Wilm Kwak-1226

Op deze pagina vind je een overzicht van vrijwel alles wat over Wilm  Kwak [1226] bekend is. De zaken die we hier schrijven zijn zoveel mogelijk geplaatst in het teken van de tijd. Dat maakt het geheel aantrekkelijker om te lezen en het geeft meer begrip over de levensomstandigheden.

 

Heb je ook aanvullingen laat het ons dan weten via: g.kwak@kpnmail.nl

Gezinsblad van Wilm Kwak & Aaltjen te Mebelink

 

Wilm Kwak, zn. van Andreas (Andries) Quak (Soldaat) en Willemina Bussink,

geb. te Varsseveld op 28 apr 1765, ged. GR te Varsseveld, Dagloner, ovl. (71 jaar oud) te Wisch op 15 okt 1836 Overleden Wijk C no 753.

tr. (20 jaar oud) te Varsseveld op 16 okt 1785, kerk.huw. (GR) te Varsseveld op 6 nov 1785

met Aaltjen Te (Mebel, Te Mebelink), dr. van Garrit Jan Mebelink en Lijsken Naafs.

Bev.reg Varseveld ca. 1812. Woonachtig Westendorp 395.

 

Uit dit huwelijk 7 kinderen:

 

Willemina, geb. te Varsseveld op 28 nov 1785, ged. GR te Varsseveld op 27 apr 1806.

          Het gezin is op 05-05-1835 vertrokken met onbekende bestemming. Getuig bij de geboorte was Lijsken

          Naafs. Volgens lidmaten register Varseveld 1772-1848 No 21, ging Willemina op 15/2/1818 of 1815 terug

          naar Brummen.

 

Aleyda, geb. te Varsseveld op 26 jul 1791, ged. GR te Varsseveld op 29 jun 1813, Dienstmeid, ovl. (70 jaar oud) te Wisch op 27 mei 1862,

♥ tr. 1 (resp. 28 en 30 jaar oud) (1) te Wisch Wisch 1820/10 op 6 apr 1820 met Reynt Leuwerik, zn. van Garrit Jan Leuwerik en Anna Weysels, geb. te Hummelo op 5 okt 1789, Boerenknecht.

Uit dit huwelijk geen kinderen,

 

♥ tr. 2.(resp. 43 en ongeveer 30 jaar oud) (2) te Wisch Wisch 1834/18 op 18 okt 1834 met Jan Schuurman, geb. te Wisch circa 1804, Boerenknecht, ovl. (ongeveer 31 jaar oud) te Doetinchem Doetinchem 1835/38 op 6 dec 1835.

Uit dit huwelijk geen kinderen,

 

♥ tr. 3 (resp. 45 en ongeveer 27 jaar oud) (3) te Doetinchem doetinchem ambt 1836-11 op 29 okt 1836 met Hendrikus Johannes Martinus Kersjes, geb. te 's Herenbergh circa 1809.

Uit dit huwelijk geen kinderen.

 

Hendrica Johanna, geb. te Varsseveld op 7 sep 1794, ged. GR te Varsseveld op 14 dec 1818, ovl. (47 jaar oud) te Wisch op 30 apr 1842,

♥ tr. (resp. 39 en ongeveer 45 jaar oud) te Varsseveld Wisch 1834/11 op 27 apr 1834 met Garrit Haak, zn. van Tony Haak en Aaltjen Heinen, geb. te Varsseveld circa 1789, Wever.

Uit dit huwelijk geen kinderen.

 

Garrit Jan, geb. te Varsseveld op 28 nov 1797, Wever/dagloner, ovl. (78 jaar oud) te Aalten op 25 jul 1876 Aalten 1876/100. Vermelding onder doorgestreepte datum: Met extract van Aalten, tr. (resp. 29 en 24 jaar oud) te Varsseveld Wisch 1827/5 op 5 apr 1827 met Christina Vonhof (Nonhof), dr. van Willem Vonhof en Hendersken Mebelen, geb. te Aalten op 6 mrt 1803, Dienstmeid, boerin, ovl. (70 jaar oud) te Aalten op 4 jun 1873. Bev. Register Varseveld 8/288.

Uit dit huwelijk 6 kinderen.

 

Hendrik Jan, geb. te Varsseveld op 23 jan 1801, ged. te Varsseveld op 21 mrt 1821, Dagloner, ovl. (69 jaar oud) te Wisch op 28 mei 1870 Westendorp no. 599,

♥ tr. (resp. 31 en ongeveer 32 jaar oud) te Varsseveld Wisch 1832/12 op 17 mei 1832 met Hendrika Lovink (Loovink), dr. van Hendrik Jan Lovink en Everdina Reimers, geb. te Doetinchem circa 1800, Dienstmeid.

Uit dit huwelijk 5 kinderen.

 

Hendrik, geb. te Varsseveld circa 1802.

 

Garritjen, geb. te Varsseveld op 18 okt 1807, ovl. (25 jaar oud) te Wisch op 14 dec 1832.

 

Het leven van Wilm Kwak

 

Kort voordat Wilm in het huwelijk treedt wordt zijn naam vermeld op de lijst van weerbare mannen. Deze lijsten geven een overzicht van de mannen die volgens de overheden in staat waren het dorp te verdedigen in tijden van nood. Dat was in de tijd van de patriotten wellicht wel noodzakelijk omdat de tijden steeds roeriger werden.

Lijst van Weerbare mannen.

Plaggenhut

Plaggenzicht


Karreman

Maaier met de zicht

Strodokken onder de pannen

"Lijste en notitie der Weerbare Manschappen in den Dorpe van Varseveld en Buurschappen van hier door de Voogden geformeert en getekent bedragen in den totaale 394 personen de afgesondene Lijste is gedateert den 15 Decembr"

 

De lijst en aantekening van de weerbare manschappen in het Dorp Varsseveld en Buurtschappen van hier door de voogden samengesteld en getekend bedragen in het totaal 394 personen. De verstuurde lijst is gedateerd de15e December.

 

Burgerwacht

Een aantal jaren later in oktober 1787 werd door de Heer Officier van de Hoogheid Wisch een burgerwacht ingesteld. De wachten lopen van 10 uur in de avond tot ‘smorgens vier uur door het dorp en de omgeving omdat:

 

“zig alomme gerugten verspreijden, dat er veel goudieven en landlopers de wegen aflopen en reeds hier en daar diefstallen geschieden. Dat in het dorp Varsseveld zelve alle nagt twee man uit het dorp met de nagtwaker zullen waken en die geaccordeerd wordt in het brandspuijtenhuijsjen haar verblijf te houden ten welken eijnde de spuijt onder den toren ofte in de kerk zoolange zal wordengeplaatst.”

 

De opdracht was dat de voogden, ondervoogden en rotmeesters er op toe moesten zien dat alleen de landlopers opgepakt werden en dat de eerzame burgerij geen last van ze had. Wachtlopen was geen eenvoudige opgave vanwege de slechte zandwegen. Ze werden ieder jaar met zand ‘opgekard’ (opgehoogd) en onderhouden. Verschillende wegen stonden ‘s winters ook nog onder water. Het voordeel van de belabberde toestand van de wegen in de winter was dat ook de landlopers daar last van hadden.

 

Wilm trouwt

Wilm treedt op 6 november 1785 in het huwelijk met Aaltjen Mebelink, dochter van Garrit Jan Mebelink en Lijsken Naafs . Opvallend is wel dat Wilm pas na zijn huwelijk wordt ingeschreven, op 18 april 1786, als lidmaat van de N.H. kerk. Wilm en Aaltjen bouwden, volgens een lijst van aangegraven markegronden uit 1795 een hutje op de hei op de grond van de Marke van Wisch halverwege de dorpen Varsseveld enTerborg.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Uitsnede pachtboek Oud Archief Varsseveld

 

In de ‘Staten van Zichtvreden en aangegraven gronden’ , aanwezig in het Oud Archief van Varsseveld, staat Wilm Quak nog vermeld als pachter van een kamp (omheind stuk bouwland) te Westendorp. (kadaster nummers A7 tot 17) “Belaend ten westen de Kattenhorst en overigens de gemene heide”.

In het Oud Archief van de gemeente Wisch bevindt zich een beschrijving van deze markegronden:

 

“De Gemeente of Markengrond is gelegen rondomme den dorpe Varsseveld, onder de vier buurschappen van dien als Westendorp, Heelweg, Binnenheurne en Zinderhoek is belendt. Deze Heijde of Gemeente ligt geenzints woest of buijten gebruik dezelve dient hoognodig het weijden en voeden van het vhee, bij gebrek van andere weijdelanden die in deze streken niet worden gevonden, beplagginge tot het maken van mest voor de koornlanden, zonder welke die men niet zouden konnen bebouwt en gecultiveerd worden."

 

De plek waar Wilm en Aaltjen zich vestigen is geen willekeurige plek. Uit de archieven blijkt namelijk dat een zekere Steven Smol, de zoon van Alef Smol, op 25 juli 1779 trouwt met Hendrica Mebelink, de dochter van Gerrit Jan Mebelink. Hendrika is de zuster van Aaltjen te Mebelink de vrouw van Wilm. De grond waar Wilm en Aaltjen gaan wonen is namelijk reeds ‘aangegraven’ door zwager Steven Smol.

 

In het zelfde Oud Archief staat een omschrijving van de bewuste grond:

“De natuur der grond is merendeels gemengelt schraal zand met vheen of moerig, ten diepte van twee a drie voeten wordt genoegsaam overal gevonden eene harde roodzandige of magere oehrbank. Van de weinige laagten die zig daarin vinden is de bovengrond leemagtig en vast, het gras hierop groeijende is spigtig blijft dun en kort.”

 

De omvang van de heide die toen rondom Varsseveld lag wordt geschat op circa 2000  morgen. Een morgen (0,865ha) bestaat uit zeshonderd roeden (14,44m2).

 

Wilm en zijn zwager Steven Smol zullen de handen vol gehad hebben om die woeste grond te ontginnen. Geen eenvoudige opgave. In eerste instantie hebben ze de plaggen verwijderd met de plaggenzicht. Een soort haakse schop waarmee de plaggen werden losgehakt. De daaronder liggende grond werd vervolgens geploegd of omgespit. Misschien hebben Wilm en Steven daarna wel eerst boekweit gezaaid om de grond voor te bereiden op rogge of wellicht tabak waar toen een grote vraag naar was. Het kan ook zijn dat er aardappels werden gepoot, een gewas dat juist in die tijd sterk in opkomst wasvanwegedealsmaarstijgendegraanprijzen.

 

Dagloner Wilm Kwak

In onze familiegeschiedenis komt het begrip dagloner regelmatig voor. Bij onze Wilm staat namelijk ook vermeld dat hij zijn levensonderhoud verdient door zich als dagloner te verhuren. Volgens de ‘van Dale’ is een dagloner een landarbeider die voor dagloon werkt. Een toch wel wat al te beperkte omschrijving van het fenomeen. Een dagloner kon rekenen op een jaarinkomen van ongeveer F 165-0-0. Een vakman beurde iets meer, een knecht wat minder. Dat was wel afhankelijk of de dagloner was ingehuurd ‘met de kost’ of ‘op eigen kost’. In dat laatste geval moest hij zelfvoor het eten en een slaapplaats zorgen. Omdat de kosten voor levensonderhoud zo hoog waren pakte het werk ‘met de kost’ beter uit. Wanneer ze geluk hadden en werk hadden werkten ze vaak meer dan twaalf uur per dag. Niet zelden van ‘s morgens vijf tot ‘s avonds zeven uur. In de winter werd er vaak op een houtje gebeten want dan was er nauwelijks werk. Dagloners verdienden dan een beetje bij door het maken van matten en manden of door te weven. Rondom het keuterboerderijtje of de hut waar ze woonden hadden de bewoners een klein stukje grond waar ze groenten en dergelijke verbouwden voor eigen gebruik. In de tijd dat Andreas leefde ging meer dan 70% van het verdiende loon op aan voedsel. In 2006 werd ongeveer 14% van het verdiende loon aan voedsel besteed.

 

“Veel is er niet bekend over de dagloner,” constateert onderzoeker Bert Scova Righini in zijn boek ‘de dagloner in de Achterhoek’. Hij verzamelde gegevens overeen grootaantal jaren. In een geschiedenis over het platteland  zegt B.H. Slicher van Bath, eveneens een bekend onderzoeker:

 

“Het is verbazingwekkend te constateren, hoe weinig men van het leven en de leefomstandigheden van‘ de gewone man’ op het platteland weet(…)”

 

Dagloners leefden absoluut aan de onderkant van de samenleving. Het waren rechtenloze burgers. Zo was het regel dat de dagloner de pet afnam als hij een ‘grote’ boer tegenkwam. Hij haalde het ook niet in zijn hoofd om de dochter van de boer het hof te maken. Bij de gewone gesprekken mocht hij meepraten maar bij serieuze zaken werd de dagloner geacht zijn mond te houden. De kleine boer moest zijn plaats weten.

 

De Geldersche Maatschappij van Landbouw GML berichtte over hen:

“De arbeiders of dagloners hebben van hun verbouwde niets te verkoopen, maar komen daarentegen veel te kort. Ze zijn als de eigenlijke uitvoerders van het zwaare werk van den landbouw te beschouwen(…)”.

 

Een groot deel van de dagloners, waaronder Wilm Kwak, woonden op de woeste (heide)gronden rondom het dorp. Volgens verschillende onderzoekers kon men zich daar namelijk een stuk woeste grond toe-eigenen door in één nacht een perceel af te grenzen door middel van een ondiepe gegraven sleuf en er een kleine hut op te zetten waarin gestookt kon worden. (bron: Grote van Dale). Deze werkmethode heette: ‘kielspitten’ of ‘aangraven’. Die woeste grond, meestal heide of veengebied behoorde meestal toe aan de ‘gemene Marktgronden’ oftewel aan de gemeenschappelijk marke. Veelal kreeg de aangraver en huttenbouwer toestemming om te blijven wonen. Als de sloot klaar was werd de grond verder ontgonnen en zo aan het grondbezit toegevoegd. Wel moest er dan pacht betaald worden. Deze huttenbouwers werden vaak ook gedoogd door de grootgrondbezitters vanwege de dan aanwezige beschikbaarheid van goedkope arbeidskrachten. Daarnaast hadden ze wellicht een functie bij het ontginnen van de woeste grond. Met andere woorden hun werk was mooi meegenomen. Op die manier is in de loop van de eeuwen steeds meer woeste grond ontgonnen.

 

"In de staten van Zichtvreden en Aangegraven gronden staat dat Steven Smol in drie jaar tijd 163 roeden (circa 2350 m2) heeft aangegraven en dat Wilm Kwak daar een hut op heeft gezet."

 

Een dagloner bezat vroeger gemiddeld minder dan twee morgen. Had je net iets meer grond en bezat je een paard, wat in die tijd een behoorlijke luxe was, dan stond je te boek als karreman. Een karreman is een ouderwetse benaming voor een kleine boer die slechts één paard heeft. Wanneer hij met zijn eigen werkklaarisverhuurthijzich met paard en wagen aan derden om op die manier wat bij te verdienen. Over het algemeen heeft een karreman iets meer dan 2 morgen grond. Zodat hij, met één paard, in wezen over wat overcapaciteit beschikt. De naam karreman was geen algemeen geldend begrip in de Achterhoek. In Lichtenvoorde bijvoorbeeld kende men dit begrip absoluut niet

.

Al met al kenden de dagloners slechte leefomstandigheden. Die werden vaak veroorzaakt doordat ze bijna geen dierlijke eiwitten aten. Of het zou vlees moeten zijn van wild dat in de omgeving regelmatig werd gestroopt. Voor vlees was eigenlijk geen geld. Deze situatie kwam aan het licht bij de keuringen voor de National Militie waar veel plattelands jongeren onder de maat bleken.

 

Veel dagloners vertrokken daarom in de drukke seizoenen (oogsten en hooien) naar elders om geld te verdienen. Zo meldde de afdeling Oude IJssel van de GML in 1854 over de situatie in Varsseveld:

 

“Om gebrek en armoede onder dezen stand (dagloners) zoveel mogelijk te voorkomen, bestaat alhier eene vereeniging tot werkverschaffing. Met behulp dezer instelling gaan jaarlijks 80 tot 100 arbeiders dezer gemeente naar Noord-Holland, en wel bepaaldelijk naar de Beemster en omstreken, om aldaar in den hooi- en graanoogst tegen een hooger daggeld werkzaam te zijn, terwijl de behandeling, die zij aldaar ondervinden, door hen zeer wordt geroemd.”

 

Als de mannen weg waren bleven de vrouwen alleen achter met de kinderen. Ze waren niet te benijden. Ze werkten, in de zomer, op het eigen bedoeninkje vaak 15 uur en in de winter niet zelden 10 uur aan een stuk. Zij zorgden voor de kinderen, de huishouding, het vee en alle voorkomende werkzaamheden. Tussendoor was het ook nog zaak om het eten te bereiden. Daglonersvrouwen gingen dus niet veel mee uit werken. Alleen tijdens de oogst, dan moest iedereen mee. Ook de kinderen droegen hun steentje bij. In de zomers gingen ze niet naar school. Iedereen werkte dan veelal bij de grote boer waar ze het eigen land van pachtten of op wiens grond ze gedoogd werden.Vooral tijdens de oogst was iedere hand welkom. De boeren met hun ‘grote’ knechten, de vrouwen en meisjes, loonmaaiers en dagloners. Iedereen hielp mee. De maaiers gebruikten een pikhaak en een  zicht (soort korte zeis). Rond Winterswijk heette de zicht een ‘zeiden’ . De halmen werden met de pikhaak bij elkaar gehaald en vervolgens met een snelle slag van de vlijmscherpe zeiden afgemaaid. Als de maaier zes halen met de zeiden had gemaaid dan haalde hij ze bij elkaar en werd het pak dat zo ontstond in de rij gelegd. Daar werden ze door de ‘bindsters’, twee vrouwen per maaier, in een bos bijeen gebonden tot een garve of schoof. Wanneer een maaier een halm liet staan die door een bindster werd gevonden dan moest hij trakteren. Maar dat gold ook voor de bindster die vergeten had een garve op te binden. Zo’n garve werd aan de onder- en bovenzijde met stro vastgeknoopt. Aan het eind van de dag werden de schoven in een ‘geste of gast’ (wigwammodel van acht stuks)tegen elkaar opgezet. Op die manier kon het graan drogen. De laatste garve die werd gemaaid was extra dik en werd het ‘oldewief’ genoemd. Deze werd versierd met takken en dan kon men op de boerderij ‘stoplaan hollen’. Oftewel koffie en een borrel drinken. In het boek ‘Oud-Achterhoeksch boerenleven’ zegt schrijver H.W. Heuvel:

 

 “Als de rogge‘ van de been’ (gemaaid) is krijgt het volk ‘den stoppelhane’ dat is een ‘dröpken’ uit het glas, daar word je zo anders van. Ook dit zal wel een overblijfsel wezen van oeroude religieuze gebruiken, het slachten van den oogsthaan tot een dankoffer(…)”

 

Wanneer de schoven droog waren gingen ze, hoog opgetast op de wagen, naar de boerderij. De schoven lagen op de kar met de kop naar binnen zodat er geen zaad verloren ging. De rogge werd bewaard op de zolder of op een roggemijt. Een raadgeving die veel boeren kregen was om egels te vangen. Deze konden dan ‘s winters de muizen vangen die het zaad aten. Niet echt effectief omdat egels een winterslaap houden.

 

Dorsen

In de winter werd de rogge van de zolder gehaald en gedorst. Dat gebeurde met de dorsvlegel. Dat was een stok van ongeveer 1,5 meter lang, daaraan was met behulp van een stuk leer een 60 cm lange knuppel bevestigd. Deze was vaak van beukenhout. Het dorsen gebeurde meestal twee keer per week. Iedereen hielp mee in een regelmatig ritme. Twee tot vier dorsers begonnen ‘smorgens al heel vroeg. Ze moesten goed op elkaar ingespeeld zijn, zodat de klappen elkaar achtereenvolgens afwisselden. Als de korrels losgeslagen waren werd het stro verwijderd en werd het graan gewand. De korrels werden met de wanne omhoog gegooid en daarna weer opgevangen zodat het kaf wegwaaide en de schone korrel overbleef.

 

Stro

Het overblijvende stro was voor meerdere doeleinden geschikt. Het werd gebruikt als dakbedekking. De mooie lange schoven werden daarvoor gebruikt. Het was weliswaar minder houdbaar dan riet maar wel een stuk goedkoper en in ruime mate voorhanden. Bij een pannendak zorgde het stro, onder de pannen, voor de afdichting. De boeren maakten er de zogenaamde ‘strodokken’ van. Eigenlijk kleine minigarven die in de kieren onder de pannen werden gestoken. Het stro werd daarvoor in het midden geknikt en met stro weer samengeknoopt. Met stro werd ook wel gevlochten. Bijenkorven zijn daarvan een mooi voorbeeld. Voor de bedstee was ook stro nodig. Mooi droog stro was een eerste vereiste. Het werd in een strozak gepropt of los op de bodem van het bed gelegd. Een laken erover en het bed was gereed voor gebruik. Stro in bed was veel beter dan veren. Die waren weeken verzwakken demens,dacht men toen.Veren hoordenbij derijkelui. Stro werd in latere jaren uit oogpunt van hygiëne veroordeeld. Stro werd ook gebruikt als matje in de klompen. Dat hielp tegen de kou. Dat gold ook voor stro in de kuil, die gegraven werd om de aardappels, wortelen en bieten, gedurende de winter te bewaren. Die werden afgedekt met stro waardoor het bevriezen van deze producten werd voorkomen.

 

Wilms bezit

In 1832 komt er per gemeente een kadastrale vaststelling van bebouwde en onbebouwde percelen in verband met een nieuw belastingstelsel. Er zijn in het totaal elf verschillende klassen. De eerste klasse kent de hoogste aanslag te weten 180 gulden en in de elfde klasse bedraagt de aanslag 3 gulden. Van de laagste drie klassen wordt gezegd: “Deze categorieën zijn samengesteld uit kleine (arbeiders)woningen en armoedige hutten.”

 

Van alle 166 aangeslagen woningen in Varsseveld bijvoorbeeld bevindt ruim 30 procent zich in de laagste klasse. In Silvolde zal dat niet veel anders geweest zijn. Wilm Kwak was één van hen.

Pachtboek

In het pachtboek staat bij Wilm Kwak: gepacht grond ter grootte van 2 morgen en 355 roeden (ruim 2 ha). Hij betaalt daarvoor een pacht van 3 gulden en heeft een schuld van 15 gulden.

 

Het gezin van Wilm

In het gezin van Wilm en Aaltjen worden zeven kinderen geboren. De oudste Aaltje blijft ongehuwd. De tweede dochter Willemina overlijdt op 21-jarige leeftijd en ook Garritjen wordt maar 25 jaar. Haar naam staat in de archieven overigens weer geschreven in de oude vorm Quak. Van zoon Hendrik ontbreekt in de Gelderse archieven ieder spoor. Wellicht is hij ook vroeg overleden of naar Duitsland getrokken en daar getrouwd.

De overige kinderen trouwen en zorgen voor een rijk nageslacht. Toch is niet alles koeken ei. In het archief van Varsseveld bevindt zich namelijk een brief van het Diaconiebestuur van Varsseveld betreffende een verzoek om f 35,375 naar de Hervormde Gemeente te Aalten te sturen die dat bedrag heeft uit betaald aan het behoeftige gezin van Garrit-Jan Kwak en Christina Vonhof. De reden waarom het gezin in behoeftige omstandigheden verkeerde is niet achterhaald.Het enige dat bekend is dat het gezin regelmatig van woonplaats veranderde. Ze woonden onder ander in Aalten (november 1831 - juli 1836)  en in Zelhem van juli 1836 tot december 1942 waarna ze weer naar Varsseveld vertrokken.

Boerderij de Kwak

Een tastbare herinnering aan Wilm is boerderij de Kwak. Gelegen aan de Kwakstraat1 in Varsseveld. Dichtbij de uitspanning Halfweg aan de weg van Varsseveld naar Terborg. Van de oude boerderij is niets meer over.

Hij is verbouwd tot twee woningen onder één kap. Er wonen geen Kwaks meer maar het landschap is van een Achterhoekse schoonheid die ontroert. Wilm en Aaltjen moeten keihard gewerkt hebben, net als hun nazaten, om van het stuk woeste grond zo’n prachtige plek te maken.

Femielie

 

Webmaster Gerhard Kwak

 

Website van de Achterhoekse & Twentse families Kwak, Elschot, ten Thij en Goossen.

 

Neem contact op met:

 

Adres: Wielseweg 3-57, 3896 LA Zeewolde

Email: g.kwak@kpnmail.nl

 

© 2018 - 2020 Gerhard Kwak, Zeewolde.  All Rights Reserved