was nauwelijks ruimte om te bewegen. Infectieziekten hadden vrij spel. Paul heeft ongeveer twee maanden in Singapore vast gezeten. Hij is daar te werk gesteld bij de Militaire Politie (MP).

Paul overlijdt in kamp Tasao (Tarsau)

Prins geeft wel aan dat er weinig gesproken werd. Een en ander wordt bevestigd door een medewerker van Paul, H. Lambrechts, die Mientje op 10 maart 1947 vanuit Meppel schrijft.:


“Ik kwam in de gevangenis van Batavia mijn chef boormeester Kwak weer tegen. Hij zat eveneens bij het transport naar Singapore en Siam. Hij is weliswaar in het basiskamp aangekomen, maar daar overleden. Volgens mij heeft Paul wel bijstand gehad van een priester omdat er in die tijd een priester op het kamp aanwezig was. Verder ligt het graf van Paul er netjes verzorgd bij.“


Birma spoorweg anno 2000

Het laatse levensteken van Paul

Het transport

Vervolgens zijn de krijgsgevangenen op transport gezet naar Siam (het huidige Thailand). Dat gebeurde in volgepropte treinwagons waar normaliter rijst in werd vervoerd: de gevangenen konden alleen maar, hurkend, boven op hun bagage zitten. En dat gedurende 5 dagen en nachten lang. Na aankomst volgde er een 4 uur durende inspectie van de aanwezige bagage om te kijken of er ook wapens of radio’s waren meegesmokkeld.
Dat was nog niet het einde van de beproeving. De hele groep werd weer op mars gezet voor een voettocht door de jungle die maar liefst 7 dagen duurde. De verplaatsingen gebeurden hoofdzakelijk ’snachts en uit de brief van Prins blijkt dat deze mars voor Paul bijna onoverkomelijke problemen met zich meebracht. Zijn conditie was slecht en herhaaldelijk namen medegevangen zijn bagage over.


Ook het slapen op de kale grond was een kwelling voor Paul en hij drinkt te veel water. De laatste nacht bleef hij zelfs met verschillende mensen achter in het oerwoud omdat hij niet meer verder kon. Volgens Prins leed hij vermoedelijk aan dysenterie (een afgang van bloed en slijm) en medicijnen waren er niet. De voeding was ook miserabel. Er was alleen ‘tadjin’ een aftreksel van rijst en sterke thee voorhanden als een soort looistof voor de darmen.


Paul overlijdt

Paul heeft ongeveer 5 dagen geleden aan deze ziekte en overlijdt op 9 mei 1943 op 42-jarige leeftijd als zevende Hollander van het transport in het kamp Tasao, meer door een totale uitputting dan door dysenterie.

Uiteindelijk sterven er 3200  van de totaal 18000 Nederlandse krijgsgevangen,  waaronder Paul. In eerste instantie werd hij begraven op Tasao. Maar later is zijn lichaam overgebracht naar Kanchanaburi. Hij rust daar op het ereveld bij de Birma spoorweg.

Foto’s van een Japans interneringskamp. Midden onder 'bilekken'. 


Bron: Bronbeek Arnhem

Wok

Tijdschema

07.30: water halen voor thee

09.30: appèl

16.00: appèl

22.00: slapen

Koffiekloplepeltjes van Mientje in het bezit van Willy

Mientje en de kinderen

Ook voor Mientje (36), Willy (13), Paul (9) en Theo (6) was het in die tijd geen gemakkelijk leven. Toen de eerste Japanners in Noord-Java landden was de paniekkompleet.Veel marinemensen warenineens verdwenen.Ze waren,tot verbijstering van de achterblijvenden, naar Australië gevlucht. Overal waren geruchten van verkrachtingen en andere wreedheden van de Japanse soldaten. In eerste instantie bleek dat nog wel mee te vallen. De klok werd aangepast aan de Japanse tijd. Die was 1,5 uur later. Ook de Jaartelling werd overgenomen. Ineens was het 2602. Grote angst was er met name voor de Kempeitai, een soort Japanse Gestapo. In Japan beschouwde men het als een elitecorps. De officieren waren vrijwel allemaal afkomstig uit voormalige Samoeraifamilies. Ze maakten zich schuldig aan oorlogsmisdaden als mishandeling, foltering en moord.

Ook werd er een registratieplicht ingesteld. Alle persoonlijke gegevens werden genoteerd en er moest behoorlijk voor betaald worden. Veelal werd er in termijnen van fl.20.- betaald. Als je in Nederland was geboren werd je geregistreerd als een ‘belanda-totok’, maar als je in Indonesië geboren was, ook als kind van Nederlandse ouders dan was je een ‘belanda-indo’. Onduidelijk was wat de gevolgen van de registratie konden zijn.

Kamppas van Mientje

In maart 1942 werden veel achtergebleven mannen en vrouwen gedwongen opgesloten in interneringskampen waar talloze mensen om het leven kwamen. Naar schatting stierf 13% van de  90.000 burgers en ruim 20% van de 37.000 krijgsgevangenen.

Al gauw werden de scholen gesloten en kwam het sociale leven zoals ze dat kenden tot stilstand. Wel werd er clandestien lesgegeven. Het had wel iets spannends,wanthetwasstrengverboden.Geleidelijkaanwerdendemannen en ook de oudere jongens opgepakt. Zeker wanneer ze in de ogen van de Japanners op onbelangrijke posten werkten. Het moet voor Mientje een uitzonderlijk zorgelijke tijd geweest zijn. Drie kinderen om voor te zorgen en Paulgearresteerd. Interneringskampen De gezinnen werden op transport gezet. Mientje moest met de kinderen in eerste instantie naar Sarangan, een klein bergplaatsje op Oost Java. Later werden ze op kleine bergpaardjes naar Madioen gebracht en vervolgens, per trein, op transport gezet naar het kamp Lampersari bij Semarang. Semarang was een kleine stad met eeneigenhaven. De benedenstad biedt op dat moment plaats aan veel zaken als banken, notarissen handelshuizen, advocaten en hun kantoren. Daar is ook de Chinese wijk en de vele ambachtelijke winkeltjes. Meteen daarachter beginnen de groene heuvels . Er loopt een weg naar de wijk Sompok waar de lagere ambtenaren wonen in kleine witte huisjes. Met name deze wijk wordt een hel van verschrikking als ze later wordt ingericht tot het kamp Lampersari.


Willy:
“Iedereenhadeentransportnummerendebarang(bagage)diewemeemochten nemen was aan vaste maten gebonden. Dus veel van waarde moest worden achtergelaten. Wel werden geld en sieraden meegenomen. We werden als vee versleept in gesloten treincoupés wat tot miserabele omstandigheden leidde. Zeker gezien de slopende hitte en de slechte verzorging. Er braken dan ook regelmatig ziekten als dysenterie en dergelijke uit. De mannen en de vrouwen werden apart opgesloten. De vrouwen hadden de kinderen bij zich. Vanaf tien jaar echter moesten de jongens bij de vrouwen weg en werden ze naar het mannenkampgebracht.”


Kamp Lampersari

Lampersari Busho III kamp 4 was de officiele naam volgens de Japanse Administratie en bestond  uit een wijk in het oosten van Semarang. In de wijk stonden een groot aantal kamponghuisjes en een school. Deze wijk lag aan weerszijden van de Lampersari-weg. Het kamp bestond uit een verzameling afgekeurde kamponghuisjes vol ‘wandberen’ (luizen).
In dit vrouwenkamp voerden Mientje en haar drie kinderen een drie en een halfjarige strijd om te overleven. Bij binnenkomst in het kamp werd iedereen gefouilleerd en er werd vooral op gelet dat er geen papiergeld naar binnen werd gesmokkeld.Dat werd zwaar bestraft.


Het kamp lag aan de buitenkant van Semarang. Het gebied heeft een heet en broeierig klimaat dat niet bevorderlijk is voor de gezondheid. Het kende een kantoorenkeukensdiewarengevestigdindeAmbachtsschool.Verderwaren er een aantal loodsen en verschillende schuren. Ook had het kamp een oude onbewoonbaar verklaarde kampong. Daarin lagen de wijken Blimbing en Mangga met hun straatjes. De ambachtsschool lag wat hoger en tussen dit gebouw en de rest van het kamp lag een zanderige vlakte met onder andere het ziekenhuis, een wasplaats en de plaats waar het eten werd uitgedeeld. De verschillende kleine huisjes waren 2 kamers groot. Ze waren opgetrokken uit wanden van gevlochten bamboe (gedèk) en hadden een lemen vloer. Er lagen pannen op het dak maar er  zaten geen plafonds in. In een apart hokje was een hurk-wc ondergebracht. Ook de omheiningen waren opgetrokken uit gedèk.
Via dat gedèk werd er vaak gehandeld met de inlanders. Dat handelen werd ‘bilekken’ genoemd en was streng verboden. Van alles werd er geruild om aan eten en dergelijke te komen.


De omheining van het kamp bestond uit een dubbele schutting. Deze was gemaakt van gevlochten palmbladeren met prikkeldraad. Tussen de beide schuttingen was een ruimte van ongeveer 1,5 meter waar de kampbewaking patrouilleerde. Als de vrouwen gingen ‘gedekken’ dan stonden ze op stoelen ommaarzogoedmogelijkoverdeschuttingtekunnengooien.


Mientje woonde met haar kinderen in de 5e Mangga no 3 inkamp Lampersari in Semarang. Het leven in de kampen was bijzonder moeilijk. De mensen in de kampen waren opgedeeld in zogeheten ‘kongsies’ (verenigingen). Het waren kleine groepjes die op deze manier met elkaar optrokken en samen woonden. In de meeste gevallen was er geen enkele vorm van privacy. Het afschermen van de slaapplaatsen was  bijvoorbeeld verboden. De ruimte om te slapen besloeg per persoon ongeveer 60 cm. De mensen hadden ieder de beschikking over vier tegels zoals dat werd genoemd. Daarop lag een bultzak, een dun matrasje waarop werd geslapen. Door de toestroom van steeds meer gevangenen moest er soms verhuisd worden. In de praktijk betekende het dat je een paar tegels op schoof.


Om te overleven moest men de eigen groente verbouwen op de velden buiten het kamp en zelf het eten koken in de ambachtsschool op open vuren waarvoor (vaak nat) hout door de Jappen werd aangevoerd. Overdag werd er op het land gewerkt. Dat gebeurde met de patjol, een soort omgeklapte schop (een hak).


Mannen en vrouwen waren in de kampen van elkaar gescheiden, maar tijdens het middageten op de velden was men in staat om gegevens uit te wisselen. Men deed dat door in de rijen op de paden naar de keuken voor het uitdelen van het eten zo plaats te nemen dat er met gebogen hoofd nog wat woorden gewisseld konden worden. Iets wat ten strengste verboden was. De mannen konden, vanuit mannenkamp Bangkong, de vrouwen ook zien door op de bovenste verdieping van hun kamp (het klooster) te gaan staan. Zo konden ze over de schutting nog net de vrouwen zien.

Meubels waren spaarzaam aanwezig. Men leefde grotendeels op de grond . Er was vaak gebrek aan bakken en schalen om het kleine beetje voedsel dat verstrekt werd in te kunnen ophalen en te bewaren. Potten waren een luxe in hetvochtigeenheteklimaat. De meeste bewoners hadden nauwelijks kleding. Twee jurken was al een hele luxe. Meestal droeg men shorts en bloezen. Deze werden met de hand gemaakt uit lakens. Ook droeg men wel plastrons (bovenstuk dat dienst deed als BH) gemaakt van theedoeken.


Eten

Het koken gebeurde op een speciaal aangewezen veld. Als je stiekem ergens anders kookte kon je daarvoor zwaar gestraft worden. Het koken gebeurde op kleine verhogingen van stenen. Het beschikbare hout was vaak veel te nat of had niet het juiste formaat. Koken kostte dus heel veel tijden was vaak een frustrerendegebeurtenis.
In de hoofdkeuken van Lampersari hadden de kooksters de beschikking over tien vuren. Op ieder vuur stonden twee kooktonnen. De vuren werden om vijf uur ’s morgens aangestoken. Dat ging niet altijd eenvoudig. Vaak waren er geen lucifers maar vaak ook was het hout gewoon nat. In de tonnen werd vaak een soort magere soep bereid die voortdurend geroerd moest worden. Er werd een sport van gemaakt om een stukje vlees te vinden. Het vlees werd apart bereid en pas later over de verschillende tonnen verdeeld. Dat gebeurde door vrouwen die het vertrouwen genoten. Voedingsmiddelen met een hoge voedingswaarde als spinazie en bijvoorbeeld lever werden veelal voor de kinderen bewaard. De beschikbare rijst werd in aparte pannen gekookt.

Vrouwen ruilden sieraden voor voedsel ondanks het verbod. Ook werd er waar mogelijk gesmokkeld. Per dag was er vaak niet meer beschikbaar dan ongeveer 250 gram brood per persoon. Daar moest twee keer van gegeten worden. Wanneer je als laatste ploeg eten moest halen dan vond je regelmatig de hond in de pot. Of je kreeg de aangebrande korsten uit de pannen. Eigenlijk was die nog wel lekker als de korst maar niet al te zwart was. Het tekort aan eten werd met van alles en nog wat aangevuld. Alles wat maar gevangen kon worden werd gegeten. Dat gold voor: ratten, katten, slakken, kikkers en zelfs slangen. Dat eten werd gekookt op kleine vuurtjes. Het hout werd uit de hutten gesloopt. Dit was ten strengste verboden. Om elkaar dan ook te waarschuwen voor controlerende Jappen gebruikte men de waarschuwingskreet ‘oliebollen’.


Bekende gerechten waren: kandjipap: Een soort stijfselpap. De stijfsel was van een kwaliteit waar vroeger de kleren mee werden gesteven. Daarnaast was er ook sajoer, een dunne groentesoep van een erbarmelijke kwaliteit. Als een ‘lekkernij’ maakten de bewoners koffiespuug of koffieklop. Dat was koffie-extract waaraan suiker werd toegevoegd. Door stevig te kloppen werd de koffiespuug schuimig en nam de omvang sterk toe, met als resultaat dat het eten daarvan een verzadigd gevoel gaf, dat overigens wel snel weer was verdwenen. Ook werd er pap gekookt van water en Asiameel; de kedelé. Het water werd vermengd met grof gemalen maïs. De smaak van de pap was niet te genieten. Heel bitter en vaak was de maïs niet gaar. Ook zat er een afschuwelijkestank aan zodatje de pap maar het beste met dichtgeknepen neus kon eten.


De broodjes die gegeten werden waren klein en vaak ongerezen, homperigen klef. De boterhammen die je er uit kon snijden waren niet groter dan 2 bij 4 cm. Dat kon je wel tot1 meter uitrekken. Zo elastisch was het. Het viel als een granaat in je maag. Verder werd er ook ‘lobakbrood’ gemaakt van een vrucht die veel lijkt op radijs. Aparte lekkernijen waren klapperkoekjes en ananasbeignets Werkzaamheden De vrouwen die buiten het kamp werkten werden sprieten genoemd. Als je er lichamelijk toe in staat was, dan had je een portie extra eten en wat afwisseling, temeer daar je dan vlak langs het mannenkamp kwam. De mannen stonden dan op de bovenste verdiepingen van hun barakken om te kijken. Dat gebeurde vaak op weg naar de ‘patjolvelden’ (land). Op deze velden moest je met behulp van een patjol (hak) een soort rechthoekige schop de grond omspitten zodat er gewassen verbouwd konden worden.


De afwas werd meestal gedaan door de jonge kinderen. De oudere kinderen moesten petten maken, tankvullen, dat was het vullen van de watergamellen in de gaarkeuken en grassprietjes plukken langs de weg. Een vorm van werk verschaffing. Een bijzonder vies werkje was het poeproeren. De toiletten waarbij dat gebeurde waren grote vaten die in de grond waren ingegraven. Door stevig te roeren werd de massa dunner, net soep. De ton werd er daarna uitgetild en de inhoud als mest over het land gegoten. Als beloning was er een kom rijst of maïs.


Ziekten In de boeken die er geschreven zijn over het leven in de kampen komt steeds weer de ondragelijke stank naar voren. Veel mensen leden namelijk aan allerlei ziekten als diarree en dergelijke. Ook de rottingsgeur van ontstoken wonden en etterende zweren die krioelden van de maden was alom aanwezig. Medicijnen waren er nauwelijks en voor de wonden waren slechts oude lappen beschikbaar.
Wel waren er enkele vrouwelijke artsen die spreekuur hielden en ook wel patiënten thuis bezochten. Er was echter een schreeuwend tekort aan medicijnen, dus dat was een vrijwel ondoenlijke taak. Door de zwakke gezondheid was iedereen natuurlijk heel vatbaar voor allerlei ziekten als: hongeroedeem (waterzucht). Het treedt op bij een eiwittekort door een eenzijdige of slechte voeding. Mensen waren vaak ook veel dikker door de hongeroedeem. Wanneer op de dikke plekken gedrukt werd dan bleef er vaak een kuiltje achter. Een andere vervelende ziekte was de ‘tropische spruw’. Het is een aandoening waarbij de darm bepaalde voedingsstoffen niet meer opneemt. Verschijnselen zijn: gewichtsverlies, diarree, bloedarmoede en ontstekingen van het mondslijmvlies. De naam wordt ook gebruikt voor een infectie met schimmel. Het resultaat is een rode dikke tong, met blazen en gele tanden. Het eten is moeilijk en doet pijn. Zelfs water prikt. Praten is daardoor moeilijk. Er kwam ook veel malaria voor. Van de kinine die je bij malaria kreeg, als je geluk had, kreeg je als je er gevoelig voor was een kininevergiftiging en werd je stokdoof. Dysenterie kwam ook veel voor. Het is typisch een ziekte die onder dat soort omstandigheden veel voorkomt. De ziekte is besmettelijk en kan vooral bij ouderen en jongere kinderen door het optredende vochtverlies uitdroging en shock veroorzaken. Naast deze ziekten werden de bewoners vaak geconfronteerd met nekkramp en pokken. Daarnaast was was ook de gevoeligheid voor sterke temperatuurdalingen opvallend.
Willy had in de laatste maanden in het kamp vooral last van de mazelen. Op een leeftijd van 16 jaar is dat een kwalijke ziekte die allerlei complicaties kan veroorzaken.

Handwerken en cadeautjes uit de collectie van museum Bronbeek in Arnhem

Receptnotitie

Tèklèks

uit de collectie  van Bronbeek

Vermaak

Om maar niet aan het kamp te denken hielden vrouwen zich veel bezig met praten over eten. Daarbij werd ingegaan op de kleinste details. De recepten werden, zo mogelijk, op kleine stukjes papiergeschrevenengeruild.

Wellicht dat het praten over eten de altijd aanwezige honger deed vergeten. Ook werd er veel gebridged met zelfgemaakte kaarten. Als je niet werkte was verveling de grootste vijand. Verder werd er veel gehandwerkt en werden de cadeautjes voor verjaardagen zelf gemaakt. Ondanks alle ellende werd zoveel mogelijk geprobeerd de grote feestdagen te vieren. Zo werd Kerstmis gevierd met kleine cadeautjes en soms waren er kleine naaldboompjes (tjemara’s) beschikbaar. Veel vrouwen werden ook benaderd om als ‘vrijwilliger’ in een fabriek te gaan werken. Veelal werden jonge meisjes benaderd. Vaak bleek de ‘fabriek’ in kwestie uiteindelijk een bordeel. Veel te spelen was er niet voor de kinderen. Buiten de honger, was er voor hen eigenlijk niets te beleven.


Martelingen

Lampersari stond er om bekend dat nieuwkomers vaak werden afgeranseld. Dat was om meteen duidelijkheid te scheppen over de aanpak in het kamp. Bij het minste geringste moest de gestrafte knielen met hoofd op de grond en dan werd er een gespleten bamboe achter de benen gezet zodat ze niet konden doorzakken. Het martelen gebeurde op de wasplaats waar iedereen een paar keer per dag langs kwam om eten te halen. Vaak moesten mensen ook uren knielen op de scherpe ribbels van een wasplank. Daarnaast kwam eenzame opsluiting regelmatig voor.


Appèl

De appèls bestonden voor een groot deel uit wachten en nog eens wachten, staande in debakkendezon.Niet zelden kwamen ermishandelingenvoor. En de Jappen schreeuwden maar commando’s als : in de houding: jotské, buigen:kiré,weerrechtopstaan:noréenweggaan:wakkaré.


Rode Kruis-pakketten

De pakketten werden nauwkeurig verdeeld. Vaak was er maar één pakket voor een kongsie. Soms zelfs nog minder. Om eerlijk te verdelen werden bijvoorbeeld zelfs de beschikbare krenten en rozijnen uitgeteld. Men was vooral gek op rode pepers vanwege het hoge gehalte aan vitamine C. Zelfs de kleine kinderen moesten het eten. Vaak werden de pakketten verdeeld onder meerdere families. Soms werd er om verschillende onderdelen wel geloot. Met de verschillende onderdelen werd ook heel inventief omgegaan. Ze werden toegevoegd aan de kamprantsoenen om zo de smaak en de kwaliteit wat te verbeteren. De blikjes en verpakkingen werden opengemaakt en meteen onder de families verdeeld. De kinderen mochten dan om de beurt een papiertje of doosje aflikken.


Kleding

Meestal werder optèklèks gelopen. Houten zooltjes die onder de voet bleven met een leren of stoffen bandje. De bandjes waren met spijkertjes vastgezet. Voor zover er al schoenen waren pasten ze meestal niet meer door de sterk veranderde voeten en daarnaast bewaarde men ze liever voor betere tijden. Je had beslist tèklèks nodig voor de hurk-wc’s. Die waren namelijk zo vies dat je  daar maar beter niet met blote voeten kon lopen. Kleding ruilen was ook heel gebruikelijk. De kleding werd geruild met de inheemsen buiten het kamp. Dat gebeurde door te ‘gedekken’, een naam die werd gebruikt voor het over de schutting gooien van kleding.

Kamp klooster Bangkong

Toen Paul tien jaar werd moest hij naar het mannenkamp. Op die leeftijd werden de jongens namelijk ‘staatsgevaarlijk’ geacht. Het kamp heette Kamp klooster Bangkong. (Busho III kamp 3 in de Japanse administratie). Men ging er dan vanuit dat een knul van tien jaar zichzelf wel kon redden. Dat was een kleine ramp omdat Paul op dat moment zijn arm gebroken had. Mientje kwam toen gelukkig in contact met een vrouw die ook uit Groenlo kwam. Ze ontmoetten elkaar in het kamp doordat deze vrouw haar herkende en vroeg of ze Mientje Peer was. Ze hadden bij elkaar op school gezeten. Deze vrouw bleek verpleegster en moest naar het mannenkamp om daar te werken. Zij hield voor Mientje Paul een beetje in de gaten. Willy:


“Ik noem het nog steeds een wonder dat deze situatie zich zo heeft voorgedaan. Uiteindelijk was het toch een traumatische ervaring voor Paul. Ik denk echter wel dat het vertrek van Paul wat minder ingrijpend voor hem was omdat hij al op jeugdige leeftijd de kostschool had bezocht. Daardoor was het afscheid van zijn moeder wellicht minder zwaar.”


Het klooster Bangkong (broeders van Maastricht of broeders van Onbevlekte Ontvangenis) lag in het oostelijke deel van Semarang aan de straat Bangkong, dicht bij het vrouwenkamp Lampersari. Het kamp was ondergebracht in het klooster en het internaat. Een gedeelte van de bebouwing had een extra verdieping. Het kamp was in de loop van 1944 tot jongenskamp bestempeld. Totaal zaten er ongeveer 1200 mensen. Dit kamp lag midden in Semarang. Er stonden ondermeer een oude kerk en een voormalig klooster. De mannen uit Semarang woonden in de kamers van het klooster/internaat. Er was in het kamp slechts een handjevol vrouwen aanwezig met name voor de verpleging.

Femielie

 

Webmaster Gerhard Kwak

 

Website van de Achterhoekse & Twentse families Kwak, Elschot, ten Thij en Goossen.

 

Neem contact op met:

 

Adres: Wielseweg 3-57, 3896 LA Zeewolde

Email: g.kwak@kpnmail.nl

 

© 2018 - 2020 Gerhard Kwak, Zeewolde.  All Rights Reserved