Gerrit Kwak-6

Klik op een foto voor de vergroting

Handtekening Gerrit Kwak jr. 

Trouwboekje

Gezin Gerrit Kwak ca. 1962

Gezin Gerrit ca. 1962


Vlnr. Huub, Leo, moeder Gerda, Dorien, voor Robert, Staand Gerhard, vader Gerrit, Fons en nakomertje Karin

Gerrit 1924

Gerrit in 1924

Duivenmelker

Duivenmelker

Gerrit Inschrijving geboorteregister

Zwemmen in de Slingebeek.

Gerrit (links) was in zijn jeugd bijna verdronken vandaar dat al zijn kinderen verplicht zwemles kregen.

Gerrit als voetballer bij Sparta Zaltbommel in 1931

Hakblok

Museum Smedekinck

Zelhem

Van Dale Etymologisch woordenboek zegt over het begrip ‘bij de roes’: het ongewogen of ongeteld kopen of verkopen van iets. In het dialect betekent ‘roesen’ schatten.

Kwattasoldaatjes

Gerrit Kwak

Foto ca. 1940

Op de lat

Pekelkelder

Slagerswandelvereniging.

Gerrit staand 3e van links. 

Hitler en paus Pius XII

Een wedstrijdduif wordt geringd door de duivenclub. Bij thuiskomst na een wedstrijdvlucht  gaat de ring in een hulsje (rechts) en daarna in de klok. Deze slaat de aankomsttijd van de duif op. Op de vereniging kan dan bekeken worden welke duif de snelste was. 

Op deze pagina vind je een overzicht van vrijwel alles wat over Gerrit Kwak [6], slager in Winterswijk en zijn echtgenote Gerda Elschot [7]  bekend is. De zaken die we hier schrijven zijn zoveel mogelijk geplaatst in het teken van de tijd. Dat maakt het geheel aantrekkelijker om te lezen en het geeft meer begrip over de levensomstandigheden.

 

Heb je ook aanvullingen laat het ons dan weten via: g.kwak@kpnmail.nl

Gezinsblad Gerrit Kwak & Gerda Elschot

 

Johannes Gerhard (Gerrit) Kwak, zn. van Johannes Gerhard (Gerhard) Kwak (Vg) (Reiziger,

   Hotelhouder) en Dora Frida Hedwig (Hedwig) Möller (Huisnaaister, Costumiere),

   geb. te Winterswijk op 3 mrt 1909, ged. RK te Winterswijk, Slager,

   ovl. (53 jaar oud) te Winterswijk op 6 aug 1962 (Bidp), begr. te Winterswijk,

   ♥ tr. (resp. 35 en 24 jaar oud) te Aalten op 5 aug 1944, kerk.huw. (RK) te Bredevoort op 5 aug 1944

   met Gerarda Berendina (Gerda) Elschot, dr. van Bernardus Wilhelmus (Bernard) Elschot (Aannemer) en

   Berendina (Dina) Ubbink (Huishoudster),

   geb. te Bredevoort op 4 jul 1920, ged. RK te Bredevoort, Kantoor bediende,

   ovl. (78 jaar oud) te Winterswijk (Bidp) op 12 apr 1999, begr. te Winterswijk op 17 apr 1999.

                

   Uit dit huwelijk 7 kinderen

 

Gerhard Bernardus Maria (Gerard), geb. te Winterswijk op 16 aug 1945, volgt VIIq.

Doriena Stephania Maria (Dorien), geb. te Winterswijk op 16 dec 1946, volgt VIIr.

Leonardus Hendrikus Josephus (Leo), geb. te Winterswijk op 16 okt 1948, volgt VIIs.

Hubertus Karel Maria (Huub), geb. te Winterswijk op 29 apr 1950, volgt VIIt.

Alphons Petrus Maria (Fons), geb. te Winterswijk op 12 jul 1952, volgt VIIu.

Robertus Gerhardus Maria (Robert), geb. te Winterswijk op 20 feb 1955, volgt VIIv.

Katharina Stephania Maria (Karin), geb. te Winterswijk op 2 sep 1961, volgt VIIw.

Gerrit: slager & duivenmelker

 

Gerrit Kwak jr.  werd geboren op 3 maart 1909 als het zesde kind van Johannes Gerhard Kwak, wiens namen hij kreeg en Dora Frieda Hedwig Möller. Van zijn vroege jeugd is niet veel meer bekend dan dat hij een vrolijke knul was die altijd voor iedereen klaar stond. Hij was een groot liefhebber van de natuur en was daar dan ook voortdurend mee bezig. Hij werd weliswaar geboren voor de Eerste Wereldoorlog maar het overgrote deel van zijn volwassen leven speelde zich af rond de Tweede Wereldoorlog en de eerste 2 decennia daarna. Een tijd vol ingrijpende gebeurtenissen die een groot deel van zijn handelen bepaalden. Tijdens zijn leven kreeg hij te maken met vergaande veranderingen in het dagelijkse leven en tevens werd zijn slagersvak sterk gemoderniseerd.

 

Gerrit ontwikkelde zich in latere jaren tot een godsvruchtige man, wars van status en met een enorm rechtvaardigheidsgevoel. Daarnaast was hij een groot natuurliefhebber. Deze liefde kreeg hij van zijn vader. Vogels waren zijn grote liefde en hij was in latere jaren een vooraanstaande fokker van postduiven.

Hij won verschillende nationale prijzen. Eén van zijn prijsduiven was de 008. De eerste fiets van zoon Gerhard (4) was een hoofdprijs van een wedstrijdvlucht. Hij nam, als jonge kerel, zijn zussen regelmatig mee het bos in om samen naar de vogels te kijken. Vaak haalde hij met broer Karel eksternesten leeg. Daarin gingen ze heel ver. Zo zaagde Gerrit op een keer de top uit een populier van de buurman om het eksternest te pakken te krijgen. Dat leverde naast het nest ook klappen van zijn buurman op. Hij maalde er niet om, want de jonge vogels werden door hen zelf opgefokt en verkocht voor een kwartje. Soms beurden ze meer en dat geld ging dan de spaarpot in. Gerrit was sportief en was altijd in voor een geintje. Zijn zus Nel vertelde een leuke anekdote:    

 

“Op een keer hadden we meer dan 50 meikevers gevangen en in een doos gestopt, natuurlijk met de bijbehorende groene blaadjes. ‘s Avonds lieten we de doos open en alle meikevers vlogen er uit en zoemden door de kamer rond het gaslicht. Prachtig.” 

 

Als kleine jongen bleek al zijn liefde voor het slagersvak. Zo ging hij iedere vakantie helpen bij slager Pecht aan de overkant van de straat en hielp mee met het slachten, wat toen nog aan huis gebeurde. Hij wilde met alle geweld slager worden. Nel:

 

“Hij heeft voor Karel en de verzamelde zussen eens een mol geslacht op een boomstronk in de tuin. Deze mol was door onze jachthond Juno gevangen. Op die manier liet hij ons zien dat hij al kon slachten.”

 

Priesteropleiding

Gerrit mocht in eerste instantie geen slager worden. Hij moest in september 1921 van zijn ouders, op 13-jarige leeftijd, naar de paters Karmelieten in Zenderen. Het was de bedoeling dat hij daar aan het gymnasium St. Alberti een vooropleiding tot priester zou volgen. Hij was daar intern, maar na ieder semester mocht hij even naar huis. Voordat hij toestemming kreeg om buiten te spelen moest hij altijd eerst bij zijn vader onder het mes om zijn haren te laten knippen. Die deed dat zelf, dat was voordeliger. De priesteropleiding was al duur genoeg. Pas daarna mocht hij weg en verdween dan vrijwel meteen met de vier jongste zussen het bos in of ging helpen bij slager Pecht de buurman tegenover het hotel van zijn vader.

 

Foto's van Zenderen

Gerrit was in Zenderen diep ongelukkig. De natuurmens die altijd buiten was en die maar één hartenwens had: slager worden, zat in het strakke keurslijf van het jongensinternaat. Dat hij het niet naar zijn zin had valt ook af tel eiden uit de cijferlijst. De cijfers vielen bitter tegen. Tegen het einde van het eerste studiejaar stuurde hij een brief naar zijn ouders. Hij wilde niet langer naar school. Hij wil slager worden. Hij dreigde met weglopen en na veel heen en weer gepraat gaven zijn ouders toe. Op 31 augustus 1923 vertrok Gerrit voorgoed uit Zenderen.

 

Slager

Eenmaal thuis ging Gerrit in de leer bij slager Snijders, de buurman aan de linkerkant van hotel Germania. Dat was maar tijdelijk want vanaf 30 juni 1924 staat hij ingeschreven als leerling bij slager Arie Ravesloot in Lichtenvoorde, een slager die van oorsprong afkomstig was uit Soest. Eén van de eerste dingen die een slagersleerling leerde, naast het boenen en poetsen, was het vragen om een bestelling bij de klanten aan huis en daarna het wegbrengen van de bestelde artikelen. De bestellingen werden afgeleverd met behulp van een transportfiets met voorop een grote tenen mand. Die slagersjongens kwam je vroeger regelmatig tegen. Onderling werden er zelfs wedstrijden gehouden wie de ‘snelste slager’van het dorp was.

 

Foto's van slager Gerrit Kwa

 

Na Lichtenvoorde werkte Gerrit van 1928 tot september 1931 bij slager Thien in Zaltbommel. Die had een slagerij aan de Boschstraat 18. Vervolgens werkte hij bijna een jaar in Lobith bij slager Neerinxc. Hij was daar niet zoals toen gebruikelijk in de kost maar woonde bij de ‘gemeenteambtenaar ter secretarie’, Gerardus Johannes Kiphart en zijn vrouw Theresia Elkman. Het gezin van slager Neerincx telde maar liefst 11 kinderen. Toen Gerrit er werkte, waren er nog zeker 8 kleine kinderen in huis, dus daar was geen plaats. De laatste slager waar Gerrit zijn vak leerde was slager Lötters in Gaanderen.

 

In die tijd ging Gerrit vaak bij zijn zusters, die in Arnhem werkten, op visite. Zus Nel vertelt:

 “Als hij weer eens bij één van ons visite was wilde hij altijd wit brood met zoet beleg. Van zijn baas in Zaltbommel kreeg hij dat nooit. Die vond dat hij maar worst moest eten. Toen hij dan ook een keer bij zijn zus Ida op visite was, werkte hij een heel wit brood met jam naar binnen om de schade in te halen. Ook ging hij graag met ons uit. Daarbij waren er eigenlijk nooit gekke uitspattingen en ook gooide hij het geld zeker niet over de balk. Hij was zelfs zuinig. Ondanks de zuinigheid was het een heel gezellige vent om mee te stappen. In een dolle bui knielde hij een keer, op het Willemsplein, voor een meisje. Een agent die dag zag was daarvan niet gediend en maande tot doorlopen anders zou er een bekeuring volgen. Gerrit was niet echt onder de indruk en vroeg of de agent soms dacht dat ze boerenpummels waren die geen geld hadden. Hij trok de portemonnee en liet een briefje van honderd zien en vroeg hoeveel een bekeuring dan wel mocht kosten. De agent stuurde hem toen weg, maar wij hadden de grootste lol.”

 

Weurden 38a

Na een gedegen opleiding bij de verschillende slagers begint Gerrit op 1 oktober 1934 een eigen zaak op het Weurden 38a in Winterswijk. Zijn vader had het pand naast groenteboer Vulker voor hem gehuurd. De slagerij was gloednieuw. De oude smidse van Johan Weenink, die daar stond, was in 1934 gesloopt en er was een nieuw pand gebouwd waarin plaats was voor twee winkeltjes, met een woning aan de achterkant. Het was een kleine winkel. Net zoals zoveel middenstandsbedrijfjes in Winterswijk.

Op het moment dat Gerrit startte waren er in Winterswijk voor zover bekend maar liefst 15 slagerijen op een krappe 20.000 inwoners. Het was dus geen weelde en er werd stevig om de gunsten van de klant gevochten met scherpe aanbiedingen. De winkel van Gerrit was ongeveer 25 m² groot en was bijna helemaal betegeld. De inrichting was sober. Er stond bijvoorbeeld geen toonbank zoals tegenwoordig, maar alleen een soort werktafel van waaraf het vlees werd verkocht. Op de achterwand en aan de rechter zijkant was een ijzeren hangwerk aangebracht waar de halve varkens, de stukken koe, de worsten en andere gedroogde vleeswaren hingen. Wanneer je naar binnen stapte stond de werktafel meteen links middenin de winkel. Op de tafel lag een blad van marmer en er stond een grote rode handsnijmachine op.

 

Naast de werktafel stond het hakblok, in die tijd niet meer dan een dikke boomstam die op zijn kant stond. Achter de werktafel, aan de muur, waren schappen voor de stukken gezouten en gedroogd spek en de kleinere stukken gedroogde vleeswaren. De etalage was eveneens bedekt met marmeren platen en op deze plaats werden vaak reusachtige stukken rund en varkensvet tentoongesteld, evenals ouderwetse sierschotels tijdens de feestdagen. Vet en spek waren destijds namelijk belangrijke producten. Op de slagerijfoto, ligt het vet in het midden van de etalage geflankeerd door stukken gedroogde rauwe ham en rookvlees.

 

Er was in die tijd nog geen koelcel. Er werd dus geslacht naar behoefte. Het vlees werd verkocht vanuit de winkel en om de goede kwaliteit te laten zien hingen de halve varkens en de ‘vierdels’ (éénvierde deel van een koe) er open en bloot. Op die manier kon de slager pronken met de kwaliteit van het vlees. Hoe vetter hoe beter was daarbij het devies. Dat was ook wel nodig want de meeste klanten hadden toen, door het zware en lichamelijke werk, veel meer calorieën nodig om goed te kunnen functioneren dan tegenwoordig. Bijkomend voordeel van deze vorm van presenteren was ook dat de klant kon aanwijzen welk stuk hij hebben wilde.

 

Meteen achter de winkel was een kleine woonkamer en een smalle gang die naar de achterliggende woonkeuken leidde. In de gang was de trap naar boven waar twee slaapkamers en twee berghokken lagen die, toen de kinderen geboren werden, ook tot slaapkamer werden omgebouwd. Een verdieping hoger waren een tweetal kleine zolders en nog twee slaapkamers.

 

Achter de slagerij van Gerrit stond een schuur. De achterste helft was van buurman Vulker. De kinderen mochten er niet komen maar die trokken zich daar weinig van aan.. Zoon Gerhard vond daar ooit een hele collectie glasnegatieven van voor de oorlog op de zolder en vond het leuk ze kapot te gooien. Dat leverde een fikse draai om de oren op. Leo vond er na de oorlog een behoorlijk hoeveelheid munitie die vervolgens alsnog verwijderd werd.

 

In de schuur van Gerrit, direct achter het woonhuis, bevond zich een kleine werkplaats waar de worsten werden gemaakt. Daar bevond zich de grote kookketel en was er een gemetselde rookkast waar de hammen en worsten werden gerookt boven een bedje van smeulend beukenzaagsel. De werkplaats was de plek waar hij eigenlijk het liefste vertoefde. Hij was daar bezig met zijn vak en kon dan uitkijken over de tuin waar ook zijn duivenhok stond.

 

De katholieke Jood

Gerrit betrok zijn varkensvlees van verschillende handelaren. Het rundvlees kocht hij gewoonlijk van boeren uit de omgeving. Hij kocht zijn slachtvee meestal in ‘de roese’. Dat verdient enige uitleg. Je kon destijds een koe kopen op basis van het gewicht na het slachten. De slager betaalde dan een afgesproken prijs per kilo. Dat was de veilige manier van kopen. Een slager kon echter ook een koe kopen op basis van een totaalbedrag  zoals het beest in de weide of op stal stond. Dat lijkt op gokwerk, maar slagers waren handige kooplui en bepaalden dan voor zichzelf het gewicht van een koe door het dier te betasten. Ze konden voelen hoeveel vet er op het vlees zat en ze namen met de handen en armen de buitenmaten van het beest en bepaalden zo de aanwezige hoeveelheid vlees. Door jarenlange ervaring kon mening slager perfect aangeven hoeveel de koe zou wegen na het slachten en wisten ze heel goed wat ze voor een koe zouden moeten betalen wanneer ze die per kilo moesten betalen. Op basis van deze schatting noemde de slager dan een totaal-bedrag dat natuurlijk lager lag dan de prijs per kilo en met het nodige handjeklap kwam het tot een akkoord met een boer.

 

Bekend is dat slager Kwak een specialist was in het kopen in de roese en daar vaak heel goed geld mee verdiende. Hij stond daardoor bekend als: ‘de katholieke Jood’, want het handelen zat hem, net als bij Joden, in het bloed.

 

Zoon Gerhard:

"Als kind kregen we vroeger vaak een mini-reep heerlijke ‘Kwatta-chocolade’ wanneer mijn vader weer eens koe had gekocht die zo meeviel in gewicht dat een reepje chocolade er best vanaf kon. De doos met chocolade stond altijd op de ouderslaapkamer bovenop de linnenkast. Toch ging het ook wel eens mis met zijn koopmanschap. Op een gegeven moment kocht mijn vader een koe bij een boer ergens achter in Kotten. De koeien waren daar net zo vet als het huishouden. De boerin was een ongelooflijke ‘smoske’ (smeerpoets) zoals hij altijd zei. De stoelen waren te vies om op te zitten en de koffiekopjes hadden een rand zo zwart als teer. Boven de schouw hing een prachtig schilderij wat hij altijd al had willenhebben.Uiteindelijk werden de boer en hij het eens over de prijs van de koe inclusief het schilderij. Thuis gekomen, apetrots op zijn aankoop, bleek het schilderij een kleurenprent, zo boordevol vliegenstront en vettige aanslag van het koken dat het meteen de kachel in kon. Een zware teleurstelling.”

 

De koeien en varkens werden door Gerrit op het slachthuis geslacht. Het slachthuis stond aan de spoorbaan naar Zutphen vrijwel direct naast het katholieke kerkhof.

 

Afrekenen

Na de slacht kwam de boer of de varkenshandelaar afrekenen en de betaling werd steevast bezegeld met een borreltje voor de verkoper. Gerrit dronk nooit mee. Die was geheelonthouder. Daarvoor waren twee redenen: Hij was eens dronken geweest bij het 25- jarig huwelijk van zijn ouders. Hij was toen ongeveer 15 jaar en wilde het wel eens proberen. Hij werd toen als een klein kind naar bed gestuurd en die vernedering en de kater na afloop is hem altijd bijgebleven. De tweede oorzaak was de misère die hij als kind meemaakte bij zijn vader in het hotel. Daar moest hij vaak de echtgenote ophalen als een gast het huishoudgeld weer eens zat te verzuipen.

 

Verkopen

De winkel speelde in de dertiger jaren van de vorige eeuw nog vaak een ondergeschikte rol. Het meeste vlees werd niet vanuit de winkel verkocht maar thuis bezorgd. De slager stapte op zijn fiets en bezocht de klanten persoonlijk om een bestelling te noteren. In latere jaren had Gerrit daarvoor speciale notitieboekjes waar de klant de bestelling dan in schreef. Deze boekjes werden opgehaald, de bestelling werd klaargemaakt en het totale bedrag uitgerekend en er bij geschreven. Het boekje werd weer met de bestelling afgegeven. De klant betaalde meestal eens in de week. Gebeurde dat niet op tijd, dan kwam je ‘op de lat’. Dat betekende dat de naam van de klant met potlood op een opvallende plaats in de winkel op een kalkmuur werd geschreven, met daarachter het bedrag dat je schuldig was, zodat iedereen kon zien dat je niet betaalde. Een schande die in de meeste gevallen snel verholpen werd door te betalen. De schuld werd na betaling uitgeveegd.

 

Op de lat

De naam is een afgeleide van de vroegere ‘kerfstok’. Een  lang plat stokje waarop door middel van kerfjes of insnijdingen werd aangegeven hoeveel broden, pinten melk en dergelijke de eigenaar van de kerfstok op krediet bij een  winkelier had gekocht.

 

Het viel in die tijd niet mee om een hele koe te verkopen binnen de termijn waarop het vlees zou gaan bederven. Zeker niet voor een kleine slager als Gerrit. Daarom kocht hij vaak een ‘vierdel’ (één vierde of kwart) koe of slachtte hij een halve koe zoals dat vroeger werd genoemd. Dat wil zeggen dat hij samen met bevriende collega een hele koe slachtte en ze ieder met de helf tnaar huis gingen.

 

Toen er nog geen echte koelcel was werd het vlees, wanneer de temperatuur te hoog was, ’s avonds naar het slachthuis gebracht. Daar konden ze wel koelen. Bij Gerrit was dat meestal niet het geval. Hij verkocht het vlees dat overbleef en niet langer bewaard kon worden vaak op de zaterdagavond tegen een sterk verlaagde prijs. Hij ging dan met dit vlees, in een mand, de weg op om het alsnog te verkopen. Ook werd er veel worst gemaakt. Vooral verse braadworsten, Achterhoekse droge worsten en gedroogde varkenshammen.

 

De grote dure stukken rundvlees werden gezouten en verwerkt tot rookvlees of tot ongerookte nägelholt (in de lucht gedroogd gezouten rundvlees). Het zouten gebeurde in de kelder waar speciale pekelbakken waren gemetseld. Voor een slager was de pekel, die bestond uit water, zout en soms een kruidenboeket, heilig. Door namelijk steeds opnieuw vlees aan het zoute water toe te voegen kreeg dit onder invloed van uitgetreden vleessappen een heel eigen en unieke smaak. Door de jaren heen werd deze smaak steeds rijker. Een slager was heel zuinig op zijn pekel en niemand mocht er dan ook aan komen. Het ging zelfs zover dat Gerrit, toen hij getrouwd was, zelf de weckflessen met groente voor de warme maaltijd uit de pekelkelder haalde wanneer echtgenote Gerda ongesteld was. Ongestelde vrouwen bedierven de pekel, dacht men toen en dat zou een kleine ramp betekenen. Eens per jaar werd de pekel opgekookt en gezeefd waardoor deze goed houdbaar bleef.

 

Meisjes

Verstokte vrijgezel Gerrit was veel te druk met zijn kleine slagerij om naar meisjes te kijken dacht iedereen. Hij werkte hard en bouwde langzaam maar zeker een goede slagerij op. In zijn spaarzame vrije tijd besteedde hij veel tijd aan sport. Hij was een sportman in hart en nieren. Zijn favoriete sporten waren voetballen - hij werd eens kampioen met het elftal van Sparta uit Zaltbommel - en wandelen. In latere jaren was hij lid van de Winterswijkse slagerswandelclub die, volgens overlevering, in de Tweede Wereldoorlog een protestmars hield tegen het wegvoeren van de Joden. In de winter was hij een niet onverdienstelijke kunstschaatser. Tussen alle bezigheden door was hij druk met het fokken van duiven. Zijn eerste duiven kreeg hij van zijn broer Paul toen die naar Indië vertrok en daarna zijn ze nooit meer uit zijn leven verdwenen. Daarnaast bouwde hij gestaag aan zijn postzegelverzameling. Daar kon hij uren druk mee zijn. Hij had zich gespecialiseerd in postzegels van Duitsland en het Vaticaan. Hij had met name prachtige zegels van Hitler en van de Paus van Rome. Een grotere tegenstelling was volgens hem niet denkbaar en juist dat sprak hem bijzonderaan. Hij ging ook vaak ’savonds naar broer Otto om over politiek te filosoferen. Hij had daarbij de gewoonte om altijd scheef in een stoel te zitten. Met één van zijn benen over de leuning. Een gewoonte die hij tot in lengte van jaren bezigde. Op de een of nadere manier zat hij dan lekker. Een manier van zitten die ook nu nog door zijn zoon Robert wordt gebruikt.

 

Hobby's van Gerrit

Ondanks zijn hobby's die veel tiojd in beslag namekeek hij wel degelijk naar vrouwelijk schoon. Hij vertelde iedereen dat hij een meisje op het oog had dat echter nog te jong was. Hij liet zich daar verder nooitover uit maar iedereen dacht dat het Tine Vulker was, de jongste dochtervande groenteboer die naast zijnslagerij een groentewinkel dreef. Zij zat namelijk altijd bij hem te studeren in het kleine kamertje achter de winkel. Het was daar zo lekker rustig. Ook werd er wel gemompeld dat hij een oogje zou hebben op Cato Bolder uit Zevenaar die hij had leren kennen toen hij samen met Otto op stap was. Otto ging echter met haar aan de haal. Uiteindelijk bleek ook deze veronderstelling niet te kloppen. Jaren later bleek het te gaan om Gerda Elschot die tussen de middag altijd haar vriendin Marietje Venhuis van de kolenboer, tegenover zijn  slagerij,  kwam ophalen.

Femielie

 

Webmaster Gerhard Kwak

 

Website van de Achterhoekse & Twentse families Kwak, Elschot, ten Thij en Goossen.

 

Neem contact op met:

 

Adres: Wielseweg 3-57, 3896 LA Zeewolde

Email: g.kwak@kpnmail.nl

 

© 2018 - 2020 Gerhard Kwak, Zeewolde.  All Rights Reserved