Harmanus Kwak - 69

Gezinsbladen van Harmanus Kwak gehuwd

     met Aleijda Sijbilla Bauman & Johanna Maria Berendsen

Voorbeeld van een conscriptie. De oproep voor Jan Blauw in 1812 te Amsterdam

Harmanus Kwak [69], zn. van Antony (Antoni) Kwak [96] (Wever) en Hendrina (Henderie) Kuiperij [97],

geb. te Silvolde op 27 jan 1801, ged. RK te Silvolde op 1 feb 1801,

Boer, Schutter, Wegwerker, Wever,

ovl. (78 jaar oud) te Wisch op 25 aug 1879, begr. te Wisch op 25 aug 1879,


    ♥ tr. (1) (beiden 23 jaar oud) (1) [25] (Burgerlijke Stand) Wisch HA nr. 33 te Silvolde Wisch 1824/33 op 14 okt 1824,

    kerk.huw. (RK) te Silvolde

    met Aleijda Sijbilla Bauman [74], dr. van Johannes Fren [116] en Johanna Bouwman [117],

    geb. te Bocholt [Duitsland] op 15 mrt 1801, ged. RK te Bocholt [Duitsland] op 15 mrt 1801,

    Linnen naaister,

    ovl. (52 jaar oud) te Wisch op 13 feb 1854, begr. te Wisch op 13 feb 1854.


    Uit dit huwelijk 6 kinderen:

     

    1. Jan Willem [144],
      geb. te Wisch op 18 dec 1826,
      ged. RK te Wisch.

    2. Bernardus (Bernard) [62],
      geb. te Wisch op 25 apr 1828, ged. RK te Wisch op 25 apr 1828,
      Wegwerker,
      ovl. (78 jaar oud) te Winterswijk op 25 jul 1906, begr. te Winterswijk,
      tr. (resp. 34 en 25 jaar oud) [13] te Winterswijk Winterswijk 1863/18 op 16 apr 1863,
      kerk.huw. (RK) te Suedlohn [Duitsland] op 16 apr 1863 Sankt Vitus katholisch
      met Johanna Maria Hösing [63], dr. van Bernardus Heinrich Hösing [114](Landbouwer) en Elisabeth Brochkert [115],
      geb. te Nichteren [Duitsland] op 25 mrt 1838, ged. RK te Nichteren [Duitsland] op 25 mrt 1838,
      Zonder,
      ovl. (77 jaar oud) te Winterswijk op 21 dec 1915,  begr. te Winterswijk op 21 dec 1915.
       Uit dit huwelijk 10 kinderen.

    3. Johannes [1357],
      geb. te Wisch op 16 mei 1831,
      ovl. (9 maanden oud) te Wisch op 15 mrt 1832.

    4. Antonius [1359],
      geb. te Wisch op 11 aug 1833.

    5. Hendrika [1360],
      geb. te Wisch op 9 apr 1836.
      Vertrok naar Winterswijk op 8 februari 1854. Woonde in bij broer Bernard [62]. (Bev-Reg. Varsseveld 1849-1861).

    6. Johannes [1364],
      geb. te Wisch op 5 apr 1838,
      ovl. (2 maanden oud) te Wisch op 19 jun 1838.

     

     ♥ tr. (2) (resp. 53 en 35 jaar oud) (2) [26] te Wisch Wisch 1854/35 op 14 sep 1854,

    kerk.huw. (RK) te Wisch

    met Johanna Maria Berendsen [143], dr. van Bernardus Berendsen [1398] en Maria Smits [1399],

    geb. te Wisch op 15 aug 1819, ged. RK te Wisch.

    ovl. (65 jaar oud) te Wisch op 21 okt 1884


    Uit dit huwelijk 5 dochters:

     

    1. Aleida Willemina [1365],
      geb. te Wisch op 29 mrt 1855,
      ovl. (9 dagen oud) te Wisch op 7 apr 1855 Silvolde no. 218.

    2. Maria Theodora Antoinetta [1422],
      geb. te Wisch op 26 jul 1856.

    3. Maria Aleida [1376],
      geb. te Wisch op 31 dec 1857 Geboren Sillevold no. 218,
      ovl. (één maand oud) te Wisch op 27 feb 1858.

    4. Levenloos aangegeven dochter [1416],
      geb. te Wisch op 2 mei 1859,
      ovl. Silvolde no. 218.

    5. Levenloos aangegeven dochter [1417],
      geb. te Wisch op 5 apr 1862,
      ovl. Silvolde no. 148.

     

         

    ♥ Johanna Maria Berendsen [431] tr. (1) [810]

    met Gerhardus Hendrikus Böhmer [1397], dr. van Friedrich Böhmer [2491] en Angela Sonntag [2492].

    geb. te Datteln (D) ca 1786.

    Boerenknecht

    ovl. te Silvolde op 6 dec 1852.

    Uit deze relatie 1 zoon.

    Uitsnede uit geboorteakte


    Harmanus werd geboren op 27 januari 1801 in Silvolde. Hij is de zoon van wever Antoni Kwak en Henderie Kuiperij. Hij groeit op en maakt van nabij de laatste stuiptrekkingen mee van het Napoleontische tijdperk. Hij is echter nog te jong om bij het leger van Napoleon ingelijfd te worden. Van zijn kindertijd is niet zo veel bekend. Hij is naar school geweest want uit de overgebleven papieren blijkt dat hij kan schrijven. Op de tweede april 1819 wordt Harmanus als lidmaat opgenomen in de Nederlands Hervormde kerk:


    “Den 2 April zijn na voorgaande belijdenis des geloofs ten overstaan van twee ouderlingen tot ledematen aangenomen en Zondag daaraanvolgende voor de gemeente bevestigt: Hermanus Kwak en anderen.”

    Harmanus aangenomen als lid.
    De naam is verkeerd geschreven. 

    Soldaat


    Intussen groeide Harmanus op en we vinden in de archieven voor het eerst weer een teken van leven als hij in dienst gaat. De gegevens staan in de inschrijfregisters van de Nationale Militie.


    Tot aan de Franse overheersing kende de Nederlandse republiek een leger dat helemaal uit beroepsmilitairen bestond. Ook op lokaal niveau waren er militairen beschikbaar. Dat was de zogenaamde schutterij. Deze schutterij bestond uit de weerbare mannen uit het hele dorp. De schutterij was, sinds 27 februari 1815, een onderdeel van de algemene volksbewapening. Gemeenten met een inwoneraantal in bebouwde kom van meer dan 2500 zielen moesten een actieve schutterij hebben. Kleinere dorpen hadden een schutterij in ruste. De dienstdoende schutterij werd gebruikt voor de handhaving van de openbare orde. Tijdens oorlogsgevaar werden de schutters opgeroepen voor actieve militairedienst.


    Dienstplicht

    De Franse bezetter had al in 1811 de ‘conscriptie’ (dienstplicht) geïntroduceerd die tot ver voorbij de tweede helft van de 20e eeuw zou blijven bestaan. Iedere jongeman moest in het jaar dat hij negentien werd naar het gemeentehuis om zich te laten opnemen in het inschrijvingsregister van de Nationale Militie. Dat moest in de woongemeente van zijn ouders. In dat register werden alle gegevens van de jongeman opgenomen: namen, geboorteplaats, data, beroep en de namen van de ouders. Heel interessant is dat tot 1861 ook het signalement van de jongeman is opgenomen.


    De overheid had een mooie stok achter de deur om de jongemannen te dwingen dienst te nemen. Na het afzwaaien kregen de mannen het ‘Certificaat van de Nationale Militie’. Dit papier moest overlegd worden om te kunnen trouwen. Aan de conscriptie was een loting verbonden. De maire (burgermeester) lootte uit de dienstplichtigen het aantal mannen dat hij verplicht was te leveren. Dat aantal werd door de overheid vastgesteld aan de hand van de landelijk benodigde militairen.Tegen deze loting bestond vanuit de bevolking veel weerstand, vooral omdat men geen behoefte had om in het leger te dienen vanwege de vele oorlogen die Napoleon voerde.

    Signalement uit certificaat Nationale Militie            Certificaat Nationale Militie

    Huiswever

    Op de dag van de loting gingen de lotelingen naar een van te voren vastgestelde gemeente waar de loting plaats vond. Daar werd per gemeente geloot. De nummers gingen, opgerold in een ring of koker, in een glazen pot. Aan de hand van de alfabetische lijst trok iedere loteling een nummer. Aan de hand van dat getrokken nummer werden ze vervolgens ingeschreven in het lotingsregister. In de volksmond sprak men van ‘prijzen’: de hoge nummers met weinig kans op dienstplicht en ‘nieten’: lage nummers waarbij je vrijwel zekerwasvandienstplicht.


    De jaarlijkse loting was een hele toestand. De jongemannen trokken dan, vaak met ouders, familie en vrienden, naar de gemeente waar de loting plaats vond. De plaatselijke kroegen hadden dan een heel beste dag, want de alcohol vloeide rijkelijk. Het maakte daarbij niet uit of je een hoog of een laag nummer trok. Niet zelden ontstonden er op die dagen vechtpartijen tussen de dorpen onderling. De jonge mannen waren er toch dus dan kon je maar beter meteen de dorpsveten uitvechten. Ook baldadig gedrag washeelnormaal.


    Vrijstelling

    Vrijstelling was mogelijk om verschillende redenen:
    ♦ door broederdienst.
    ♦ wanneer je de enige wettige zoon was.
    ♦ als geestelijken van alle gezindten.
    ♦ bij lichamelijke gebreken.


    Afkeuring

    Ziekten en/of afwijkingen waarop een loteling voor de dienstplicht werd afgekeurd bij:
    ♦ geheel of gedeeltelijk gemis van hoofdhaar in zoodanige graad, wanneer het hoofd niet genoegzaam is beschut.
    ♦ het niet voldoen aan de vereiste minimum lengte van 156,5 cm.
    ♦ een kropgezwel (struma) en stotteren.
    ♦ buitengewone ontwikkeling der borsten, waardoor het dragen van het uniform bemoeilijkt wordt.
    ♦ overtollige teenen, wanneer daardoor het marcheren of het dragen van schoeisel bemoeilijkt wordt.
    ♦ ziekelijke eetlust, bijv. wolfshonger, hondshonger (famuslupina,canina).
    ♦ vernauwing van de voorhuid met zeer moeielijke of pijnlijke pislozing.
    ♦ hardnekkige en aanhoudende hik.
    ♦ onnoozelheid (idiotismus) en stompzinnigheid (stupiditas).
    ♦ gemis van pigment in het oog (albinismus).


    De dienstplicht duurde in de tijd van Harmanus vijf jaar. Geen wonder dat volop werd geprobeerd er onder uit te komen. Harmanus is op 19-jarige leeftijd opgekomen en op 4 augustus 1824 weer afgezwaaid. Omdat hij gediend heeft weten we wat meer over hem. Volgens het Certificaat van de Nationale Militie, dat als huwelijkse bijlage in het archief aanwezig is, stond hij te boek als nummer 3 bij de 13e afdeling van de nationale infanterie. In deze papieren staat dat hij vijf jaar heeft gediend en “behoorlijk’ uit den dienst is ontslagen. Waar hij heeft gezeten is niet bekend alleen zijn signalement:

    Harmanus trouwt. 

    Na zijn diensttijd kwam Harmanus weer terug in het dorp om het vak van wever weer op te pakken. Silvolde was toen vrijwel volledig omringd door bossen en was een wereldje op zich, net als de andere dorpen in de Achterhoek. Van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat werd er gewerkt en van enige ontspanning was nauwelijks sprake. Gehuwd werd er meestal binnen het dorp. Van reizen naar vreemde oorden was al helemaal geen sprake.

    Omstreeks 1824 ontmoette Harmanus zijn aanstaande vrouw: Aleijda Sibilla Bauman. Zij was medebepalend voor een belangrijk deel van de toekomst van alle nakomelingen van het paar. Zij was namelijk katholiek.‘Twee geloven op een kussen, daar slaapt de duivel tussen’, was niet aan de orde in die dagen,  dus Harmanus zal ook overgegaan zijn tot het Katholieke geloof. In het bevolkingsregister van Varsseveld 1849-1869 [huisno. 218/blad138] is de hele familie katholiek.


    "Er gaat in de familie een verhaal dat Harmanus ooit een bijbel vond, de verhalen begon te lezen, ze prachtig vond en zich daarom liet bekeren. Het is echter veel aannemelijker dat hij katholiek werd omdat zijn toekomstige vrouw dat was."


    De huwelijksaankondigingen zijn op 3 en 10 oktober 1824 naar behoren gedaan en er kwamen geen bezwaren binnen. Ze traden in het huwelijkop 14 oktober1824.


    Aleijda Sibilla Bauman is geboren in Bocholt (Duitsland) op 15 maart 1801 als buitenechtelijke dochter van Joanna  Bauman. Ze werd in de parochiekerk van Bocholt gedoopt. Als vader werd aangemerkt Joannes Fren. Maar deze persoon komt verder niet in de boeken voor. Moeder Joanna, die tijdens het huwelijk in Gendringen woont, geeft toestemming voor het huwelijk. Zij en Aleijda Sibilla geven aan niet te kunnen schrijven. Als getuigen zijn aanwezig: Lambertus Heijster (blauwverver), Derk Jan Hengeveld( herbergier), Marten Scholten (klompenmaker) en Jan Wolters (schoenmaker). Aleijda was van beroep linnennaaister.

    Huwelijksakte Harmanus en Aleijda


    Het huwelijk van Harmanus en Aleijda werd afgekondigd in de katholieke schuurkerk van kerkmeester Pierik die na de grote brand van 1825 als kerk dienst deed. Het paar ging volgens het bevolkingsregister wonen op nummer 158a. Het stukje heide van ongeveer ruim 500 m2 lag aan de oude weg naar Dinxperlo. Hij huurde het stukje grond van Hendrik Jan Lieftink want die staat in de kadastrale atlas vermeld als de eigenaar van dit stuk. Naar aller waarschijnlijkheid woonden ze in een klein boerderijtje. Het woninkje was een eenvoudig daglonersboerderijtje en leek in de verste verte niet op de Saksische boerderijen die toentertijd gebouwd werden voor de rijkere boeren waaraan Harmanus zich verhuurde

    Het leven was zeker niet eenvoudig en er moest hard gewerkt worden om aan de kost te komen. Wonend op zijn kleine boerderijtje is het aannemelijk dat Harmanus van alles deed om zich en zijn gezin in leven te houden. Hij was naast wever ook dagloner en werkte bij de boeren in de omgeving. Vooral tijdens de oogsttijd, want dan was er extra werk.


    Dagloners en kleine ‘zandboeren’, dat zijn de boeren die leven en werken op de zandgronden, hadden een ‘slaafs’ bestaan. Ze stonden meestal tegelijk met de zon op, werkten zich kapot en hadden weinig zekerheden. Het is dan ook niet vreemd dat vele losse arbeiders bijverdiensten zochten als het weven van linnen, werk aan de weg, eekschillen, oer delven, plaggen maaien en houtskoolbranden zochten.


    Wegwerker Harmanus was naast dagloner en wever eveneens wegwerker. Een beroep dat toen al bekend was. Het is niet bekend of Harmanus officieel als wegwerker was ingeschreven en dus bekend stond als ‘graszmeijer’ (grasmaaier). Het Kerspel Silvolde had 9 van deze werklieden ter beschikking. Deze graszmeijers moesten de plaatselijke ‘gemene’ (gemeenschappelijke) wegen onderhouden. Dat was trouwens de plicht van iedere volwassen bewoner die een gebouw in het kerspel bewoonde. Zij moesten ieder jaar minstens één dag met paard en wagen of met schop en zeis aan de wegen werken. Tot de werkzaamheden van een wegwerker behoorden niet alleen het onderhoud van de weg. Ze konden ook ingezet worden bij het aanleggen ervan. Zo werd omstreeks 1848 een paaltjesweg aangelegd van Terborg via Varsseveld tot aan de grens van Aalten. 


    Een paaltjesweg werd gemaakt door dennenstammetjes rechtop in een zandbedding te plaatsen. In de praktijk liep of reed je dan met de wagen over de kopse kant van het hout. Aanvankelijk hield zo’n weg zich goed maar tijdens de strenge winter van 1854 op 1855 raakte de weg behoorlijk beschadigd. Door het opvriezen van de grond en door de zware vrachten die over de weg vervoerd werden. Het herstellen was niet goed mogelijk zodat besloten werd een laag grind over de palen aan te brengen. Toch bleek de houdbaarheid op sommige plaatsen nog niet eens zo slecht, want in 1953 en 1960 kwamen in de Spoorstraat en in de Terborgseweg in Varsseveld nog gave paaltjes aan de oppervlakte.

    Weer in dienst

    In de zomer van 1831 was iedereen in Nederland in de ban van de strijd tegen de Belgen. Voor even waren de landelijke omstandigheden belangrijker dan de gebeurtenissen in de eigen streek. De rust was weg en iedereen was in rep en roer. Willem I bracht troepen bijeen in legerkampen in Noord-Brabant. Ook de stedelijke schutterijen werden in gereedheid gebracht. Men maakte zich klaar voor de ‘Tiendaagse Veldtocht’. Ook onze Harmanus diende in dat leger. Hij ging namelijk voor de tweede keer in dienst. Economisch gezien gaat het Harmanus kennelijk niet voor de wind. Hij treedt namelijk in dienst als plaatsvervanger. Waarschijnlijk heeft hij goede ervaringen met zijn eerste diensttijd maar veel aannemelijker is het dat hij gaat vervangen voor het geld.


    Plaatsvervanger

    Het was vroeger gebruikelijk om een plaatsvervanger (remplaçant) voor te dragen wanneer je zelf niet in dienst wilde of kon. Ongeveer 15 tot 20% van de lotelingen maakte er gebruik van. Er waren in de militieplaatsen verschillende bemiddelaars aanwezig die ter plaatse vraag en aanbod bij elkaar brachten. De vervanging moest notarieel worden vastgelegd. De akte werd vervolgens aan de militieraad voorgelegd. Het regelen van een plaatsvervangerwas niet goedkoop en niet eenvoudig omdat dat, in bepaalde gevallen, weer consequenties had voor de opvolgende broer. In de oude registers van de Mobiele Schutterij van Gelderland (in het vierde kwartaal 1830 ) staat onze Harmanus als schutter vermeld. Hij moest opkomen bij het 3e bataljon, van de 4e Compagnie. Hij kwam op de 20e november 1830 aan als vervanger (remplaçant) voor No. 61: Bernardus Tangelder die op de 1e november uit Wisch was aangekomen.

    Harmanus was op dat moment 29 jaar, getrouwd en had twee kinderen, Jan Willem geboren op 18 december 1826 en Bernardus die werd geboren op 25 april 1828. Zijn aanmelding voor vervanging was naar aller waarschijnlijkheid een financiële kwestie. Over het algemeen werd er namelijk een bedrag van tussen de f200.- en f 300,- betaald voor een invaller. Veel geld wanneer je bedenkt dat in die tijd een timmerman ongeveer 60 cent per dag verdiende.

    Bernardus Tangelder was de oudste zoon van een boer in Silvolde. De boerderij waar hij woonde bestaat nog steeds. Het is boerderij ‘ de Stroes’ aan de Oud Dinxperlooseweg 78, te Silvolde. Op het moment dat hij de oproep kreeg was zijn vader circa 56 jaar en was hij de man die de boerderij draaiende moest houden. Dat zal de reden geweest zijn dat Tangelder Sr. diep in de buidel getast heeft om hem in huis te houden.

    Kleding

    Alle militairen die opkwamen moesten overhaast van een uniform en een hoofddeksel worden voorzien. In die tijd droegen de militairen een ‘sjako of chakot’ van leer en stof. Door de grote toevloed van militairen konden die niet zo snel aangeleverd worden. De heer J. Leenaarts, hoedenfabrikant des konings in Utrecht kreeg toen de opdracht onmiddellijk een hoofddeksel te vervaardigen in de vorm van een sjako. Het hoofddeksel moest wel bestand zijn tegen sabelhouwen alsmede de regen. Al de volgende dag belandde een model bij de generaal op het bureau. De uitvoering was van zwaar karton, overtrokken met wasdoek (geïmpregneerd linnen) en van binnen voorzien van een ring en een kruis van zwaar ijzerdraad. Alle plattelands soldaten kregen dit ‘hoedje van papier’.


    Eén, twee, drie, vier hoedje van, hoedje van,
    Eén, twee, drie, vier hoedje van papier
    En als dat hoedje dan niet past, zetten we ’t in de glazen kast.
    Een, twee, drie, vier, hoedje van papier.


    Wie het liedje over deze hoed heeft bedacht is niet bekend. Het kunnen de soldaten zelf geweest zijn maar net zo goed kinderen tijdens het touwtje springen. Het Legermuseum in Delft geeft echter wel aan dat de melodie is gebaseerd op een militaire mars.

    Een snelle promotie en degradatie

    We vinden van Harmanus verschillende aantekeningen terug ten tijde van de Belgische Oorlog. In het register van de Mobiele Schutterij Gelderland staat hij op nummer 152. Hij is dan tot Korp. (korporaal) benoemd. Er staat:

         Den 20 Novb. aangekomen als plaatsvervanger voor No. 61.
         Den 26 Nov. Tot Korp. Benoemd op No. 27

    Op nummer 27 staat:

         Den 26 november tot korporaal benoemd.
         Was schutter op No.152

    Op 31 december gaat hij naar huis voor een verlof van 4 dagen. Het register is ingedeeld in kwartalen en we vinden achter de naam van Harmanus de volgende aantekening:

         den 3e jan van verlof terug.
         den 7e op marsch met vrije voeding
         den 9e te Oldenzaal met toelage zonder brood
         den 1e febr op marsch met vrije voeding
         den 6e febr in het garnizoen
         de 12e febr tot schutter gedegradeerd* op no 245
         * Wat er is voorgevallen staat nergens vermeld.


    Op plaats 245 lezen we de volgende aantekeningen:

         Was korp op no 27. 12/2 gedegradeerd
         18 febr met vrije voeding
         22 febr te Wageningen met brood
         den 12 april op marsch met vrije voeding de 20 te
         Breda gekazerneerd met campagne vivres.
         den 26 mei ingevolge ade van den Heer kolonel der 2e
         afdeling overgeplaatst bij de 1e Compagnie Vissers? dd 24 mei 1831
         van het 3e Battaillon.


    De troepen verplaatsten zich meestal lopend. Afstanden waren daarbij geen enkel probleem. In de verslagen lezen we herhaaldelijk over dagmarsen van 16 uur en meer. Daarbij werd een bepakking van ongeveer 25 kilo meegezeuld. Het geweer woog 5 kilo en een schutter beschikte over 50 scherpe patronen.


    In de kazernes waren ze vaak in de kost en kregen om krachten op te doen soms ‘campagne vivres’ (dubbele rantsoenen). Onderdeel van deze leeftocht was onder andere jenever. Het eten werd evenals het wassen van de kleding en de extra aankopen bij de veldkeuken van het traktement ingehouden. In het begin van de tiendaagse veldtocht ontvingen de schutters 15 cent per dag. Het geld werd meestal per 5 dagen uitgekeerd.


    Het eten stelde niet veel voor. Het gebeurde in de openlucht en was meestal snel koud. Drie keer per dag werden er maaltijden gebruikt. Borden waren er niet. Men at de stamppot of de aardappelen uit een grote schaal of pan. Daarbij werd apart vet geserveerd. Voor het vlees of het spek had iedereen een eigen houten plankje om dat te snijden. Wanneer in het vroege voorjaar de aardappelen te slecht waren doordat ze al te oud werden dan at men vaak een stamppot van gort en allerlei kruiden. Er waren meestal voldoende kruiden voorhanden om nog een goede pot eten op tafel te zetten. 

    Een heel bekend recept is de kruudmoes. Het is een goed houdbaar recept  vooral ook door de toevoeging van de zure karnemelk.

    De Veldtocht op 3 augustus 1831

    Metalen kruis

    Nota van de hammen

    Kinderstoel

    Advertentie uit de Graafschapbode van 1890

    Overlijdensakte Aleijda


    De veldtocht

    Op de ochtend van 3 augustus 1831 bliezen de tamboers de reveillemars en werd alles in staat van paraatheid gebracht. Rond de middag werden de geweren geladen en volgde een inspectie. Daarna ging vrijwel de voltallige Nederlandse legermacht de grens over. Het begin van de tiendaagse veldtocht. Het provinciaal dagblad van ’s Hertogenbosch vermeldt voorafgaande aan de mars:

    “ Het was een lust voor het Vaderlandschlievende hart den geestvervoerenden uittogt deze korpsen op te merken, welke ten dienste der heilige zaak van Vaderland en Koning uittogen (…)”.

    Het gaat hier te ver om het volledige verloop van de veldtocht weer te geven. Maar dat er stevig gevochten werd staat wel vast. Er was vrijwel voortdurend vuurcontact. Het verloop van de gevechten is bekend. Uiteindelijk trok Nederland zich terug en ging men naar de onderhandelingstafel. Harmanus ontsprong de dans en kwam zonder kleerscheuren uit de oorlog.


    Zoals alle soldaten, die meededen aan de Belgische veldtocht werd Harmanus onderscheiden met ‘Het Metalen Kruis’. Zijn naam komt voor in de lijst van manschappen die zijn voorgedragen voor een onderscheiding in de Belgische oorlog. Bij de meesten van hen staat als reden voor de onderscheiding: ‘ De eerste dagen van augustus.’ De onderscheiding is gemaakt van het ijzer van de Belgische kanonnen die tijdens de strijd zijn buit gemaakt.

    Pagina uit het register van onderscheidingen. 2e Afdeling Geldersche Schutterij 3e bataillon


    Na de oorlog
    De oorlog heeft ook in de gemeente Wisch haar sporen nagelaten. Er werden verschillende kinderen geboren die niet door de vader maar door de vroedvrouw werden aangegeven om dat de vader als schutter in actieve dienst was. Dat was bij Harmanus ook het geval. Zijn zoon Johannes werd op 16 mei 1831 geboren en aangeven door vroedvrouw Hendrika Boenink (67 jr). De getuigen waren: Steven Bussink, nachtwaker en Jan Hendrik Aalbers, wever. Voor zover bekend waren er in Varsseveld een twintigtal gesneuvelden en verschillende gewonden te betreuren.

    Na afloop van de Belgische oorlog werden de schutters uit Wisch in Terborg en Varsseveld onthaald. Dat gebeurde op ‘het kerkhof’; de plaats rond de kerk in het centrum waar vroeger het kerkhof lag. Dat kerkhof was al niet meer in gebruik sinds 1829 maar werd nog steeds met die naam aangeduid. Er werd een compleet podium gebouwd en de schutters werden verrast met een hoornconcert en een maaltijd. Ze werden zonder uitzondering als helden binnengehaald. Dat bleek uit ‘de Specifieke Staat van gedane betalingen op den post van onvoorziene Uitgaven’ (G.A. Wisch. Nr. 5/ dienst 1834, begroting hoofdstuk III). Hier worden de vergoedingen vermeld die betaald zijn aan de verschillende leveranciers.

    Zo ontving W. Arentsen, timmerman te Varsseveld, een vergoeding voor leverantie van werkloon “tot de illuminatie bij het onthaal der teruggekeerde schutters te Varsseveld.” Ook werden er vergoedingen betaald voor de verlichting van het gemeentehuis en het plaatsen van steigers waarop de hoornblazers plaats zouden nemen. Voor de verlichting werden kaarsen gebruikt. Landbouwer F. Braam uit Doetinchem leverde voor de schuttersmaaltijd 49 hammen à 42,5 cent per stuk. Brood met een waarde van 6 gulden en 25 cents werd geleverd door J.H. Berkhof en weduwe J. Luijmers leverde voor 9 gulden bier. Het was in Varsseveld groot feest wat ook blijkt uit de volgende notitie:


    “Betaald aan H. Mellink tapper te Varsseveld voor kamerhuur en muzijk, ten dienste en vervrolijking der teruggekeerde schutters.”

    Kinderen

    Na de terugkomst van Harmanus uit de Belgische oorlog werden nog drie kinderen geboren. Te weten: Antonius op 11 augustus 1833, Hendrika op 9 april 1836 en als laatste de tweede Johannes op 5 april 1838. Helaas is ook deze zoon geen lang leven gegund. Hij overleed nauwelijks twee maanden later.

    De kinderen groeiden op onder de ogen van de grootouders die vaak inwoonden op de boerderij. Op die manier was meestal meteen hun oude dag gevuld met nuttige bezigheden. Grootvader vlocht meestal een wieg van wilgentenen. Onder deze wieg waren een paar kromme takken of ronde balkjes gemaakt waardoor de wieg kon schommelen. De taak van de grootouders was naast een deel van de verzorging vooral ook weggelegd in het wiegen van het kind en het zingen van de wiegeliedjes. Daarmee zorgden ze meteen voor het doorgeven van de eeuwenoude melodietjes omdat de oudere kinderen dan meteen mee konden luisteren. Soms was er naast de grootouders nog een oude oom of een ongetrouwde broer of zuster van vaders of moeders kant in huis die hetzelfde werk kon verrichten.


    Lang duurde dat niet want de kinderen speelden al snel buiten op het erf. Daar was voldoende te beleven. De kinderen groeiden hoofdzakelijk buiten op. Met de dieren en met elkaar. Daarbij was het niet altijd vrijheid blijheid, want ook het spelen stond volledig in het teken van leren omgaan met de boerderij en alle voorkomende werkzaamheden.

    1840 - 1880

    In de periode 1840-1880 maakte Nederland een enorme economische terugslag door. Misoogsten, ziekten en ellende waren aan de orde van de dag. Grote problemen met de aardappeloogsten waren er in 1845 en 1846. Die mislukten volledig. In 1846 kwam er nog bij dat ook de graanoogst mislukte. Het leidde tot grote honger. Mensen, dieren en gewassen waren er slecht aan toe en het voedsel was schaars en duur. Menig dorp zag de rijkdom van weleer verdampen en menig boer kwam, ondanks het keiharde werk, uiteindelijk toch in het armenhuis terecht. Met de opkomst van de textielnijverheid kwam daarin wel wat verbetering maar een vetpot is het eigenlijk nooit geweest. In de jaren daarop werd het leven in de Achterhoek steeds slechter en na de extreme winter van 1844-1845 ging men steeds vaker emigreren. De kleine boeren kozen door de grote armoede en het ontbreken van goede toekomstmogelijkheden steeds vaker voor Amerika. Te Winkel, een cathachiseer- meester en stenenbakker uit Miste beschrijft de situatie als volgt:


    De rog (rogge) is sober geladen en kost wel vier gulden. Ook aan de aardappelen bespeurde men hier en daar al weer de ziekte, zodat het vooruitzicht ook weer donker was, hetgeen velen ook weer aanzette om naar Amerika te vertrekken. Amerika is tans bijna altijd het voorwerp der gesprekken.”

    Het overgrote deel van de bevolking, waaronder Harmanus en zijn gezin, emigreerde niet, maar hield zich in leven door naast de dagelijkse werkzaamheden uitgebreid te stropen en te smokkelen. Men smokkelde van en naar Duitsland. De smokkelaars werden daarbij fel op de huid gezeten door commiezen vanwege het beloningssysteem. Hun basissalaris was namelijk gering maar kon sterk verbeterd worden door de emolumenten. Hoe meer bekeuringen, arrestaties en in beslag genomen smokkelwaar, hoe hoger het inkomen. Voor het in beslag nemen van gedistilleerd bijvoorbeeld ontving de commies 20 cent per liter. ‘s Nachts beurde hij zelfs nog 5 cent meer. Op zout stond een premie van 15 cent per 10 kilo en voor zeep ontving hij 20 cent voor dezelfde hoeveelheid. Een enorme premie stond er op het ontdekken van een illegale brouwerij of branderij. De premie bedroeg dan maar liefst 100 gulden. Geen wonder dat de jacht op smokkelaars vaak ongekend fel was. Daarbij was hardhandig optreden vaak heel normaal. Heel lucratief was het smokkelen van turf. De accijns op turf was namelijk een dankbaar onderwerp om te ontduiken.


    Aleijda overlijdt

    Het gezin van Harmanus had het verre van rooskleurig. Door de armelijke omstandigheden konden ziekten gemakkelijk om zich heen grijpen. Op 13 februari 1854 kwam Aleijda Sibilla Bauman te overlijden. Ze was nog maar 52 jaar oud. Helaas staat niet vermeld waaraan ze is overleden. De doodsoorzaak werd namelijk vrijwel nooit vermeld, tenzij het een situatie betrof die niet door de beugel kon. Wel weten we dat in die tijd heelmeester Gerrit Arentzen de plattelandsdokter was. Die kwam langs om haar dood vast te stellen. Dat moest in het kader van zijn functie als lijkschouwer.


    Gerrit Arentzen was een echte plattelandsdokter die per paard zijn zieken bezocht in een praktijkgebied met een doorsnede van 15 km. Een spreekuur kende men toen niet. De dokter kwam langs. Wel had Arentzen een eigen apotheek. Hij is nooit getrouwd geweest en hoorde na verloop van tijd tot de notabelen van het dorp en schopte het zelfs tot wethouder en raadslid in Varsseveld. Hij deed veel aan liefdadigheid door financiële ondersteuning van het liberale godsdienstonderwijs en het armenpatronaat. Gerrit Arentzen was een bemiddeld man die regelmatig de schulden van zijn patiëntenkwijtschold.

    Tweede huwelijk met Johanna Maria Berendsen

    Ongeveer een half jaar na het overlijden van zijn eerste vrouw, op 14 september 1854, trouwde Harmanus voor de tweede keer. Deze keer met de weduwe van Gerhardus Böhmer te weten: Johanna Maria Berendsen. Johanna Maria is op dat moment 35 jaar. Haar eerste echtgenoot was Gerhardus Böhmer, afkomstig uit Datteln bij Münster in Duitsland. Hij overleed op 61-jarige leeftijd. Het paar had één zoon: Hendrikus Bernardus. 


    In die tijd werd er niet in de kerk getrouwd zoals bij ons. Het huwelijk werd in de kerkboeken genoteerd en was van kracht wanneer het vanaf de kansel bekend was gemaakt, meteen na de preek. Het tweede huwelijk van Harmanus werd bekend gemaakt in de nieuwe Waterstaatskerk. 

    Huwelijksakte Harmanus en Johanna


    Het huis uit

    Opvallend is dat bij het 2e huwelijk de kinderen die nog thuis wonen het huis uit gaan. Jan Willem die net weer thuis was ging voor de tweede keer weg. Nu naar Oeding in Duitsland. Antonius vertrok met onbekende bestemming en onze voorvader Bernardus ging naar Winterswijk, evenals zijn zus Hendrika. Wellicht wilden de kinderen het paar de ruimte geven of was er onenigheid ontstaan. Harmanus was namelijk later, bij het huwelijk van zoon Bernardus in Winterswijk, niet aanwezig.


    Slecht gesternte
    Het ging met Harmanus en Johanna Maria niet echt voor de wind. Het lijkt wel of ze onder een slecht gesternte zijn getrouwd. Samen kregen ze voor zover bekend vijf dochters. Aleijda Willemina stierf na negen dagen, Maria Aleida overleed na ongeveer twee maanden en in de boeken staan twee levenloos aangegeven kinderen vermeld op 2 mei 1859 en 5 april 1862. Bij de geboorte van het laatste kind was Johanna Maria 43 en Harmanus 61 jaar oud. Alleen dochter Maria Theodora Antoinetta blijft leven. Over haar is echter niets in de archieven teruggevonden.


    Dat geldt ook voor de kinderen uit het eerste huwelijk van Harmanus. De verblijfplaats van de oudste zoon Jan Willem bleef onbekend. Wellicht is hij degene die naar Amerika is vertrokken. Antonius, het vierde kind, komen we ook nergens meer tegen. Alleen Hendrika, het vijfde kind en de enige dochter uit dat huwelijk, zien we terug in Winterwijk. Ze werkte op dezelfde boerderij Annevelink als Bernardus. Vandaaruit schijnt ze naar Pruischen vertrokken te zijn en daarna ontbreekt iederspoor.


    Harmanus overlijdt

    Harmanus Kwak overleed op 25 augustus 1879 op de leeftijd van 78 jaar, in de avond omstreeks acht uur op huisnummer 148 in Silvolde. Een respectabele leeftijd. Zijn leven kende, zo is uit de voorhanden gegevens op te maken, veel armoede en verdriet.


    Johannan Maria Berendsen stierf 65 jaar oud op 21 oktober 1884 op huisnummer 168 eveneens in Silvolde .Totaal schonk de vrouw het leven aan zes kinderen. Ze heeft alleen haar zoon uit haar eerste huwelijk met Gerhardus Hendrikus Böhmer zien opgroeien en dochter Maria Theodora Antoinetta uit haar tweede huwelijk.

    Overlijdensakte Harmanus

    Femielie

     

    Webmaster Gerhard Kwak

     

    Website van de Achterhoekse & Twentse families Kwak, Elschot, ten Thij en Goossen.

     

    Neem contact op met:

     

    Adres: Wielseweg 3-57, 3896 LA Zeewolde

    Email: g.kwak@kpnmail.nl

     

    © 2018 - 2020 Gerhard Kwak, Zeewolde.  All Rights Reserved